Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zwikken - (verstuiken)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2014-), etymologische artikelen, gepubliceerd op Neerlandistiek.nl

Etymologie: zwik

zwik zn. ‘houten pen’
Vroegnieuwnederlands swick ‘houten pin in een vat, waarmee vloeistof uit het gat getapt kan worden’ (1573), ‘klein boortje om vaten te openen, plug in een vat’ (Kiliaan, 1599), swick ‘zweep’ (1599), swick swack ‘Proost! – Proost!’ (1612), swickel ‘boor’ (1599). In moderne dialecten zwik, zwiek ‘putgalg, lange hengel’ (Overijssel), zwik ‘schommel’ (Brabant, Belgisch Limburg), zwik ‘dansvloer’ (Limburgs), schwicke ‘schommel’ (Ripuarisch). Verwante vormen: Mnd. swick ‘houten pin voor een tapgat’.
De uitdrukking (hele) zwik ‘boel, spullen, groep’ (Rienes holde naar z’n kwartier, gooide z’n zwikkie in een hoek, 1915; voor negen stuivers nam ’n kameraad ’t heele zwikkie, inclusief ondergoed, over, 1916; een heelen zwik prospectussen, 1923) is 20e-eeuws, en heeft zich waarschijnlijk uit zwik(je) ‘slag (bij kaartspel)’ (1897) ontwikkeld. Dat laatste kan uit ‘de kaarten die je in één zwaai meepakt’ worden verklaard.
De betekenis ‘houten pin’ zou uit ‘gat waardoor de vloeistof kan uitwijken’ kunnen zijn ontstaan, maar dat doet enigszins gekunsteld aan. De tot dusver aanvaarde hypothese dat zwik en Mnd. swick uit het Middelhoogduitse zwic ‘nagel, plug’ (Mohd. Zweck ‘doel’, Zwecke ‘nagel, houten pin’) ontleend zijn, verklaart beter waarom zwik pas in de zestiende eeuw verschijnt, en precies ‘houten pin’ betekent. Hoogduits tsw- zou dan door Nederduits sw- vervangen zijn.
Maar zwik ‘zweep, boor, schommel, hengel, enz.’ staat duidelijk los van het Hoogduitse woord. Het is binnen het Nederlands en Nederduits afgeleid van zwikken ‘buigen, waggelen, verbuigen, verstuiken’, uit Westgermaans *swikkōn. De oorspronkelijke betekenis was dus ‘zwaai, zwenking’, ‘uitwijking’. Zwikken hoort bij het sterke werkwoord bezwijken, Proto-Germaans *swīkan.
Overigens bestaat er ook een Mnl. zn. swike, Vnnl. swijck ‘het bezwijken, verzaken’ met oude lange klinker (Mhd. swîche ‘bedrog’). Het komt vooral voor in de uitdrukking swijck slaen ‘in gebreke blijven, in de steek laten’, bijv. Doe Eva slouch sbevelens swike ‘Toen Eva het gebod in de wind sloeg’ (1340–1360), Pierken ende Mayken … siet dat ghy niet swick en slaet (1551, Tielman Susato). In enkele gevallen wijst de spelling ondubbelzinnig op een korte klinker (bijv. Schoon Lief slaet my daer om gheen swick, Roemer Visscher 1614), gevolg van secundaire klinkerverkorting.
Een waarschijnlijk oudere afleiding bij zwijken is
zweek zn. ‘zwikhout, wrijfhout’
Vmnl. zweecke (1560, 1588, West-Vlaanderen). In moderne dialecten aangetroffen in Zeeland (’t zweek, de zweke) en Vlaanderen. Het betreft een dwarshout bij een houten wagen of ploeg, een verbinding tussen het voorstel van een wagen en wagenbak waardoor die kan draaien.
Zweek hoort dus duidelijk bij ‘zwijken’. Met rekking van korte *i in open lettergreep is het ontstaan uit een Oudnederlands of Westgermaans *swikan-, *swiki- of *swikō- ‘zwenkend’. Vergelijkbare afleidingen van *swīkan ‘bezwijken, uitwijken’ in Oudgermaanse talen zijn *swika- ‘verraad, bedrog’ (Oudengels ǣ-swic ‘bedrog’, Oudhoogduits ā-swih ‘afvalligheid, ergernis’, Oudijslands svik ‘verraad, gif’) en *swiki- (Oudengels swici ‘valstrik’).
[Michiel de Vaan, gepubliceerd op 14-01-2016]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

zwikken ww. ‘verstuiken; spel met kaarten’
Vnnl. swicken ‘buigen’ in twee samenstellingen voor ‘slagboom, hefboom’: die stede des swick booms ‘de plek van de slagboom’ [1518; iWNT], Swichout, datmen op trecket, ende dan weder laet vallen ‘hefboom, die men oplicht en weer laat vallen’ [1556; iWNT], dan het werkwoord in swicken ‘ongemakkelijk lopen’ [1573; Thes.], ‘te ver doorbuigen (van lichaamsdelen)’ in een gewicht En last, waar voor hun kracht en rugge zwikt en zwicht ‘een gewicht en een last waardoor hun rug doorbuigt en hun kracht bezwijkt’ [1666; iWNT].
Herkomst onduidelijk. Mogelijk een intensiefformatie bij, of een ablautende afleiding van de wortel van → bezwijken, die ‘verdraaien, uitwijken’ betekent.
De reconstructie luidt dan pie. *suig-nó-, dat volgens de wet van Kluge leidt tot pgm. *swikk-. Er zijn echter geen verwante woorden in de andere Germaanse talen. Waarschijnlijker is een reconstructie pie. *suigh-nó- (FvW), bij de wortel van on. svigna ‘terugwijken, buigen’ en sveigja ‘draaien, buigen’.
Het woord past in elk geval bij de groep zw-woorden zoals besproken onder → zwaaien.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zwikken1* [verstuiken] {swicken 1573} middelnederlands swecken [mank gaan (in zedelijke zin)], intensief van middelnederlands swigen [flauwvallen], oudnoors sveigja [buigen]; vgl. litouws svaikti [duizelig worden]; behoort tot de groep van zwijm.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zwikken ww., Kiliaen swicken ‘bewegen, trillen, werpenʼ, staat met emfatische -kk- naast on. sveigja ‘draaien, buigenʼ, vgl. het sterke ww. nzw. dial. swīga ‘zich buigen, meegeven, toegevenʼ, en abl. nnoorw. nzw. sviga ‘zich buigenʼ en verder on. svigi m. ‘dunne, buigzame takʼ, svigna ‘zich buigen, meegevenʼ. — lit. svaĩkti ‘duizelig wordenʼ, svaiginéti ‘heen en weer wankelenʼ (Wood MLN 16, 1901, 21). — Zie verder: zwijmen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zwikken ww. Kil. swicken “agitare, motitare, vibrare, librare”, niet uit ’t Mnl. bekend. Wellicht met germ. kk uit idg. qn of ḱn of ghn, ĝhn en verwant met zw. dial. svîga “buigen” (intr.), on. sveigja “id.” (trans.), sveigr “buigzaam”, svigna “buigen (intr.), voor druk e.dgl. wijken”; van een uit swī̆- (zie zwier) verlengde basis? Of met idg. gn bij bezwijken?

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zwikken. Over de hier veronderstelde oorsprong van germ. kk zie bakken Suppl. 1e alin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zwikken o.w. (verstuiken), staat tot zwijken als bukken tot buigen.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zwikken (verstuiken) intens. van zwijken (zie Bezwijken).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zwikken ‘verstuiken’ -> Papiaments suek (ouder: zwik pia) ‘verstuiken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zwikken* verstuiken 1573 [Claes]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

su̯ē̆(i)- ‘biegen, drehen, schwingen’, (s. auch seu- und su̯eng- ‘biegen’), su̯i-lo-, su̯i-mo- ‘Drehung’

Gr. σῑμός ‘aufwärts gebogen, stumpfnasig, spöttisch’ (dazu σικχός ‘ekel, alles tadelnd’?); vielleicht auch σῑρός ‘Grube’ (*Einbiegung?);
cymr. chwid ‘lebhafte Wendung, Kunstgriff’, chwidl ‘sich im Kreise drehend, schwindlig’, chwidr ‘schnell, flüchtig, übereilt’; chwim m. (*su̯ī-smo-) ‘Bewegung, Antrieb’, Adj. ‘schnell’, chwyf m. ‘Bewegung’ (*su̯ĭ-mo-, vgl. unten germ. swī̆m-), chwyfio ‘movere’, bret. fiñval, gwiñval ‘sich bewegen, rühren’;
cymr. chwyn ‘Bewegung’, chwil (*su̯ī-lo-) ‘sich schnell drehend’; chwyl und chwel (*su̯ĭ-lo-, -lā vgl. norw. svil) ‘Wendung, Lauf’, corn. wheyl ‘Arbeit’, air. sel ‘Wendung, Drehung, Zeitraum’, mir. des-sel ‘Wendung nach rechts’, tuath-bil ‘Wendung nach links’;
mnd. swāien, sweimen ‘sich schwingen’; als Partiz. aisl. svað n. ‘das Gleiten’, (*su̯ǝ-to-), svaða ‘gleiten’, ags. swaðian ‘(ein)wickeln’, engl. swath(e), mnd. mhd. swade ‘Reihe von gemähtem Gras, Schwaden’;
norw. svīma ‘schwanken, taumeln’, mhd. swīmen ds.; ags. swīma m. ‘Schwindel, Ohnmacht’, aisl. svīmi, ndl. zwijm ds.; mhd. swīmel, swimmel ‘Schwindel’; aisl. sveimr m., sveim n. ‘Getümmel, Tumult’, sveima ‘umherziehen’, mhd. sweim m. ‘das Schweben, Schweifen, Schwingen’, sweimen ‘sichschwingen, schwanken’; norw. svil n. ‘Spirale; der krause Samenbeutel dorschartiger Fische’; nd. swīr ‘Schwung, Drehung, Bummeln’, swīren ‘sich schwingend bewegen, umherfliegen, in Saus und Braus leben’.
su̯eib-: av. xšvaēwayat̰-aštra- ‘die Peitsche schwingend’, xšviwra- ‘flink’; got. midja-sweipains ‘Sintflut’ (eig. ‘Fegung der Mitte’); aisl. sveipa ‘werfen, umhüllen’, ags. swāpan ‘schwingen, fegen, treiben’, as. swēp ‘fegte fort’, ahd. sweifan ‘schwingen, schweifen, streiten’, sweif ‘Umschwung, Schwanz’ = aisl. sveipr ‘Band, Schlingung, gekräuseltes Haar’, aisl. svipa ‘Peitsche’.
su̯eid-: in lit. svíesti, lett. sviêst ‘werfen’, Frequentativ lit. sváidyti, lett. svaĩdît ‘wiederholt schleudern’; ob lett. svaĩdît ‘salben, schmieren’ (unten unter su̯ēid-) hierher?
su̯eig-: germ. auch ‘nachgeben, nachlassen’ (von su̯ī- ‘schwinden’ ausgegangen) ‘(listig) etwas drehen, ausweichen, Trug’ u. dgl.: ahd. swīhhōn, ags. swīcian ‘schweifen, wandern, betrügen’, aisl. svīkva sȳkva (u̯-Präs.), svīkja ‘betrügen, verraten’, ags. swīcan ‘verlassen, betrügen’, poet. ‘fortgehen, wandern’, as. swīan ds. ‘ermatten’; ahd. swīhhan ‘ermatten, nachlassen, verlassen’, mhd. swīch m. ‘Zeitlauf’, ā-swīch ‘heimlicher Fortgang’, sweichen ‘ermatten’; aisl. svik n. ‘Verrat, Betrug’, ags. swic n. ds., ahd. biswih m. ds.;
lit. svaĩgti ‘Schwindel bekommen’, svaiginė́ti ‘schwindelig umherwanken’, russ. svigát’ ‘herumtreiben’;
toch. A wāweku ‘gelogen’, В waike ‘Lüge’.
su̯eik-: aisl. sveigr ‘biegsam’, m. ‘biegsamer Stengel’, schwed. dial. svīga, svēg ‘sichbiegen’, Kaus. aisl. sveigja ‘biegen’, Pass. svigna ‘sich beugen, nachgeben’, svigi m. ‘biegsamer Stengel’; ahd. sweiga ‘Viehstall’ (*Geflecht).
su̯eip-: aisl. svīfa ‘schwingen, drehen, umherschweifen, schweben’, ags. swīfan ‘drehen, fegen, wenden (engl. swift ‘schnell’), schwenken’, aisl. sueifla ‘schwingen’, mhd. swibeln, swivelen ‘taumeln’, ahd. sweibōn ‘schweben, schwingen’, swebēn ‘schweben’.
lett. svàipīt ‘peitschen’, svipst(ik̨)s ‘Hasenfuß, Zierbengel’.

WP. II 518 ff., Vasmer 2, 591 f., Johannesson 794 ff.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal