Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zuurzak - (vrucht)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zuurzak [vrucht] {suursak 1689} < papiaments sorsaka [kleine broodvrucht], waarschijnlijk oorspronkelijk een indianenwoord; de maleise vorm sirsak is een ontlening aan nederlands zuurzak.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zuurzak znw. m. ‘vrucht van de anona muricataʼ, is een volksetymologische vervorming van tamil síru-sákkei ‘kleine broodvruchtʼ, waarvan het 2de lid = malayālam tsjakka ‘broodvruchtʼ (waaruit ne. jack).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zuurzak znw. “nangka blanda”, vroeger “nangka, artocarpus integrifolia”. Volksetymologische vervorming van tamil sˊiru-s’akkei, letterlijk “kleine broodvrucht”. Dit sˊakkei = malayâlam tsjakka “broodvrucht”; hieruit eng. jack.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zuurzak m., uit Tamil 'siru (klein) 'sakkei (broodvrucht).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S. Joubert en N. van der Sijs (2020), ‘Antilliaans-Nederlandse woorden en hun herkomst’, in: Trefwoord, november 2020

zuurzak (Van der Sijs 2005; GB) vrucht van een West-Indische, thans in vele tropische landen aangeplante boom (Annona muricata), zo groot als onze meloenen, die zeer verfrissend is; waarschijnlijk via Papiaments sòrsaka ontleend aan een West-Indische creooltaal; het woord komt ook voor in Sranantongo als sunsaka en in het Engels als soursop ôf sour sop. Het woord is volksetymologisch aangepast (Den Besten 1992).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

Zuur’zakfamilie (de), familie van tweezaadlobbige planten, houtig, de besvormige vruchten soms vergroeid tot een verzamelvrucht (Annonaceae). - Etym.: Genoemd naar zuurzak (Annona muricata).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

suursak: Oos- en Wes-Ind. booms. (Annona muricata, fam. Annonaceae); Ndl. zuurzak, volkset. v. Tam. siru-sakkei, “klein broodvrug” (sakkei in Lmal. tsjakka, wu. Eng. jack(fruit) v. Artocarpus heterophyllus en A. integrifolia).

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

zuurzak1 [bepaalde vrucht]. Met deze naam noemt men thans in Nederlands-Indië algemeen de nangka, de vrucht van Artocarpus integrifolia. Dat hij echter zeer ongepast is, kan blijken uit iedere goede beschrijving van de vrucht, bijvoorbeeld uit de volgende bij Valentijn, III, 1, p. 160: ‘Deze vrugt is van groote en dikte als een lange watermeloen, zijnde omtrent anderhalve voet en ook wel langer, en wel zoo dik als een man boven aan zijn dije is [...] Zij smaken zeer zoet, ten deele als zoete limoenen en ook wel wat na honig.’ Heeft dus al de vorm van de vrucht enige overeenkomst met een zak, er is geen enkele reden om haar zuurzak te noemen.

Doch bij onze oude schrijvers leest men ook niet zuurzak, maar soorsak, en wij schijnen hier wederom een voorbeeld te hebben van die verbastering van vreemde woorden, om ze een meer Nederlands voorkomen te geven, waaraan wij klapper voor kalapa en een aantal dergelijke (zie kaalkop) verschuldigd zijn. Valentijn, p. 159, noemt de Artocarpus integrifolia de Soorsakboom, schrijft soorsak cursief als een vreemd woord, noemt als soorten de Biloelang-soorsak en de Brij-soorsak (de laatste dus genoemd omdat zij papachtig is), en geeft niet de minste aanleiding om te denken dat hij soorsak voor een Nederlands woord houdt. Anders echter Rumphius, Amboinsch Kruydboek, deel I, p. 105, die van deze vrucht sprekende zegt: ‘Naam, in ’t Latijn, Saccus arboreus major, bij onze Duitsche soorzak of schorzakken, omdat ze wel een schorre of ruige zak gelijken.’ Doch in deze verklaring schijnt Rumphius mij in twee opzichten de taal geweld aan te doen: vooreerst door soor, zonder opheldering, met schor te verwisselen; ten tweede door aan schor in het algemeen de betekenis van ‘ruw, ruig’ toe te kennen, terwijl het, voorzover ik weet, alleen in de uitdrukking schorre (dat is ruwe, kale, steile) kusten, een zeemansterm, in het dagelijks leven onbekend, een betekenis heeft die daarnaar zweemt. Soorsak heeft een geheel onnederlands aanzien, en daar alle pogingen om het woord in enige taal of dialect van Insulinde weer te vinden tot hiertoe vruchteloos zijn gebleven, ligt het voor de hand te gissen dat de naam uit Hindoestan zal afkomstig zijn. De Malayalam naam van deze vrucht is echter jaka of jakka, waarvan het Engelse jack, jackfruit. Ook deze naam jaka komt bij onze oude schrijvers voor, bijvoorbeeld bij Van Linschoten, Itinerario, p. 73 (die Iaqua of Iaacca schrijft); Nieuhoff, Gezandschap aan den grooten Tatarischen Khan, deel II, p. 146; Batavia in derzelver gelegenheid, deel IV, p. 39.

Het verdient uit dien hoofde opmerking dat de Engelsen de uit West-Indië afkomstige An[n]ona’s, die sedert lang naar Oost-Indië zijn overgebracht, onderscheiden in custard-apple (An[n]ona squamosa), sweet-sop (An[n]ona reticulata), en sour-sop (An[n]ona muricata). Zie Drury, Useful plants of India, p. 44. Als enigszins overeenkomende met de inlandse Nangka, maar door de Hollanders ingevoerd, noemt men de An[n]ona muricata in Indië Nangka welanda of hollanda (Hollandse nangka). De naam soursop, verbasterd tot soorsak en vervolgens tot zuurzak, schijnt door Rumphius, Valentijn en hun opvolgers op de ware inlandse Nangka te zijn overgebracht. De vrucht van An[n]ona muricata heeft werkelijk een zuursappig, verfrissend vlees. Zie Bisschop Grevelink, Planten van Nederlandsch-Indië, p. 28. [V]

zuurzak2 [bepaalde vrucht]. Ofschoon van aanzien een zuiver Nederlands woord, is het dat in genen dele. Het is een verhollandsing van een door prof. Veth vruchteloos nagespoord woord soorsak, dat, naar hij vermoedt, uit Hindoestan afkomstig moest zijn. Ook Yule en Burnell weten met hun soursop geen weg, maar vermoeden dat het uit West-Indië komt. Het tweede lid van de samenstelling waarmee we bezig zijn, sak, moet een verbastering zijn van een woord dat in het Malayalam luidt tsjakka, in het Tamil s’akkei, en dat de naam is van de broodvrucht. Hieruit is voortgekomen het Engelse jack en het Portugese jaca, waaraan Schouten zijn jaca ontleend heeft, dat in de volgende passage van zijn Reistogt II, p. 143 voorkomt: ‘Soorsak, de vrucht Jaca bij de Indianen, en soorsak bij de Nederlanders genoemd [...] in dezelve zijn [...] harde pitten, die gebraden zijnde omtrent eenen smaak hebben als de kastaniën.’

Voor de verklaring van suur, soor, sour gaat prof. Kern uit van een bericht van Thunberg in Hobson-Jobson, die, sprekende over de broodvruchtboom, zegt: ‘De soort welke een kleinere vrucht, zonder zaad, oplevert, vond ik te Colombo, Gale en verscheiden andere plaatsen. De naam, waaronder die hier eigenlijk bekend staat, is de Maldivische Sour Sack, en ze is hier minder gewoon dan de andere (grootere) soort.’

Daar de Zuid-Indische Dravidische naam van de broodvrucht in het algemeen teruggevonden wordt, min of meer verbasterd, in jaca, jack, sak, mag men veronderstellen dat in suur een Dravidisch woord schuilt voor ‘klein’ of iets dergelijks. Het woord dat aan deze voorwaarde voldoet is volgens prof. Kern het Tamil s’iru: klein, gering, minderwaardig. Men moet hierbij in het oog houden dat de i in dit woord als onze u of de Hoogduitse ü klinkt, en dat de u in de uitgang zó kort wordt uitgesproken, dat ze voor een ongeoefend oor nauwelijks hoorbaar is, nagenoeg overeenkomende met de Franse e muet [stomme e]. Op deze wijze geeft suur dus in Hollandse spelling vrij nauwkeurig het Tamil s’iru weer.

Tot steun van deze verklaring vermeldt prof. Kern erbij dat dit s’iru in een zeer groot aantal plantnamen het eerste bestanddeel vormt. Oorspronkelijk heeft ‘zuurzak’ dus betekend de ‘kleine nangka’, zoals duidelijk blijkt uit de boven geciteerde plaats uit Schouten. Ook Rumphius en Valentijn pasten die naam toe op de nangka of Artocarpus integrifolia, waarin zij nog gevolgd zijn tot aan het eind van de 18e eeuw, bijvoorbeeld door Stavorinus (1793), die in zijn Reize naar Batavia zegt: ‘De Suursak-boom heeft een soortgelijke vrucht als de Durioens, maar zulk een walgelijken reuk niet’. Wanneer de naam overgegaan is op de nangka blanda ofwel An[n]ona muricata Dun, die wij met suiker eten of waarvan we het gezeefde vruchtsap met wijn of brandy genieten, is niet met zekerheid te zeggen.76* [P]

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zuurzak (Papiaments sòrsaka)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zuurzak ‘vrucht’ -> Indonesisch sirsak, sursak, zuurzak ‘vrucht’; Jakartaans-Maleis sirsak ‘vrucht’; Javaans sirsak, sirsat ‘vrucht’; Kupang-Maleis sosak ‘de nangkaboom’; Menadonees sursak ‘vrucht’; Petjoh sirsak, zuurzak ‘vrucht’ <via Indonesisch/Maleis>; Negerhollands sizaka, susaka ‘vrucht’; Sranantongo sunsaka ‘vrucht’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † susaka ‘vrucht’ <via Negerhollands>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zuurzak vrucht 1689 [J. Brinkman, Surinaamse planten, bijl. I] <Papiaments

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal