Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zon - (hemellichaam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

zon zn. ‘hemellichaam’
Onl. sunna ‘zon’ in An sunnun satta selitha sina ‘hij zette zijn tent in de zon neer’, in ne gesagon sunna ‘en zij hebben de zon niet gezien’ [beide 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. sunne ‘zon’ [1240; Bern.], sonne; nnl. zon.
Os. sunna, sunno; ohd. sunna (nhd. Sonne), sunno; ofri. sunne, sonne, senne, sinne (nfri. sinne); oe. sunna (ne. sun); on. sunna; got. sunno; alle ‘zon’, < pgm. *sunnō-. Daarnaast vormen met -l: oe. sōl; on. sól; got. sauil; < pgm. *sōwila-/ *sōwul (Noord-Germaans).
Verwant met: Latijn sōl (zie ook → solair); Grieks hḗlios (zie ook → helium); Sanskrit svàr (genitief sū́ras); Litouws sáulė, Lets saũle; Welsh haul; Oudkerkslavisch slŭnĭce; < pie. *séh2u-l (nominatief), *sh2u-én- (verbogen naamvallen), een ablautende l/n-stam (IEW 881). Pgm. *sōwila- gaat terug op pie. *seh2-uel-o.
zonnen ww. ‘zonnebaden’. Mnl. sonnen ‘in de zon leggen’ in die dat touwe dat up der stad hues leghet ghezonnet hadden [1396; MNW]; vnnl. de kleederen sonnen [1573; Thes.]; nnl. zich zonnen ‘zich in de warmte van de zon koesteren’ [1898; WNT], later ook zonder zich in Zit je lekker te zonnen? [1964; WNT]. Afleiding van → zon.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zon* [lichtend hemellichaam] {oudnederlands sunna 901-1000, middelnederlands sonne} oudsaksisch, oudhoogduits sunna, sunno, oudfries, oudengels sunne, oudnoors sunna, gotisch sunno, naast vormen met n formans ook met l, vgl. oudnoors sōl, gotisch sauil; buiten het germ. oudiers súil [oog], welsh haul [zon], latijn sol, grieks hèlios, (< ∗sawelios), litouws saulė, lets saule, oudindisch sūrya- (met r voor l) [zon].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zon znw. v., mnl. sonne v., onfrank. os. ohd. sunna (nhd. sonne), ofri. oe. sunne (ne. sun), on. sunna, got. sunno v. Daarnaast os. ohd. sunno m. — miers forsunnud ‘verhelderend’, en wel eveneens av. xvǝñg (< *su̯en-s) ‘zon’ (Schwentner ZfdPh 66, 1941, 1). — Daarnaast on. sōl, got. sauil te vergelijken met lat. sōl, gr. hḗlios (dor. aélios), lit. sáule, lett. saũle, opr. saule, kymr. haul, vgl. nog oiers súil ‘oog’, osl. slŭnice ‘zon’ en oi. sūra-, svar-, av. hvarǝ ‘zon’ (IEW 881).

Men tracht wel de beide vormen te verklaren uit een heteroklytische deklinatie: *sāu̯el: *sunés (H. Petersson SVS Lund 1, 1921, 4). — De vormen run. got. sugil, oe. sygil, sigel naast sweglcandel behoren hier niet bij, maar bij os. swigli, oe. swegle ‘helder’ (vgl. Marstrander NTS 1, 1928, 149). — Wij vinden ook vormen met umlaut, zoals gron. staphorst zunne, fri. senne, die W. de Vries Ts 44, 1925, 201 uit de samenstelling sunnindaga verklaren wil.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zon znw., mnl. sonne v. = onfr. ohd. os. sunna (nhd. sonne), ofri. ags. sunne (eng. sun), on. sunna, got. sunno v. “zon”. Hiernaast ohd. os. sunno m., got. sunnin dat. m. of o. wellicht onder invloed van germ. *mênan- (maan) resp. got. sauil o. “zon”. Germ. *sunnô(n)-is door vervorming resp. verlenging van den idg. stam *sun-, *sewen- ontstaan, die ook aan av. xvǝ̑ng “van de zon” (oerarisch *swans) ten grondslag ligt (vgl. ook ier. forsunnud “’t schitteren”; ook gr. ēnops “schitterend” uit *swans-ops?). Deze stam komt van de idg. basis sū̆- ”glanzen, schijnen”, waarvan ook met r- en l-formantia av. hvarǝ, “zon”, oi. svàr “licht, hemel, zon”, sū́ra-, sū́rya- ”zon”, got. sauil o., ags. on. sôl (ô uit ôu) v. “id.”, ier. sûil, “oog”, kymr. haul, lat. sôl, gr. ēélios, hḗlios, obg. slŭnĭce, lit. sáulė “zon”, alb. üł, hüł “ster” (*sûlo- of *sûli-). Got. sugil, ags. sygel “zon, naam van een rune” kan ook als germ. *suwila- hierbij hooren (vgl. voor de g mug); volgens een andere opvatting staat het in ablaut tot ags. sweg(e)l o. “hemel, zon”, swegle, os. swigli “glanzend”, die van een uit sū̆- verlengde basis kunnen komen. Zie nog zwoel.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zon. Ofri. senne v. naast sunne; met het eerste corresponderen ndd. en noordoostndl. vormen met umlautsvocalisme.
De in parenthesi genoemde woorden ier. forsunnud en gr. ē̃nops blijven beter onvermeld.
Een overgang w > g als bij got. sugil < *suwila- wordt verondersteld, zou in het Got. zonder ander voorbeeld zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zon v., Mnl. sonne, Onfra., Os. sunna + Ohd. id. (Mhd. sunne, Nhd. sonne), Ags. sunne (Eng. sun), Ofri. sunne, On. sunna, Go. sunno. Daarnevens Ags. sól, On. sól (Zw. & De. sol), Go. sauil + Skr. sūryas, Gr. hḗlios, Lat. sol, Oier. -sunnud (= schittering), We.. haul, Osl. slŭnǐce, Lit. sauli = zon: Idg. wrt. seu̯e.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zon (zn.) zon; Aajdnederlands sunna <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

zon (de), (ook:) aanvoerder van een der partijen bij het kinderspel ’zon* en maan’ (z.a.).
— : zon en maan (de), zon- en maanspel (het), kinderspel waarbij twee partijen elkaar over een streep proberen te trekken. Zon- en maanspel. De speelers verdeelen zich in twee partijen waarvan zon en maan de aanvoerders worden () (Enc.NWI 646). - Etym.: Zie het cit.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Son snw. Segsw.: Die son trek water (Ndl. de zon gaat water halen). – Joos 833: “de zon trekt water, als zij er bleek uitziet en stralen naar den grond werpt.”Tuinman I 224: De son trekt water, van Regter wat hom laat omkoop.
Segsw.: Hy het in die son gekyk, is beskonke. – Schuermans 420: Hij heeft te veel om hoog gekeken in dieselfde betekenis as Wes-Vlaams opgegee. Joos, Schatten: hij ziet te veel naar omhoog (of naar de zonne, naar de hemel, naar de sterren) = hij drinkt geerne. Vgl. ook Van de Water: achteroverkijken.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Onder de zon, op de wereld, in het leven.

Onder de zon is vooral bekend uit de bijbelse uitdrukking er is niets nieuws onder de zon, 'alles is al eens eerder zo geweest' (zie Nieuws), uit Prediker 1:9, maar komt in dat bijbelboek en in het huidige taalgebruik ook op zichzelf voor. 'Welk voordeel heeft de mens van alles wat hij heeft verworven, / al zijn moeizaam gezwoeg onder de zon?' (Prediker 1:3, NBV).

Liesveldtbijbel (1526), Prediker 1:3. Wat heeft die mensce meer van alle sinen arbeit dair mede hi omme gaet onder der sonnen?
De stabiele terugkoppeling heeft zoals alles onder de zon een schaduwzijde. (De Groene Amsterdammer, 17-11-1951)
50 Hawaiian Tropic Girls: Ze promoten het zonnebrandmerk Hawaiian Tropic. Maar niet alleen daarom staan ze bekend als de heetste meisjes onder de zon... (Playboy, 1995, nr. 8)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zon, Os. sunna, van den Idg. wt. saw, su = glanzen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zon ‘lichtend hemellichaam’ -> Negerhollands son, zon ‘lichtend hemellichaam’; Berbice-Nederlands sono ‘lichtend hemellichaam’; Sranantongo son ‘lichtend hemellichaam’; Saramakkaans sónu ‘lichtend hemellichaam’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zon* lichtend hemellichaam 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

322. Wie boter op zijn hoofd heeft, moet uit de zon blijven,

d.w.z. die in een glazen huisje woont, moet met geen steenen gooien of geen steen op zijn buurmans dak werpen (Harreb. I, 105 a; Huygens VI, 91; Esopet, Ital. Waarzegger, 5), wie lijdt aan het een of ander gebrek, heeft geen recht het een ander te verwijten, moet er aan denken, dat wie kaatst den bal moet wachten. ‘Dus moet geen bakker worden, die een hoofd van boter heeft,’ zegt Tuinman I, 266. Ook Cats, 159 b waarschuwt:

 Wiens hoofd van boter is, die moet gedurig schromen;
 Die moet niet aen het vyer, of voor den oven komen.

Ook thans komt de uitdr. meermalen voor; zie Het Volk 19 Juli 1913, p. 9, kol. 3: Het spreekwoord zegt wie boter op het hoofd heeft, moet uit de zon blijven. Dus wilt gij anderen verwijten, doe het dan in de eerste plaats zelf niet; Ghetto2, 17: Hou jij je mond nou maar Coenie, want wie boter op zijn hoofd heeft, mot uit de zon blijve; Sjof. 273: Zie je wel, dat 'r geen een buiten kwam. Ze hadden boter op de kop (ze voelden zich schuldig), ze zorgden wel niet in de zon te loopen de vuile dievenbende; Haagsche Post, 2 Oct. 1920, p. 1 k. 2: In de tweede plaats viel deze keuze niet in den smaak, omdat de nieuwe premier wat men noemt boter op 't hoofd heeft en dus maar liever niet zoo in het zonnetje gezet moest worden. De heer Leygues heeft tijdens een van zijn ministerschappen een kleine onvoorzichtigheid begaan. Vandaar de boter. Vgl. nog Harreb. II, XXVII; De Telegraaf, 30 Jan. 1915 (avondbl.) p. 9 k. 2: Mr. Troelstra zal goed doen met deze spreekwoorden van buiten te leeren: Wie in een glazen huisje zit, moet niet met steenen gooien. Wie boter op z'n hoofd heeft, moet niet in de zon loopen; Het Volk, 21 Maart 1914, p. 13 k. 1: Wij hebben ‘Het Huisgezin’ er aan moeten herinneren, dat het inzake eerbied voor de wet als roomsch orgaan te veel boter op het hoofd had, om in de zon te komen staan. - ‘Wie boter op z'n hoofd heeft, moet niet in de zon loopen’, zegt een bekend Hollandsch spreekwoord..... En juist ten opzichte van het verplichte lidmaatschap hebben de heeren aardig wat boter op hun hoofd; 16 Juli 1914, p. 7 k. 1: Och arme, blijf toch uit de zon, als ge boter op uw hoofd hebt; 10 Nov. 1913, p. 3 k. 1; 14 Nov. 1913, p. 6 k. 3; 22 Oct. 1913 p. 6. k. 2: Moet dan de kommandant, die zooveel boter op het hoofd heeft, hier op hoogen toon spreken van chantage en meineed? De Blauwe Vaan, 19 Dec. 1914, p. 1 k. 4: Wie boter op zijn hoofd heeft, moet niet in de zon gaan staan; Groot-Nederland, Oct. 1914, p. 405: Wie boter op z'n hoofd heeft, mot niet in de zon loopen. In het nd. is de zegswijze ook bekend; zie Eckart, 69: Wecker (wer) Botter uppen Kopp hett möt nich in de Sunn goan; hd. Wer selbst in einem Glashaus wohnt, soll nach andern nicht mit Steinen werfen.

1635. Geen (of niets) nieuws onder de zon.

Deze woorden zijn ontleend aan den Bijbel, Prediker I, vs. 9: 'Tgene datter geweest is, 't selve salder zijn: ende 't gene datter gedaen is, 't selve salder gedaen worden: so datter niet nieuws en is onder de Sonne. - Wij gebruiken deze woorden om uit te drukken, dat dezelfde verschijnselen op velerlei gebied onder andere vormen telkens terugkeeren. Zie Zeeman, 391; De Brune, Bank. II, 361; Afrik. Daar is niks nuuts onder die son nie; vgl. het hd. alles schon dagewesenVolgens Büchmann, 241 ontleend aan Karl Gutzkows Uriel Acosta (1847).; fr. il n'y a rien de neuf sous le soleil; hd. nichts Neues unter der Sonne; eng. nothing new under the sun.

1647. Met de noorderzon vertrekken,

d.w.z. in den nacht of ook wel bij dag stil heengaan, ongemerkt, dikwijls met veel schulden; er vandoor gaan; de breêveertien opgaan (zie no. 349). In die landen, waar de zon gedurende een tijd van het jaar niet ondergaat, schijnt zij, wanneer het bij ons nacht is, uit het noorden; vandaar dat men in de 17de eeuw onder de noorderzon middernacht verstond, evenals onder zuiderzon den middag. Vgl. Coster, 505, vs. 260. Ten twaelven, by Noorder Son; Huygens VI, 82:

 Trijn pleitte voor haer' man, wanneer hij op syn pad
 Somtijds by noorder Son een deur ontgrendelt had.

De uitdrukking staat opgeteekend bij Winschooten, 270: Verhuisen met de Noorderzon, dat is, verhuisen sonder huur te betaalen: betaalen den huiswaard met bedstroo; Van Moerk. 337; Baardt, Deugden-Sp. 254; Loosd. Weesk. 22; Tuinman I, 139; Sewel, 525: Met de noorder Zon verhuizen, to steal away, to go away privately; Joos, 97; Ndl. Wdb. IX, 2130; enz. In de 16de eeuw zeide men volgens Kiliaen, 416: De nevelkarre drijven: met de nevelkarre ende int doncker vertrecken ende ruymen, cedere foro, welke uitdr. in Zuid-Nederland nog gebruikt wordt (Schuerm. 408 b; Antw. Idiot. 855; Joos, 109 en vgl. Gew. Weeuw. IV, 42) naast den luchtbal opsteken (De Bo, 652). Synoniem was in de middeleeuwen metter dagheraet (-dagherheit) ruymen (zie Noord en Zuid II, 44; Tijdschr. V, 194); in de 18de eeuw, volgens Sewel, 231: Een gat in de Maan maaken, met de Noorder Zon verhuizen, to steal away, to go away privately (vgl. het fr. faire un trou dans la lune; hd. ein Loch in den Mond bohren; eng. to shoot the moon), en thans in West-Vlaanderen: verhuizen met de lanteern aan den dijsel = dissel (De Bo, 232).

2658. De opgaande zon aanbidden,

d.w.z. de bovendrijvende partij eeren en vleien; iemand, wiens macht en aanzien stijgt, huldigen; eene uitdr. ontleend aan de gewoonte van vele volken van het Oosten om de opkomende zon te aanbidden. Vgl. De Brune, 166: Men ziet de zon meer bidden aen in 't opgaen, als in 't neder-gaenVgl. Wander IV, 612: plures adorant solem orientem quam occidentem; Sart. III, 3, 93: men hout het meer met de rijsende marckten dan met de afgaende; Mergh, 11: de Morghen-son wert meer aenghebeden dan d'avond-son.; verder Tuinman I, 17: de opgaande zon word aangebeden, en de ondergaande gevloekt; Halma, 457: De opgaande zon aanbidden, zijn hof maaken aan de geenen die in groot aanzien geraaken, faire sa cour à un homme qui commence à venir en crédit; Sewel, 5: De opgaande zon word aangebeden, the rising sun is worshipped; V. Janus, 11. Ook in het Friesch: de rizjende sinne wirdt oanbean, de sîgjende skout min, d.i. de rijzende zon aanbidt men, de ondergaande schuwt men. De uitdr. is in vele talen bekend; zie Wander IV, 611-612; Ndl. Wdb. XI, 694; fr. adorer le soleil levant; hd. die aufgehende Sonne hat mehr Anbeter als die untergehende; eng. to worship the rising sun.

2659. Niet kunnen zien (of lijden), dat de zon in het water schijnt,

d.w.z. afgunstig zijn op het geluk, de gunst, die een ander te beurt valt; ontevreden of boos zijn, omdat een ander iets geniet, ‘als of de zon voor hem alleen moest schynen’, zegt Tuinman I, 171. Deze spreekwijze is sedert de middeleeuwen bekend blijkens Mnl. Ged. en fr. I, 651: Het es den meneghen zeere ghepijnt, dat de sonne int water schijnt; vgl. Campen, 41: Hy mach niet lyden dat de Sonne int water schynt; zie Ons Volksleven V, 145: Dese is ghepynt om dat de son int water schynt; het Aemstelredams Amoreus Lietboek, anno 1589, bl. 93 a:

 Nummermeer en sal ick laten
 Te zijn met haer verhuecht,
 Hoewel dat nijders haten
 En benyen onsen vruecht.
 Ghy valsche Junos kinderen,
 Van binnen heel venijnt,
 Seght my, wat macht u hinderen

 Dat die sonne int water schynt?Everaert, 65, vs. 430: Hu deert dat de zunne jnt water es scynelic; Idinau, 97:

 De sommige konnen niet ghelijden
 Dat de sonne erghens in t'water schijnt;
 Als men yemandt deught doet, sy dat be-nijden.
 Eens anders wel-vaert hen quelt en pijnt.
 Sulck bijt van binnen die van buyten grijnt.

Zie nog Coster, 513, vs. 531; Smetius, 39; V.d. Venne, 201: De son mach wel in 't water schijnen, al sou het ooge daer van pijnen als kantteekening bij:

 Snappers, die een aer benyen,
 Hoe ken yemant die noch lyen?
 Kyvers, die het harte pijnt
 Als de Son in 't Water schijnt.

Snorp. II, 13; W.D. Hooft, Verloren Soon, 2 v; Sewel 994: Hy mag niet lyden dat de zon in 't water schynt, he understands no joke, he can 't suffer the sport of young people; Adagia, 7: Benijden dat de Son in t' waeter schijnt, invidere solem undis; bl. 33: Hij benyt dat de Son in 't waeter schijnt, figulus figulum odit; Harrebomée II, 440 b; B.B. 52; P.K. 188; Nkr. VII, 6 Dec. p. 2; Nw. Amsterdammer, 30 Januari 1915, p. 11 k. 1; Antw. Idiot. 1420; 2177: ik kan lijden dat de zon in 't water schijnt, als ik de grootste straal maar heb; De Bo, 1372; Schuermans, 813 b, waar naast deze spreekwijze nog wordt opgegeven: hij kan niet verdragen dat de zon in iemands vijver schijnt (vgl. ook 't Daghet XIII, 47). In het Friesch: ik mei de sinne wol yn 't wetter skinen sjên, ik zie wel gaarne de zon in 't water schijnen; dat anderen gelukkig zijn.Op een bas-relief in het Stadhuis te Brussel is dit gezegde in beeld gebracht als een mansfiguur het hoofd afwendende, terwijl vóór hem de zon op 't water schijnt; zie P.H.v. Moerkerken, de Satire in de Nederlandsche Kunst der Middeleeuwen, blz. 202.. Zie no. 1690.

2663. Iemand in het zonnetje zetten,

d.w.z. eig. het hem aangenaam maken; hem vleien, en vandaar: bedriegen, beetnemen, voor 't lapje houden, belachelijk maken; ook: iemand in 't volle licht zetten, aan de kaak stellen. Vgl. Harreb. 507 b; De Arbeid, 10 April 1915 p. 4 k. 4: Zelden zal op 1 April Troelstra fijner in het zonnetje gezet zijn dan op 1 April 1915; Het Volk, 5 Juni 1914 p. 5 k. 3: De heer V.R. die het niet verkroppen kan dat hij door den minister zoo in 't zonnetje is gezet; 14 Mei 1914 p. 6 k. 2: Dit stuk antiek wordt door Schaper, frisch en geestig als altijd, volgenderwijs in het zonnetje gezet; Handelsblad, 14 Mei 1914 (ochtendbl.) p. 1 k. 5: Wij zullen de 19 tegenstemmers niet in 't zonnetje zetten door hun namen te vermelden; Dievenp. 136: Als ik dat opbiecht, is 't wel het beste bewijs dat ik me zelf niet in het zonnetje wil zetten; Nkr. II, 5 April p. 5:

 Men eischt tegenwoordig niet meer kennisse van 's lands wetten,
 Maar wel dat men de Kamerleden in 't zonnetje kan zetten.

Nkr. VI, 24 Febr. p. 6; VIII, 3 Januari p. 4:

 Ongenadig heeft hij tot ons groote pret
 Jou in het zonnetje gezet.

Denzelfden overhang van bet. heeft het Westvl. iemand bij 't vier zetten, hem verschalken, maar ook: hem troetelen en vleien (De Bo, 1361 a; Joos, 71) of iemand een vuurken stoken (Joos, 81); vgl. ook iemand in de kleeren (of in de lakensIn het fr. beteekent mettre quelqu'un en de beaux draps blancs of soms draper qqn, dire beaucoup de mal de lui; le mettre dans une situation embarrassante.) steken; fri. immen yn 'e klean stekke, hem mooi maken, en vandaar hem iets wijs maken, bedriegen (V. Janus II, 2; Schuerm. 675 a; Joos 82); het verouderde iemand uitstrijken, oorspr. iemand opschikken en vandaar: foppen, bedotten (Latere Versch. 382); iem. ophullen, eig. optooien; daarna misleiden, bedriegen (Ndl. Wdb. XI, 877); het Zaansche: iemand een stoeltje zetten, eig. een stoel gevenVgl. Sewel, 759: Iemand een stoel zetten, to offer a chair to one. Of is de uitdr. te vergelijken met iemand te kakken zetten (no. 1056)? Vgl. Sewel, 760: 't Kind op 't stoeltje zetten, op 't stilletje zetten., vriendelijk zijn, hem op zijn gemak stellen, en vandaar ‘hem een poets bakken’ (Boekenoogen, 1361 a); vgl. ook het Friesche: immen op 't stoeltsie sette, hem zoo naar den zin praten, dat hij bizonder in zijn nopjes isVgl. eng. to put one in the chair (basket, cart); zie Prick, bl. 124.; Schuermans 884 a: ze hebben hem in 't zeteltje of een kopje gezet, d.i. ze hebben met hem wel gelachen; nd. enem enen dögten Stool setten (Bolte, Niederd. Schauspiele, 158); volgens Schuermans, 433 b in Zuid-Limb. iemand de kousen opbinden, hem in zijn nopjes zetten. In de Hoeksche Waard: iemand in 't zonnetje kruienOnze Volkstaal III, 252.; op Urk: iemand in 't zunnetjen zettenTaal- en Ltb. VI, 47.. In het fri.: immen yn 't fet (yn 'e traen) sette, opknappen, in 't zonnetje zetten (Fri. Wdb. I, 346 b); beppe (grootmoeder) wier op hjar stoeltsje, in haar schik (of is hier ‘praatstoel’ bedoeld?). Voor andere dergelijke uitdrukkingen zie ook Molema, 121 b, i.v. gest. Vgl. no. 357; 1448; 1844.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

sā́u̯el-, sāu̯ol-, suu̯él-, su̯el-, sūl- ‘Sonne’, woneben su̯en-, sun-, also alter l/n-Stamm; su̯el- ‘schwelen, brennen’ ist wohl damit identisch

1. Ai. ved. súvar n. = av. hvarǝ ‘Sonne, Licht, Himmel’, Gen. súraḥ = jav. hūrō, ai. sū́rya- (*sūlii̯o-) m. (vgl. gr. ἥλιος), sūra- m. ‘Sonne’; davon ai. sūrta- ‘hell’, ai. svárṇara- m. ‘Lichtraum, Äther’, av. xvarǝnah-, ар. -farnah- ‘Ruhmesglanz, Herrlichkeit’;
gr. hom. ἠέλιος, att. ἥλιος, dor. ἀέλιος, ἅ̄λιος, kret. ἀβέλιος Hes. (d. i. ἀ̄ϝελιος) ‘Sonne’, Weiterbildung des n. *sāu̯el zum m. -i̯o-St. (vgl. ai. sū́rya-); lat. sōl, -is m. ‘Sonne’ (aus neutr. *sāu̯el über *sāu̯ol, *sāol); cymr. haul, acorn. heuul, mcorn. heul, houl, bret. heol ‘Sonne’ (*sāu̯el-); dazu air. sūil f. ‘Auge’ aus *sūli-, ablautgleich mit ai. sū́raḥ, und alb.hül, ül ‘Stern’ (*sūlo- oder *sūli-);
got. sauil n. (*sōwila-), aisl. sōl f. (*sōwulā) ‘Sonne’, aisl. and-sø̄lis, aschw. and-sylis ‘der Sonne zugewendet’;
unsicher die Runennamen got. sugil, ags. sygel, sigel aus urgerm. *sugila-, ablaut. mit as. swigli ‘hell, strahlend’ aus *swegila-, ags. sweg(e)l n. ‘Himmel, Sonne’, swegle ‘hell, strahlend’ aus *swagila-;
balt. *sāu̯eli̯ā f. in lit. lett. sáulė ‘Sonne’;
slav. *sulnika- n. in aksl. slьnъce ‘Sonne’ (das -ni- von *ogni ‘Feuer’);
2. Vom -en-St.:
av. xvǝng ‘der Sonne’ (idg. *su̯en-s), Gen. von hvarǝ; got. sunnō (Dat. sunnin, neutr. nach sauil), ags. sunna, ahd. sunno, sunna ‘Sonne’, wozu als ‘sonnseitig = südlich’ aisl. suðr ‘Süden’, Adv. ‘südwärts’, ags. sūðerra, as. sūthar-liudi (‘Südleute’), ahd. sundar ‘Süden’, Adv. ‘südwärts’, mhd. sund ‘Süden’ usw. (nhd. Süd aus dem Nd.).

WP. II 446 f., WH. II 553 f., Trautmann 251, A. Scherer Gestirnnamen 45 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal