Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zonder - (niet met)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

zonder vz. ‘niet met’
Onl. sunder ‘niet met’ in sunder saca gerihtoda ik herta min ‘ik heb zonder goede reden mijn hart gerechtvaardigd’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. sonder ‘zonder’ in die gebenedied es ewelike sonder ende ‘die eeuwig eindeloos gezegend is’ [1236; VMNW], daarnaast ook als voegwoord ‘behalve, zonder’ in sonder als si siec sin ‘behalve als ze ziek zijn’ [1236; VMNW]; nnl. zonder.
Os. sundar (bn.) ‘bijzonder’ in an sundaron ‘in het bijzonder’; ohd. suntar (bn.) ‘afgelegen, afgezonderd’, (bw.) ‘bijzonder, apart’, (vgw.) ‘maar, toch’ (nhd. in samenstellingen sonder- ‘bijzonder, speciaal’, vero. sonder ‘zonder’, afleiding sondern ‘maar’); ofri. sunder (bn.) ‘bijzonder’, (vz.) ‘behalve, zonder’, (vgw.) ‘maar, behalve’ (nfri. sûnder, sonder); oe. sundor (bw.) ‘apart, bijzonder’ (ne. asunder ‘kapot, uit elkaar’); on. sundr (bn.) ‘kapot, uit elkaar’ (nzw. sönder ‘id.’); got. sundro (bw.) ‘afgezonderd, alleen’; < pgm. *sundar- ‘apart, afzonderlijk’.
Verwant met: Grieks áter ‘zonder’; < pie. *sn-ter. Daarnaast met: Sanskrit sanu-tár- ‘terzijde’; en zonder t-achtervoegsel Latijn sine ‘zonder’; Avestisch hanarə ‘zonder, behalve’; Oudiers sain ‘bijzonder’; Hittitisch sanizzis ‘uitmuntend’; Tochaars A/B sne/snai ‘zonder’; bij pie. *sen(h1)-i/u- ‘afgezonderd’ (IEW 907). Semantisch kan *sund(e)r- samen met het Grieks ook uit *sm-tero- ‘meer één’ > ‘apart’ worden afgeleid. Vergelijk Gotisch sums ‘sommig’. Misschien is dit wel de verklaring voor de wisseling tussen vormen met en zonder *s in de dialecten: bijv. Gotisch inu-: Latijn sine; die *s komt dan van *sm-téro-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zonder* [voorzetsel, niet in het bezit van] {oudnederlands sundir, sunder [zonder] 901-1000, middelnederlands sonder [zonder, behalve, als voegwoord: maar, integendeel]} oudsaksisch sundar [afzonderlijk, in het bijzonder], oudhoogduits suntar [als bijw.: afzonderlijk, in het bijzonder, als voegwoord: maar, integendeel], oudfries sunder [zonder], oudengels sundor [afzonderlijk, in het bijzonder], oudnoors sundr [stuk, uiteen] en vgl. gotisch sundro [afgezonderd, alleen]; buiten het germ. grieks ater [zonder, buiten weten van], atar [daarentegen, maar], oudiers sain- [afzonderlijk], oudindisch sanutar [ter zijde].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zonder voorz., mnl. sonder ‘zonder, behalve’, voegw. ‘maar, integendeel’, onfrank. sundir, sunder ‘zonder’, os. sundar ‘afzonderlijk, in het bijzonder’, ohd. suntor bijw. ‘afzonderlijk, in het bijzonder’, voorz. ‘zonder’, voegw. ‘maar, integendeel’, ofri. sunder ‘zonder’, oe. sundor ‘afzonderlijk, in het bijzonder’, on. sundr ‘stuk, uit elkaar’. Vgl. got. sundro ‘afgezonderd, alleen’ en de 3de nv-mv. os. an sundron ‘in het bijzonder’, mhd. sundern ‘zonder, maar’ (nhd. sondern), oe. on sundrum ‘afzonderlijk, ter zijde’ (ne. asunder). — gr. ion. áter ‘zonder’, atàr ‘daarentegen, maar’, oi. sanutár ‘ter zijde’, oiers sain (< *sǝni-) ‘bijzonder’ (IEW 907).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zonder voorz., mnl. sonder “zonder, behalve”, als voegw. “maar, integendeel”. = onfr. sundir, -er “sine”, ohd. suntar bijw. “afzonderlijk, in ’t bijzonder”, voorz. “zonder”, voegw. “maar, integendeel” (nhd. sonder), os. sundar “afzonderlijk, in ’t bijzonder”, ofri. sunder “zonder”, ags. sundor “afzonderlijk, in ’t bijzonder”, on. sundr (= î sundr) “stuk, uit elkaar”. Met anderen uitgang got. sundro “afgezonderd, alleen” en de datief mv. mhd. sundern “zonder, maar” (nhd. sondern), os. an sundron “in ’t bijzonder”, ags. on sundrum “afzonderlijk, terzijde” (eng. asunder). Verwant zijn ier. sain “verschillend, in ’t bijzonder”, lat. sine “zonder”, av. hanarǝ “zonder”, met dgl. formans als zonder gr. áter “weg van, zonder”, oi. sanutár “ver weg”; de combinatie van zonder met gr. háteros “een van beiden, de andere”, een comparatiefformatie bij *sem- (*sṃ-) “één” (zie bij zamelen), is minder wsch. Hierbij of bij zonder enz. kymr. hanner “helft”. Zie nog bijzonder. — Het afgeleide ww. *sundrôn, on. sundra, ohd. suntarôn (nhd. sondern), mnd. sunderen, ags. sundrian (eng. to sunder) “afzonderen, scheiden” (e.dgl. bett.) bestaat nog in de samenstt. af-, uitzonderen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zonder voorz., Mnl. sonder, Onfra. sundir, Os. sundar = voor zich, afgezonderd, zonder + Ohd. suntar (Mhd. sunder, Nhd. sonder), Ags. sundor (Eng. sunder), Ofri. sunder, On. sundr (Zw. sönder, De. sønder), Go. sundro + Skr. sanutar = verwijderd, Gr. áter (d.i. * sn̥ter) = zonder, ook Lat. sine = zonder, Oier. sain = verschillend. De eerste bet. is apart, afgezonderd, zooals nog in zonderbaar, zonderling, afzonderen, uitzonderen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zoonder (vz.) zonder; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) sonder, Aajdnederlands sunder <901-1000>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sonder: behalwe, buite, uitgenome; nie in besit van nie; Ndl. zonder (Mnl. sonder), Hd. sonder naas sondern, vgl. Eng. (a)sunder, hou verb. m. Lat. sine, “sonder”, vgl. ook af-, be- en uitsonder.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zonder, verwant met het Skr. sanutar = verwijderd; Got. sundro = op zich zelf, alleen, à part, vgl. afzonderen: à part brengen. Als voorzetsel bet. het: niet in gezelschap van...; bijv.: hij ging zonder mij, en verder: zonder geld.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zonder ‘voorzetsel: niet met iets; buiten iets om’ -> Indonesisch sonder, zonder ‘voorzetsel: niet met iets; buiten iets om’; Ambons-Maleis sonder ‘voorzetsel: niet met iets; buiten iets om’; Balinees sonder ‘voorzetsel: niet met iets; buiten iets om’; Jakartaans-Maleis sonder ‘voorzetsel: niet met iets; buiten iets om’; Javaans sondher ‘voorzetsel: niet met iets; buiten iets om’; Kupang-Maleis sonder ‘voorzetsel: niet met iets; buiten iets om’; Makassaars nisôndoró sâbung ‘op zijn kop krijgen (letterlijk: gewassen worden zonder zeep)’ <via Indonesisch/Maleis>; Menadonees sonder ‘voorzetsel: niet met iets; buiten iets om’; Ternataans-Maleis sonder ‘voorzetsel: niet met iets; buiten iets om’; Negerhollands sonder, sondǝ, sondu ‘voorzetsel: zonder (dat), tenzij, anders’; Berbice-Nederlands sondro ‘voorzetsel: niet met iets; buiten iets om’; Sranantongo sondro ‘voorzetsel: niet met iets; buiten iets om’; Aucaans sondee ‘voorzetsel: niet met iets; buiten iets om’; Saramakkaans sondò ‘voorzetsel: niet met iets; buiten iets om’; Surinaams-Javaans sonder ‘voorzetsel: niet met iets; buiten iets om’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

zonder. Onder naar bleek al dat voorzetsels slechts zelden worden geleend. Toch is het Nederlandse voorzetsel zonder overgenomen door het Ambonees als sondor en door het Indonesisch als sonder. Zo betekent het Indonesische saya bisa baca masih sonder kaca mata 'ik kan nog lezen zonder bril'. En als antwoord op de vraag (in het Indonesisch) 'Wilt u thee met suiker?' kun je gewoon in het Nederlands antwoorden 'Sonder!' In het Indonesisch kent men ook de uitdrukking mét of sonder. Daarnaast bestaat het Indonesische woord tanpa 'zonder', dat overigens aanzienlijk vaker wordt gebruikt dan het leenwoord sonder.

In het Kupang Maleis, de Indonesische taal die wordt gesproken op West-Timor (zie verkouden) worden son en sonde, ontleend aan het Nederlandse zonder, gebruikt als ontkenning 'niet', vergelijk sonde lama 'spoedig, niet lang meer' (lama 'lang van tijdsduur' is ook een Nederlands leenwoord), sonde putus-putus 'niet stoppen, steeds maar door, zonder onderbreking', en sonde tau mati 'niet weten hoe te sterven, eeuwigdurend'. Ook het Sranantongo heeft uit het Nederlands sondro en sondro dati 'zonder dat, afgezien daarvan' geleend. Sondro kaba betekent 'almaar door' (kaba is 'ophouden, klaar, einde').

Waarom juist het voorzetsel zonder door andere talen is overgenomen, is mij niet helemaal duidelijk. Misschien kwam dit woord veelvuldig voor in ambtelijke teksten.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zonder* voorzetsel 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

seni-, senu-, (seni-), sn̥-ter- ‘für sich, abgesondert’

Ai. sanu-tár ‘abseits von, weit weg’, sánutara- (?), sánutya- ‘verstohlen, unvermerkt’ (‘*beiseite’), av. hanarǝ ‘abseits, ohne’; gr. ἄτερ (ion.) ‘abseits, ohne’ (*sn̥ter);
as. sundir ‘ohne’ (= ἄτερ), ahd. suntar ‘abgesondert’ und ‘aber, dagegen’, nhd. sondern (diese Bed. aus ‘außer, ohne’), ags. sundor ‘für sich, besonders’, anord. sundr ‘entzwei’, got. sundrō ‘für sich, abseits, besonders’, Adj. mhd. sunder, besunder, nhd. besonder;
lat. sine ‘ohne’ (wohl neutr. *seni, nächststehend dem ir. sain aus *seni-);
air. sain Adj. ‘verschieden, besonders’ (*seni-s), cymr. o-han-, a-han- ‘von’, gwa-han ‘getrennt, verschieden’, acymr. han ‘alium’; cymr. hanes ‘Erzählung’ = mir. sanas ‘Geheimnis, Lispeln’ (*sani-stā); corn. hanys ‘heimlich’; toch. A sne, В snai (*sanai) ‘ohne’;
Die Bedeutung ‘abgesondert, für sich’ läßt Verbindung mit dem Reflexivstamm *se-, *s(e)u̯e- zu, vgl. mit Anlaut su̯-: aksl. svěně ‘außer, ohne’ und lat. sēd, Präp. ‘sine, ohne’, Präf. ‘ohne, beiseite’.

WP. II 494 f., WH. II 542 f., H. Lewis EC. 1, 322.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal