Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zwaaien - (slingeren; wuiven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

zwaaien ww. ‘slingeren; wuiven’
Vnnl. eerst de afleiding zwaai ‘slingerbeweging’ in ende daer naer speeldet met eennen zwaey den pryckere van eennen Cappoene binnen ‘en sla daarna met wijds gebaar het staartstuk van een kapoen naar binnen’ [ca. 1561; WNT zwaai I], dan het werkwoord in meuchdy thout ende de steenen gemackelijcken swaijen ende draijen ‘kunt u het hout en de stenen (na het lossen uit een schip) gemakkelijk met een zwaaibeweging draaien’ [ca. 1578; iWNT], Soo gaet de vloet van nieuws aen swaeyen ‘zo gaat de vloed opnieuw heen en weer bewegen’ [1580; Van Marnix], syn schip swayde ‘zijn schip draaide’ [1599; iWNT], hoe daer swaeyen De lichte Bacchanten ‘hoe daar de lichtzinnige bacchanten zwalken’ [1604; iWNT], De slincker sweit een vlagh ‘de linkerhand zwaait met een vlag’ [1623; iWNT], het wenkte en zwaaide ‘het (volk) wenkte en wuifde’ [1894; Elsevier].
Vermoedelijk (FvW) een woord dat in de betekenis ‘een slinger- of draaibeweging maken’ (veelal door de wind, wanneer het woord betrekking heeft op schepen) is gevormd bij → waaien en wellicht ook → draaien, met anlaut zw- naar analogie van enkele oudere woorden in hetzelfde betekenisveld, zie onder. Volgens NEW en Toll. is zwaaien echter door wegval van intervocalische -d- ontstaan uit *zwaden ‘met een zeis maaien’, een afleiding van zwade ‘grote zeis’. Hiertegen pleit de zeldzaamheid van dat werkwoord (eenmaal in hoy swayen [1482-1501; iWNT zwaden I] en eenmaal Middelnederduits swaden ‘met een zeis maaien’ [1499; Schillen/Lübben]), het verschil in gebruikssfeer (zwaaien lijkt oorspr. vooral een scheepvaartterm) en het feit dat zwaaien al vroeg ook onovergankelijk is.
Er is wrsch. geen verband met me. sweighe, swey ‘draaibeweging’, swege, sweye ‘een beweging maken’. Dit woord is verwant met of ontleend aan on. sveigja ‘draaien, buigen, slingeren’ < pgm. *swaigjan-, dat als erfwoord nnl. *zwegen of ablautend *zwijgen zou opleveren (zie ook → zwikken). Nnd. swaien, (v)ne. sway, nde. svaie, nzw. svaja ‘slingeren’ zijn alle ontstaan door ontlening als scheepvaartterm.
Als het Nederlandse werkwoord oud is, zou het net als pgm. *sweig-, swaig- afgeleid moeten zijn van een wortel pie. *sueh1- ‘zwenken, zwaaien’ (LIV 606), die echter verder alleen in het Slavisch in een primair werkwoord is geattesteerd: Oudrussisch chvějati (sja) ‘schommelen’, Tsjechisch chvět ‘id.’.
In de Germaanse talen bestaat een groep van woorden met een anlaut *sw- (Nederlands zw-, Duits schw-, Engels sw-, Scandinavisch sv-) en een betekenisveld ‘een slingerende beweging (maken)’. Sommige van deze woorden zijn al oud en/of in meerdere Germaanse talen verbreid en zouden kunnen zijn afgeleid van de genoemde wortel, maar de precieze onderlinge samenhang en de Indo-Europese status van al deze woorden is onduidelijk. In elk geval lijkt deze combinatie van anlaut en betekenis al vroeg een zekere aantrekkingskracht voor nieuwe woorden te hebben gehad. Het NEW (onder zwijm) noemt in dit kader → zweep, → zwijm, → bezwijken, → zwikken, → zweven, zwad ‘strook gemaaid gras’ en → zwieren. Woorden als → zwenken, → zwerven en de veel jongere formaties → zwalken, → zwieren en → zwiepen voegden zich tot dezelfde groep.
Lit.: Ph. van Marnix van St. Aldegonde (1580), Het boeck der Psalmen Dauids. Wt de Hebreische Spraecke in Nederduytschen dichte, op de ghewoonlijcke Francoische wyse ouergheset, Antwerpen, ps. 147:18

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zwaaien* [heen en weer bewegen, wuiven] {swayen [maaien] 1482-1501, zwaaijen [slingeren, zwieren] 1787} middelnederduits swaien (als zeemanswoord), naast middelnederduits swad [het zwaaien met de zeis] (vgl. zwad), middelengels sweyen, swayen, oudnoors sveigja [buigen, zwaaien], één van de met zw anlautende woorden met de betekenis ‘zwaaien’, zoals ook zweep, zwiepen, zwieren, zwengel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zwaaien ww., eerst nnl., mnd. swaien (als zeemanswoord > de. svaie, nzw. svaja, sedert 1698). — Indien men vergelijkt mnd. swad ‘het zwaaien met de zeisʼ, kan men uitgaan van een mnl. *swaden = mnd. swaden ‘met de zeis werkenʼ en zie dan: zwad (W. de Vries Ts 44, 1925, 203-204, die als ontlening daaraan beschouwt me. sweyen, sedert ± 1500, ne. sway, dat men echter ook < on. sveigja afleidt).

Overigens zijn er meer woorden, die met germ. sw- beginnen en een dergelijke bet. hebben, zoals ne. swagger, nnoorw. svaga, svagga ‘zwaaien, slingerenʼ en zie ook: zweep en zwijm.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zwaaien ww., nog niet bij Kil. Een ook nnd., fri. en door ontl. de. zw. ww. Ook eng. to sway “zwaaien”; dit wordt echter uit ’t Ngerm. (on. sveigja “buigen”) afgeleid. Mogelijk is zwaaien een jong ww., bij andere woordgroepen met zw- zooals die van zweep, zwengel onder invloed van ’t rijmwoord waaien ontstaan. Als zwaaien niettegenstaande ’t late voorkomen een oud woord is, komt ’t van een basis sewē̆(i)-, waarvan ook kymr. chwid “vlugge wending, kunstgreep”, chwil “snel draaiend”, chwyf “motus”, chwyl “versio”, (ier. sel “wending, tijdspatie”, o.a. in mier. dessel “wending naar rechts”, tuathbil “w. naar links” hierbij? Eer zooals bij wilg is vermoed) afgeleid zijn benevens oudruss. chwějaťsˊa “zich bewegen”, po. chwiacˊ “schudden” en oi. suváti “hij brengt in beweging, wekt op”. Zie bij zwier en de daar vermelde woorden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zwaaien. Eng. to sway ‘zwaaien’ wsch. uit het Ndl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zwaaien o.w., + Ndd. swaien, Eng. to sway, Zw. svaja, De. svaie: onderling verband niet duidelijk; bij den wortel van zwieren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zwaajele verouderd, (ww.) zwalkend lopen; Nuinederlands swaijen <1578>.

zwejje (ww.) zwaaien; Nuinederlands swaijen <1578>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zwaaien ‘heen en weer bewegen; wuiven’ -> Engels sway ‘heen en weer bewegen; overhellen; beïnvloeden; de macht uitoefenen’; Schots swey, sway; swee, swy(e) ‘slingeren, wankelen, schommelen’; Duits schwojen, schwoien ‘door wind en stroming om het anker draaien’; Duits dialect zwoien ‘het draaien van een schip in een kanaal’; Deens svaje ‘heen en weer bewegen; een schip omdraaien (om de kompassen in te stellen)’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors svaie ‘heen en weer bewegen, schommelen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds svaja ‘heen en weer bewegen’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins waijata ‘wegzwaaien van schip voor anker door wind of stroming’ <via Zweeds>; Sloveens švojati ‘het draaien van een boot om zijn anker vanwege onverwachte wind of stroming van de zee’ <via Duits>; Papiaments zuai, zuèi (ouder: zwaai) ‘wuiven’; Sranantongo swai ‘heen en weer bewegen; wuiven’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zwaaien* heen en weer bewegen, wuiven 1611-1620 [WNT]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

su̯ē̆(i)- ‘biegen, drehen, schwingen’, (s. auch seu- und su̯eng- ‘biegen’), su̯i-lo-, su̯i-mo- ‘Drehung’

Gr. σῑμός ‘aufwärts gebogen, stumpfnasig, spöttisch’ (dazu σικχός ‘ekel, alles tadelnd’?); vielleicht auch σῑρός ‘Grube’ (*Einbiegung?);
cymr. chwid ‘lebhafte Wendung, Kunstgriff’, chwidl ‘sich im Kreise drehend, schwindlig’, chwidr ‘schnell, flüchtig, übereilt’; chwim m. (*su̯ī-smo-) ‘Bewegung, Antrieb’, Adj. ‘schnell’, chwyf m. ‘Bewegung’ (*su̯ĭ-mo-, vgl. unten germ. swī̆m-), chwyfio ‘movere’, bret. fiñval, gwiñval ‘sich bewegen, rühren’;
cymr. chwyn ‘Bewegung’, chwil (*su̯ī-lo-) ‘sich schnell drehend’; chwyl und chwel (*su̯ĭ-lo-, -lā vgl. norw. svil) ‘Wendung, Lauf’, corn. wheyl ‘Arbeit’, air. sel ‘Wendung, Drehung, Zeitraum’, mir. des-sel ‘Wendung nach rechts’, tuath-bil ‘Wendung nach links’;
mnd. swāien, sweimen ‘sich schwingen’; als Partiz. aisl. svað n. ‘das Gleiten’, (*su̯ǝ-to-), svaða ‘gleiten’, ags. swaðian ‘(ein)wickeln’, engl. swath(e), mnd. mhd. swade ‘Reihe von gemähtem Gras, Schwaden’;
norw. svīma ‘schwanken, taumeln’, mhd. swīmen ds.; ags. swīma m. ‘Schwindel, Ohnmacht’, aisl. svīmi, ndl. zwijm ds.; mhd. swīmel, swimmel ‘Schwindel’; aisl. sveimr m., sveim n. ‘Getümmel, Tumult’, sveima ‘umherziehen’, mhd. sweim m. ‘das Schweben, Schweifen, Schwingen’, sweimen ‘sichschwingen, schwanken’; norw. svil n. ‘Spirale; der krause Samenbeutel dorschartiger Fische’; nd. swīr ‘Schwung, Drehung, Bummeln’, swīren ‘sich schwingend bewegen, umherfliegen, in Saus und Braus leben’.
su̯eib-: av. xšvaēwayat̰-aštra- ‘die Peitsche schwingend’, xšviwra- ‘flink’; got. midja-sweipains ‘Sintflut’ (eig. ‘Fegung der Mitte’); aisl. sveipa ‘werfen, umhüllen’, ags. swāpan ‘schwingen, fegen, treiben’, as. swēp ‘fegte fort’, ahd. sweifan ‘schwingen, schweifen, streiten’, sweif ‘Umschwung, Schwanz’ = aisl. sveipr ‘Band, Schlingung, gekräuseltes Haar’, aisl. svipa ‘Peitsche’.
su̯eid-: in lit. svíesti, lett. sviêst ‘werfen’, Frequentativ lit. sváidyti, lett. svaĩdît ‘wiederholt schleudern’; ob lett. svaĩdît ‘salben, schmieren’ (unten unter su̯ēid-) hierher?
su̯eig-: germ. auch ‘nachgeben, nachlassen’ (von su̯ī- ‘schwinden’ ausgegangen) ‘(listig) etwas drehen, ausweichen, Trug’ u. dgl.: ahd. swīhhōn, ags. swīcian ‘schweifen, wandern, betrügen’, aisl. svīkva sȳkva (u̯-Präs.), svīkja ‘betrügen, verraten’, ags. swīcan ‘verlassen, betrügen’, poet. ‘fortgehen, wandern’, as. swīan ds. ‘ermatten’; ahd. swīhhan ‘ermatten, nachlassen, verlassen’, mhd. swīch m. ‘Zeitlauf’, ā-swīch ‘heimlicher Fortgang’, sweichen ‘ermatten’; aisl. svik n. ‘Verrat, Betrug’, ags. swic n. ds., ahd. biswih m. ds.;
lit. svaĩgti ‘Schwindel bekommen’, svaiginė́ti ‘schwindelig umherwanken’, russ. svigát’ ‘herumtreiben’;
toch. A wāweku ‘gelogen’, В waike ‘Lüge’.
su̯eik-: aisl. sveigr ‘biegsam’, m. ‘biegsamer Stengel’, schwed. dial. svīga, svēg ‘sichbiegen’, Kaus. aisl. sveigja ‘biegen’, Pass. svigna ‘sich beugen, nachgeben’, svigi m. ‘biegsamer Stengel’; ahd. sweiga ‘Viehstall’ (*Geflecht).
su̯eip-: aisl. svīfa ‘schwingen, drehen, umherschweifen, schweben’, ags. swīfan ‘drehen, fegen, wenden (engl. swift ‘schnell’), schwenken’, aisl. sueifla ‘schwingen’, mhd. swibeln, swivelen ‘taumeln’, ahd. sweibōn ‘schweben, schwingen’, swebēn ‘schweben’.
lett. svàipīt ‘peitschen’, svipst(ik̨)s ‘Hasenfuß, Zierbengel’.

WP. II 518 ff., Vasmer 2, 591 f., Johannesson 794 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal