Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zuipen - (onmatig drinken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

zuipen ww. ‘onmatig drinken’
Mnl. supen ‘slurpen, drinken’ [1240; Bern.], in hi sal sieden dit saet in wine ende supent inden mont sine ‘hij moet dit zaad in wijn koken en het opdrinken’ [1287; VMNW]; vnnl. suypen ‘drinken’, vooral ‘onmatig drinken’ in In moorden, in suypen, brassen [1583; WNT].
Os. sūpan (mnd. supen); ohd. sūfan (nhd. saufen); nfri. sûpe; oe. sūpan (ne. sup); on. súpa (nzw. supa); < pgm. *sūpan- ‘drinken’.
Daarnaast met korte klinker *sup(p)ōn-, waaruit: ohd. soffōn ‘kruiden’ (eigenlijk ‘in saus dopen’); got. supon ‘id.’. Hierbij hoort ook pgm. *suppa- ‘stukken brood in een vloeistof geweekt’, waaruit → sop, en *supa- ‘drank’, waaruit mnl. sope, zie → zopie.
Verdere herkomst onbekend. Meestal word Sanskrit sū́pa- met ‘Brühe, Suppe’ vergeleken. Dan kunnen we dus uitgaan van *seuHp-. De Germaanse *p is verkort uit een geminaat. Verband met → zuigen, aan de hand van een wortel pie. *seu- met verschillende worteluitbreidingen, is zeer onzeker. Zie ook → zuivel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zuipen* [(onmatig) drinken] {su(y)pen [slurpen] 1287} middelnederduits supen, oudhoogduits sufan, oudengels supan (engels to sup en to sip), oudnoors súpa; ablautend met sop1, zoopje; vermoedelijk auslautvariant van zuigen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zuipen ww., mnl. sûpen, mnd. sūpen, ohd. sūfan (nhd. saufen), oe. sūpan (ne. sup), on. sūpa ‘zuipen, slurpenʼ; vgl. daarnaast sop en zoopje en abl. on. saup ‘karnemelkʼ. — oi. sūpa- ‘soepʼ, toch. A sopi ‘zwemblaasʼ(?). — Van de idg. wt. *seup, seub, een afl. van *seu, waarvoor vgl. zode 2 (IEW 913). — Zie ook: zuigen, zuivel, zuchten en zuur.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zuipen ww., mnl. sûpen. = ohd. sûfan (nhd. saufen), mnd. sûpen, ags. sûpan (eng. to sup), on. sûpa “zuipen, slurpen, drinken”, sterk ww. Ablautend met sop, zoop en on. saup o. “karnemelk”. Van een idg. basis sū̆b-, die evenals sū̆p- (zie zuivel) en sū̆q-, sū̆g- (zie zuigen) uit sū̆- verlengd is. Obg. sŭsą, sŭsati “zuigen” kan idg. sub-s- of sup-s- hebben. Van de onverlengde basis sū̆- leidt men ohd. os. sou, ags. sêaw o. “sap”, ier. suth “melk”, lit. sulà “berkensap”, oi. sunóti “hij perst uit”, sûra- “bedwelmende drank” af benevens gr. húei “het regent”, waarmee vgl. semantisch vooral tocharisch B swese “regen”, suwam “pleuvent”. Zie zuur.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zuipen o.w., , Mnl. supen + Ohd. sûfan (Mhd. sûfen, Nhd. saufen), Ags. súpan (Eng. to sup), On. súpa (Zw. id., De. supe) = slorpen: Idg. *sūb-, met afwisselenden auslaut bij den wortel van zuigen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zoepe (ww.) zuipen; Vreugmiddelnederlands supen <1240>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

zoepen, ww.: zuipen. Heterofoon van zuipen, met oostelijke niet gepalataliseerde en niet gediftongeerde oe.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

suip ww.
1. (t.o.v. diere) Drink. 2. (plat) Oormatig sterk drank drink.
Uit Ndl. zuipen (1625 in bet. 1, 1638 in bet. 2), vermoedelik 'n wisselvorm van zuigen 'suig' en deur klinkerwisseling verwant aan sop 'seepwater, nat' en zoopje 'drank, teug'. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

zoepen karnemelk (Noordoost-Nederland). = zuipen ~ sop, ono. sûpa ‘drinken’.
Ter Laan 1120, Hadderingh/Veenstra 330.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

soefen (DB), ww.: zuipen. In elk geval verwant met zuipen, sop, zuigen, maar het consonantisme klopt niet. Zou het een Zuid-Duits leenwoord kunnen zijn, nl. sufen (uitspr. soefen), D. saufen?

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

zuipen (zoop, heeft gezopen), sterke drank drinken. Zorg maar dat ze je niet tot de fles verleidt. Ze heeft veel jonge mannen leren zuipen (Roemer 1982: 128). - Etym.: AN z. drinken (plat); veel drinken; onmatig veel sterke drank drinken.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

suip: drink (v. diere gesê); oormatig drink (v. mense gesê); Ndl. zuipen (Mnl. sūpen), Hd. saufen, Eng. sup – in Ndl. blb. net in ongunstige sin v. mense gesê (v. Scho TWK/NR 7, 2, p. 29 m. aanh. uit Trig).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Soep, van ’t Fr. soupe en dit weer van den Germ. wt. sup = drinken (ons platte „zuipen”), en wel met causat. bet.: drenken, n.1. doopen in een vloeistof, ons „soppen”. Soep is dus letterlijk: gesopte spijs, d.w.z. half vloeibaar, geen vaste spijs.

Zuipen (zie Soep). Oorspr. had het geen platte bet., vgl. Hooft: „Zot en niet sat zou men sich sujpen in dat bekoorlijk nat”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zuipen ‘onmatig drinken’ -> Zuid-Afrikaans-Engels gesuip ‘dronken’ <via Afrikaans>; Sranantongo soipi ‘onmatig drinken’; Saramakkaans zoin ‘(onmatig) drinken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zuipen* (onmatig) drinken 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

494. Drinken (of zuipen) als een Tempelier,

d.w.z. overmatig drinken. Men beweert, dat deze spreekwijze haar ontstaan te danken heeft aan het overdadig en ongebonden leven dier riddermonniken. Zie Huygens, VII, 170:

 Ick bend'er by geweest, 't is waer, daer Dronckaerts saten,
 En sopen als Templiers, en vloecten als Croaten.

Wander IV, 1323 ‘Aus den Schriften des 14. Jahrhunderts geht hervor, dass die Mitglieder dieses Ordens in einer Weise zu trinken pflegten, die man jetzt mit Saufen bezeichnet’Over het leven der Tempeliers zie F. Funk, Lehrbuch der Kirchengeschichte, 393.; Tuinman I, 28; Sewel, 779: Hy zuipt als een tempelier, he drinks like a knight templar; Harrebomée II, 328; vgl. hd. er trinkt wie ein Templer; fr. boire (ou jurer) comme un templier (reeds bij Rabelais) naast être gris comme un Cordelier (Franciskaner). Volgens Schuermans, Bijv. 159 a, zegt men te en in de omstreken van Tienen: kunnen drinken als een keteleer (ketelboeter); in Noord-Brab. zuipen als een ketelbuter (Ons Volksleven VIII, 230); in Vlaanderen drinken, zuipen gelijk een Tempelier (De Cock1, 282; Teirl. 370; Antw. Idiot. 379), een Polak (Joos, 15); elders als een ketter.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

seu-1, seǝ- : sū- ‘Saft, Feuchtes’; verbal: ‘Saft ausdrücken’ und ‘regnen; rinnen’, in Weiterbildungen ‘(Saft) schlürfen, saugen’, su-lā- ‘Saft’

1. Gr. ὕει ‘es regnet’, ὕω ‘lasse regnen’ (*sū-i̯ō), ὑετός ‘starker Regen’ (*suu̯-etos, wie νῐφετός); alb. shi ‘Regen’ (*sū-); toch. В swese ‘Regen’, sū-, swās- ‘regnen’; zu ὕει vielleicht ὕθλος (ὕσθλος, ὕσλος Gramm.) m. ‘leeres Geschwätz’ (gleichsam ‘eintönig tröpfelnd’);
2. Ai. sunṓti ‘preßt aus, keltert’ = av. hunaoiti ds.; ai. sávana-m, savá- m. ‘Kelterung des Soma’, sutá- ‘gekeltert’, sṓma- = av. hauma- m. ‘Soma’; ahd. sou, ags. séaw ‘Saft’, isl. söggr ‘feucht’ (*sawwia-); air. suth ‘Saft, Milch’ (*sŭ-tu-s); hierher wohl auch die FlN gall. Save, Savara, -ia und (illyr.) Savus (*Sou̯os).
3. seu-d- in ags. be-sūtian ‘beschmutzen’, westfäl. sot ‘Dreck’; aisl. sut ‘Sorge’, sȳta ‘trauern’.
4. Gutturalerw.: seuk-, sū̆k- und seug-, sū̆g-:
Lat. sūgō, -ere ‘saugen’; lat. sūcus ‘Saft’, cymr. sugno, mbret. sunaff, nbret. suna ds., sun ‘Saft’, cymr. sugnedydd ‘Pumpe’ (*seuk-n-; cymr. g aus dem lat. Lw. sug ‘Saft’), acymr. dissuncgnetic ‘exanclata’ (morphologisch schwierige Gruppe); ags. sūcan, ndl. zuiken ‘saugen’; ags. socian (*sukōn) ‘einweichen, aufsaugen’, gesoc n. ‘das Saugen’, aisl. sūga (sjūga) ‘saugen’, sog n. ‘das Saugen’, ags. as. ahd. sūgan ‘saugen’, Kaus. norw. dial. søygja, mhd. söugen ‘säugen’, mhd. suc, soc, g. soges und souc, -ges ‘Saft’, ags. sogeða m. ‘Schluck’; lett. sùkt ‘saugen’; apr. suge f. ‘Regen’.
5. l-Formantien: gr. ὕλη ‘Kot, Schlamm’, ὑλίζω ‘filtere, kläre’; ai. sūra- m. ‘berauschender Trank’; súrā ‘Branntwein’, av. hurā ‘Kumys’ (wogul. sara, syrj. sur aus dem Iranischen) = lit. lett. sulà ‘abfließender Baumsaft’ (mit ū lett. sūlât ‘siepen’), apr. sulo ‘geronnene Milch’; ags. sol n. ‘Schlamm, Pfütze’, ahd. mnd. sol ds., ags. sylian ‘beschmutzen’, as. sulwian, ahd. sullen ds., nhd. sühlen, suhlen ‘sich im Kot wälzen’; got. bi-sauljan ‘beflecken’, norw. søyla ds.
6. seup-, seub-: ai. sū́pa- m. ‘Brühe, Suppe’; aisl. sūpa, ags. sūpan, ahd. sūfan ‘schlürfen, trinken, saufen’, sūf ‘Brühe, Suppe’, mhd. suf, sof ‘Suppe’, ags. sype m. ‘das Einsaugen’, aisl. sopi m., ags. sopa ‘Schluck’, vollstufig ahd. souf ‘Suppe’, aisl. saup n. ‘Buttermilch’; ags. sopp f. ‘eingetunkte Bissen’, mnd. (daraus mhd.) soppe, suppe’, ahd. sopha, soffa ‘Brühe, auch mit eingeweichten Schnitten; Bodensatz’; got. supōn ‘würzen’ = ahd. soffōn ds. (eig. ‘in Brühe eintunken’); mhd. sūft m., mnd. sucht ‘Seufzer’, ahd. sūft(e)ōn, mhd. siuften, siufzen ‘seufzen’; aisl. ags. sufl n. ‘Zukost’, as. suval, ahd. suvil(i), -a ‘sorbiuncula’; mnd. sūvel, ndl. zuivel ‘der Buttergehalt der Milch’;
aksl. sъs-ǫ, -ati, Iter. sysati ‘saugen’ wohl aus *sup-s-.

WP. II 468 f., WH. II 622 f., Trautmann 257, 291 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal