Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zwak - (krachteloos)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2014-), etymologische artikelen, gepubliceerd op Neerlandistiek.nl

zwak

zwak bn. ‘krachteloos’
Vroegmiddelnederlands zuakart (1272), swakard (1291) ‘Zwakaard’, bijnaam ; Mnl. zwack ‘buigzaam’ (van hout), ‘gebrekkig’, ‘zondig, slecht’, Zuidoostmnl. ook swaeck, swake ‘buigzaam, ziek’; Nieuwnl. swack ‘krachteloos’ (1528), ‘buigzaam, soepel’ (1599). Ook in alle moderne dialecten kan zwak nog ‘lenig, vlug’ betekenen. Het Limburgs heeft veelal z(j)waak ‘zwak’ met gerekte klinker. ‘Lenig’ is gezwak in Belgisch Limburg en gezwank in Nederlands Limburg. Werkwoorden: Mnl. swacken en swaken ‘verzwakken, zwak maken & zwak worden’, Nnl. swacken.
Verwante vormen: Middelnederduits swak ‘zwak’, Middelhoogduits swach ‘armzalig, gering’, Nhd. schwach ‘zwak’. Uit Westgermaans *swaka- ‘zwenkend, beweeglijk’. Aan swa(c)ken verwante werkwoorden zijn Middelhd. swachen ‘zwak worden’, Mnd. swaken uit *swakēn ‘zwenken, zwak worden’, en Mnd. sweken ‘zwak maken’, Mhd. swechen, Nhd. schwächen uit overgankelijk *swakjan- ‘doen zwenken’. Oudhoogduits swahhazzen ‘sidderen’ < iteratief *swakatjan.
De oudste betekenis was ‘buigzaamʼ, zodat we zwak kunnen verbinden met de groep van zwenken ‘doen wenden’, Mnl. swanken ‘wankelen’ en Nnl. zwank ‘slank’, woorden die afgeleid zijn van het Germaanse ww. *swingwan zoals voortgezet in Engels to swing, Duits schwingen ‘slingeren, zwaaien’ (van een PIE wortel *swengwh-). De k in *swenk-, *swank- moet secundair ontstaan zijn (vgl. een soortgelijke verhouding tussen klinken en Duits klingen), en Westgm. *swaka- heeft zijn k dan weer op swank- gebaseerd, maar het exacte model voor de vorming van *swaka- is niet duidelijk. Vooral moet nog verklaard worden, waarom *swaka- als enige afleiding van deze wortel geen interne -n- heeft.
Literatuur: Frank Heidermanns, 1993, Etym. Wb. der germ. Primäradj., p. 571, 573.
[Michiel de Vaan, gepubliceerd op 18-01-2018]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zwak* [krachteloos] {swac(k), swake [buigzaam, taai, gebrekkig, zwak] 1451-1500} middelnederduits swak, middelhoogduits swach; moet vermoedelijk met de groep van zwenken in verband worden gebracht.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zwak bnw., mnl. swac ‘buigzaam; gebrekkig, zwakʼ, mnd. swak, mhd. swack (nhd. schwach), vgl. mnd. swaken ‘wankelenʼ. De oude bet. zal dus ‘buigzaamʼ geweest zijn en dan behoort het woord tot de groep van zwenken. — > ne. dial. schots swack (sedert 1768, vgl. Bense 489).

Daarmee vervalt de vroeger algemeen aangenomen verbinding met ziek. — Geheel onaanvaardbaar is de mening van Odé, Reflexe von ‘tabuʼ und ‘noaʼ 7 die verbindt met gr. hagnós ‘gewijd, heiligʼ, daar het uitgangspunt ‘buigzaamʼ geen religieus begrip is en boven­dien het begrip ‘heiligʼ moeilijk tot dat van ‘zwakʼ kan voeren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zwak I bnw., mnl. swac (flexie gew. al met ck). = mhd. swach (nhd. schwach), Teuth. swack, swaeck, swake, mnd. swak (k en kk) “zwak, nietig”. Er is geen reden om dit woord van ziek te scheiden. Dezelfde ablautstrap in arm. kʿakem “ik los op, word gebrekkig” of in arm. kʿac “wijfje”, als een van beide terecht gecombineerd is. Verder kan desnoods oi. sū́kṣma- “fijn, dun, klein” nog verwant zijn. De verdere combinatie met oi. svájate “hij omarmt” en de woordgroep van zwenken is niet wsch. te maken.

zwak II znw. o., nog niet bij Kil. Wsch. naar fr. faible znw.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zwak. De bet. ‘buigzaam’ van het mnd. — wsch. ook het mnl. — woord, die ook bij Kil. en de Teuth. is opgegeven, maakt de verbinding met de groep van zwenken aannemelijk. De in het art. genoemde arm. woorden zullen dan wel niet verwant zijn, ook ziek niet (vgl. aldaar Suppl.). Vgl. Heinertz Et. St. z. Ahd. 132 vlgg. — De combinatie van Odé Reflexe von “tabu” und “noa” 7 met gr. hagnós (< idg. *swǝgno-, *swǝĝno-) ‘gewijd, heilig’, hágios ‘id.’ veronderstelt een religieuze oorsprong, die in de concrete bet. ‘buigzaam’ niet de minste steun vindt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zwak bijv., Mnl. swac + Mhd. swach (Nhd. schwach): komt elders niet voor: staat tot ziek als zwadder tot zieden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zwaak (bn.) zwak; Middelnederlands swac <1451-1500>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

zwak, gezwak, (ge)zwank, bn.: lenig, soepel; fel. Ook Vlaams en Brabants. Mnl. swac ‘buigzaam, zwak’, Vnnl. zwac ‘tillas’ (Lambrecht), swack ‘lenig, buigzaam’ (Kiliaan). Mnd. swak ‘buigzaam’, Mhd. swach ‘gering, slecht, krachteloos’, D. schwach. Vgl. Mnd. swâken, swêken ‘waggelen, wankelen’, N. dial. svaga ‘wiebelen, schommelen, zwaaien’, svagga ‘wankelen’, On. sveggja ‘schommelen, zwenken’. Uit een nasaalloze Idg. variant *sueg-, suek- < *sueng-, suenk- ‘buigen, draaiend zwaaien, zwenken’. Hoort bij schwenken, schwanken, zwenken, zwinken, zwanken. De betekenisevolutie kan als volgt zijn: ‘buigbaar > lenig, soepel > krachtig, flink > vlug’. Voor de Ndl. en D. betekenis moeten we eveneens uitgaan van ‘buigbaar’, vandaar ‘wankelend, onvast, krachteloos, zwak’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

zwak, bn.: vlug, behendig, gezwind; lenig, soepel; fel. Ook Vlaams. Mnl. swac ‘buigzaam, zwak’, Vnnl. zwac ‘tillas’ (Lambrecht), swack ‘lenig, buigzaam’ (Kiliaan). Mnd. swak ‘buigzaam’, Mhd. swach ‘gering, slecht, krachteloos’, D. schwach. Vgl. Mnd. swâken, swêken ‘waggelen, wankelen’, N. dial. svaga ‘wiebelen, schommelen, zwaaien’, svagga ‘wankelen’, On. sveggja ‘schommelen, zwenken’. Uit een nasaalloze Idg. variant *sueg-, suek- < *sueng-, suenk- ‘buigen, draaiend zwaaien, zwenken’. Hoort bij schwenken, schwanken, zwenken, zwinken, zwanken. De betekenisevolutie kan als volgt zijn: ‘buigbaar > lenig, soepel > krachtig, flink > vlug’. Voor de Ndl. en D. betekenis moeten we eveneens uitgaan van ‘buigbaar’, vandaar ‘wankelend, onvast, krachteloos, zwak’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

zwak bn.: lenig, soepel, behendig. Ook Vlaams. Mnl. swac ‘buigzaam, zwak’, Vnnl. zwac ‘tillas’ (Lambrecht), swack ‘lenig, buigzaam’ (Kiliaan). Mnd. swak ‘buigzaam’, Mhd. swach ‘gering, slecht, krachteloos’, D. schwach. Vgl. Mnd. swâken, swêken ‘waggelen, wankelen’, N. dial. svaga ‘wiebelen, schommelen, zwaaien’, svagga ‘wankelen’, On. sveggja ‘schommelen, zwenken’. Uit een nasaalloze Idg. variant *su̯eg-, su̯ek- < *su̯eng-, su̯enk- ‘buigen, draaiend zwaaien, zwenken’. Hoort bij schwenken, schwanken, zwenken, zwinken, zwanken. De betekenisevolutie kan als volgt zijn: ‘buigbaar > lenig, soepel’. Voor de Ndl. en D. betekenis moeten we eveneens uitgaan van ‘buigbaar’, vandaar ‘wankelend, onvast, krachteloos, zwak’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

zwak (B, G, W, ZO), bn.: lenig, soepel, behendig, flink, vlug. Ook Wvl. Mnl. swac 'buigzaam, zwak', Vnnl. zwac 'tillas' (Lambrecht), swack 'lenig, buigzaam' (Kiliaan). Mnd. swak 'buigzaam', Mhd. swach 'gering, slecht, krachteloos', D. schwach. Vgl. Mnd. swâken, swêken 'waggelen, wankelen', N. dial. svaga 'wiebelen, schommelen, zwaaien', svagga 'wankelen', On. sveggja 'schommelen, zwenken'. Uit een nasaalloze Idg. variant *sueg-, suek- < *sueng-, suenk- 'buigen, draaiend zwaaien, zwenken'. Hoort bij schwenken, schwanken, zwenken, zwinken, zwanken. De betekenisevolutie kan als volgt zijn: 'buigbaar > lenig, soepel > krachtig, flink > vlug'. Voor de Ndl. en D. betekenis moeten we eveneens uitgaan van 'buigbaar', vandaar 'wankelend, onvast, krachteloos, zwak'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

zwak lenig, vlug, flink (Bommelerwaard, Zeeland, Noordoost-Nederland). = nl. zwak = hgd. schwach ‘zwak’ = mnl. swac ‘zwak, buigzaam’. ~ mndd. swaken ‘wankelen’. Wschl. ~ zwenken en ~ oind. svájate ‘hij omslingert’.
Ghijsen 1202, Dijkhuis 1289, De Bont 1960, 204, EW 446, 448.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

zwak (DB, B, K, O, P), bn.: lenig, soepel, sterk, knap; bw. vlug (B, O, P, R). Mnl. swac ‘buigzaam, zwak’, Vroegnnl. zwac ‘tillas’ (Lambrecht), swack ‘lentus, quod facile flectitur, flexilis’ (Kiliaan). Mnd. swak ‘buigzaam’, Mhd. swach ‘gering, slecht, krachteloos’, D. schwach. Vgl. Mnd. swâken, swêken ‘waggelen, wankelen’, N. dial. svaga ‘wiebelen, schommelen, zwaaien’, svagga ‘wankelen’, On. sveggja schommelen, zwenken’. Uit een nasaalloze Idg. variant *sueg-, suek- < *sueng-, suenk- ‘buigen, draaiend zwaaien, zwenken’. Hoort bij schwenken, schwanken, zwenken, zwinken, zwanken. De betekenisevolutie kan als volgt zijn: ‘buigbaar > lenig, soepel > krachtig, flink > vlug’. Voor de Ndl. en D. betekenis ‘zwak’ moeten we eveneens uitgaan van ‘buigbaar’, vandaar ‘wankelend, onvast, krachteloos, zwak’.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zwak (een -- hebben voor) (vert. van Frans avoir un faible pour)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zwak, met invoeging van w, zie Zoel, van ziek, z. d. w.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zwak ‘voorliefde, neiging’ -> Indonesisch suak, suwak, zwak ‘voorliefde, neiging’.

zwak ‘krachteloos; (verouderd) buigzaam, soepel’ -> Engels swack ‘soepel’; Schots swack ‘zacht, vochtig en makkelijk kneedbaar; (van kaas) niet brokkelig; soepel’; Deens svag ‘krachteloos’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors svak ‘krachteloos’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds svag ‘krachteloos’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch suak, suwak, zwak ‘krachteloos, niet lekker’; Ambons-Maleis swak ‘krachteloos’; Balinees swak ‘krachteloos’; Chinees-Maleis swak ‘krachteloos’; Menadonees zwak ‘krachteloos’; Negerhollands swak ‘krachteloos’; Papiaments suak (ouder: zwak) ‘krachteloos’; Sranantongo swaki ‘krachteloos, gammel’; Saramakkaans suáki ‘krachteloos, gammel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zwak* krachteloos 1451-1500 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

619. De geest is gewillig, maar het vleesch is zwak.

Deze woorden zijn ontleend aan Matth. XXVI, 41: ‘Waeckt ende bidt, op dat ghy niet in versoeckinge en comt: de geest is wel gewillich, maer het vleesch is swack.’ Wij gebruiken dit woord meermalen ‘op schertsenden toon van opkomende goede voornemens, gepaard aan de uit de zinnelijke natuur voortkomende neigingen tot allerlei genot’; Zeeman, 213. Vgl. fr. l'esprit est prompt et la chair est faible; hd. der Geist ist willig, aber das Fleisch ist schwach; eng. the spirit is willing but the flesh is weak.

2333. Een zwak vat,

d.w.z. een mensch, inzonderheid eene vrouw. Volgens den Bijbel zijn menschen gelijk aan vaatwerken, aan stukken huisraad in den tempel Gods: het zijn gouden, zilveren en aarden vaten, zooals in 2 Tim. 2:20 staat. De vrouw wordt in 1 Petr. 3, 7 in vergelijking met haren man ‘het zwakste vat’ genoemd (Zeeman, 474). In het Mnl. komt ‘vat’ zeer dikwijls voor in den zin van lichaam van den mensch, vooral als bewaarplaats der ziel, meermalen ook in dien van mensch in 't algemeen, in het bijzonder, verbonden met een bijv. nw., van Jezus en Maria (Mnl. Wdb. VIII, 1313). Vgl. verder uitdrukkingen als een bedorven vat, een slecht, bedorven mensch; geen heilig vat zijn, een niet bijzonder zedelijk mensch zijn; zie verder Anna Bijns, bl. 319: Besidt u vaetken in eeren, niet in schanden; ghij zijt tempelen Gods; bl. 37: Wy sijn crancke vaten; Winschooten, 306: de vrouwlui sijn swakke vaatjes; Tuinman I, 62: Wy zijn altemaal zwakke vaatjes; Harreb. II, 361: De vrouwen zijn zwakke vaten, daarom leg ik er een' band om, zei de kuiper, en hij roste zijne vrouw; Molema, 572; fri. in swak fet, iemand met een zwak lichaam; Antw. Idiot. 1318: en heilig vat met verdoemde reepen, een schijnheilige; De Bo, 1145: een heilige test met eene verdoemde oore. Ook in het fr., hd. en eng. komen in bijbeltaal vase (of vaisseau), gefäsz en vessel in den zin van ‘mensch’ voor. Zie no. 2223.

2678. (Een) zwak hebben,

d.i. een zedelijk gebrek hebben; eig. eene zwakke plaats, een teergevoelige plek hebben; mnl. ene cranke; fri. in swak habbe, gebrek aan zwakheid van karakter. Een zwak op of voor iets hebben, op iets zeer gesteld zijn om het te bezitten, te bewaren; een voorliefde, eene neiging hebben voor; eig. zwak, gevoelig tegenover iets zijn en vandaar: iets genegen zijn, hart hebben voor iets. Vgl. Harreb. II, 515 a; Van der Palm, Salomo, 4, 189: Ieder vindt zijn hoofdgebrek geringer en minder hatelijk dan dat van anderen, - hij noemt dit zijn zwak en daar toch ieder gezegd wordt zijn zwak te hebben, getroost hij zich deze kleine vlek, die een schoon gelaat niet altijd ontsiertTaalgids I, 216 en vgl. V. Janus III, 50: een familiezwak.; Amst. 87: Ik heb nou eenmaal zwak op je, omdat je zoo op m'n dooie jonge lijkt; Handelsblad, 31 Oct, 1923 (A) p. 1 k. 1: Dat een Minister die zelf nauw aan een blad verbonden was, zooals Dr. Kuyper, ook als Minister nog een zwakje voor zoo'n orgaan blijft houden is te menschelijk om daarvan zulk een Minister een groote grief te maken; fri. dêr ha 'k in swak op; in de 18de eeuw zwak zijn op iemand ( C. Wildsch. VI, 241: Hij weet wel, dat ik zwak op u ben); hd. eine Schwäche haben (Grimm IX, 2155); fr. avoir un faible (ou de la faiblesse) pour qqn., pour qqch, ne pas savoir lui résister; avoir un faible, un côté faible, un défaut ou une passion par où on est vulnérable (Hatzf. 1020 b); eng. to have a foible; to have a weakness for.

2679. Iemand in (of bij) zijn zwak tasten (of vatten),

d.w.z. iemands zwakke zijde, zijn gevoelige plek aanrakenVgl. C. Wildsch. I, XVIII: Op zijn zwakke zijde geraakt worden; Br. v. Abr. Bl. I, 193., daar waar hij niet veel verdragen kan, waar hij gemakkelijk te treffen is. Vgl. C. Wildsch. III, 100: Ik heb, kort gezegd, haar van haare zwakke zijde aangegrepen; Staring, de Hoofdige Boer vs. 55: Zijn aanspraak had de luidjes bij hun zwak gevat; Harreb. II, 515 a; Het Volk. 23 Oct. 1913 p. 7 k. 3: Zoo'n man als Kleerekoper likt de arbeiders, steekt ze omhoog, tast ze in d'r zwak, weet ze te lijmen. Te Gent zegt men hiervoor: aan iemands slappe koorde trekken (Schuermans 617 a); in het Land van Aalst: iemand langs zijn zwakken kant pakken. Vgl. no. 43; fr. prendre quelqu'un par son faible ou trouver le défaut de la cuirasse; hd. jem bei der schwachen Seite angreifen; eng. to attack (or to hit) a p. on his weak place (or side); fri. immen op 'e swakke side oankomme. Vgl. ook het mnl. enen op sijn bloote betrapen; Vondel, Virg. II, 18: Ghij alleen kent zijn luimen en weet hem op zijn weeckste te nemen.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

su̯eng-, su̯enk- : su̯eg-, su̯ek- ‘biegen; drehend schwingen, schwenken’

Ai. svájatē, -ti (svaŋkṣyate) ‘umschlingt’, Partiz. svaktá-, pariṣvakta- = av. pairišxvaxta- ‘rings umschlossen’; air. seng ‘schlank’ (‘*biegsam’), kelt. ON Singi-dūnum;
mhd. mnd. swanc ‘biegsam, schlank, fein, schmächtig’, ags. swancor ‘biegsam, schmächtig’; norw. svekk, svokk f. (*swank-i̯ō, ) ‘Höhlung der Fußsohle’, dän. schwed. swank ‘Tal, Höhlung’; ags. swincan ‘arbeiten, sich quälen’ (eig. ‘sich winden bei der Arbeit’), Kaus. swencan ‘plagen, peinigen’ (swenc m. ‘Trübsal’), ahd. mhd. swenken ‘schwingen lassen, schleudern’, nhd. schwenken; mhd. swank (-k-) ‘Wendung, Schwung, Streich, Einfall’, nhd. Schwank;
daneben germ. *sweng- (idg. *su̯enk-):
ahd. as. swingan ‘(sich) schwingen, fliegen’, as. swingan (swinga ‘Keule’), ags. swingan ‘schlagen, peitschen, sich schwingen’; Kaus. got. af-swaggwjan ‘schwankend machen’ (?), ags. swengan ‘sich schwingen’, mhd. swanc, swunc (-g-) ‘schwingende Bewegung, Schwang, Schwung’; mnd. mhd. swengel ‘Schwengel’; aisl. svangr ‘dünn, schmal’, mhd. swanger ‘schlank’; aisl. svangi m. ‘die Leisten, Weichen’ (‘Einbiegung’);
nasallos: norw. svaga, svagra ‘schwanken, schlenkern’, svagga ‘schwankend gehen’, aisl. sveggja ‘(ein Schiff) wenden’; mnd. swak ‘biegsam, dünn, schwach’, mhd. swach ‘schlecht, armselig, kraftlos, schwach’, mnd. swaken auch ‘wackeln’ (wie swanken).

WP. II 526 f.; vgl. auch seu- und su̯ē̆(i)- ‘biegen’.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal