Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zo - (op die manier, als)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

zo bw. ‘op die manier, aldus; in zulke mate’
Onl. so ‘op die manier, aldus’ in drohtin uuerthe so ‘Heer, mag het zo gebeuren’ [891-900; CG II-1, 39], ‘in zulke mate’ in so eiselika thing ‘wat een verschrikkelijk iets’ [10e eeuw; W.Ps.].
Os. (mnd. so); ohd. (nhd. so); ofri. sa, so (nfri. sa); oe. swā, swǣ (ne. so); on. svá, (nzw. ); got. swa, swē; < pgm. *swē, *swa, maar de precieze relatie van deze vormen tot elkaar is onzeker.
Herkomst onzeker. Mogelijk ontstaan bij het aanwijzend voornaamwoord pgm. *sa (zie → d(i)e) met uitgangen die zijn gevormd naar het model van het vragend voornaamwoord pgm. *hwē, *hwō ‘hoe’ dat aan → hoe ten grondslag ligt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zo2* [op die manier, als] {oudnederlands, middelnederlands so 901-1000} oudsaksisch, oudhoogduits , oudfries sā, sō, oudengels swā, gotisch swă, oudnoors svā, van een i.-e. stam waarvan ook zijn afgeleid oudlatijn suad [zo], oscisch svai, suae, umbrisch sve, sue [indien], grieks hōs, ( < swōs) [zo].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zo 2 bijw. voegw., mnl. , onfrank. os. ohd. (nhd. so), ofri. , ‘zo’ naast oe. swā, swœ, on. svā, , got. swa, swē. — olat. suad ‘zo’, osk. svaí, svae ‘wanneer’, swa ‘en’, gr. hṓs (< *su̯ōs) ‘als’. — Zie: zulk.

De grondvorm is dus idg. *su̯od, misschien te verklaren als een kruising van het dem. vnw. *sod en het vrag. vnw. *ku̯od (Horn, Herrigs Archiv 155, 68). — Of mag men hier herinneren aan het parallelisme van de idg. wt. *se en *s̭ue, waarvoor zie: zij?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zoo I bijw. voegw., mnl. . = onfr. ohd. os. (nhd. so), ofri. , “zoo” (en verwante bett:), bijw. en voegw. Misschien uit *swa-u, gevormd van germ. *swa, waarop ags. swâ (eng. so; ags. ook swæ̑, swê) “id.”, on. svâ, got. swa “zoo, aldus” teruggaan. Mnl. ohd. enz. wordt ook anders verklaard, in ieder geval echter is ’t met got. swa verwant. Dit wordt uit idg. *swod afgeleid, waarvan ook italisch *swod in umbr. sopir “quisquis, siquis”, gr. *sϝod in homerisch hótti “wat ook”, av. hvat̰ “zooals”. Met andere casusuitgangen got. swe “zooals”, osk. svaí “indien”. Got. swa enz. zou ook met de oorspr. bet. “juist zoo, op dezelfde wijze” van den bij zijn I besproken pronominaalstam kunnen komen. Zie nog zulk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zoo 1 bijw. en voegw. (alzoo, als), Mnl. so, Onfra., Os. + Ohd. id. (Mhd. en Nhd. id.), Ags. swá (Eng. so), Ofr. , On. svá (Zw. , De. saa), Go. swa = op deze wijze: locatief van den s-stam, besproken bij die (z.d.w.) + Gr. hṓs = hoe, Lat. si = indien, Umbr. sve.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zoe (bijw.) 1. zo 2. zo meteen; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) soe, Aajdnederlands so <891-900>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

zo 1. (aanwijzend voornaamwoord) dat, zulks. Ik weet niet, zei Irma, maar zo gebeurt vaak (Schungel 101). Maar in mijn jeugd vertel ik zo, wat later betreft weet ik niet (Doelwijt 1971: 60). Vanwaar hebt u dat vandaan? een kommentaar. - Dominee zei zo. - Na’ de hel met dominee! (Cairo 1976: 164). - 2. (tw.) let wel, moet je weten. Er werd echt hard gewerkt en binnen een zes weken zo, hadden we een groot stuk grond van misschien honderd bij honderd ketting* schoon gemaakt en klaar voor beplanting (B. Ooft 1969: 71). Ineens zo, ik bel voor een zakelijke tori*, een welzijnsstichting op in het belang van me eigen welzijn! Dan krijg ik een tirade te horen van een meid die nie lekker* is met d’r liefdesverhouding (Cairo in Volkskrant 5-1-1979). - Etym.: (1) S so, E so, worden ook op deze wijze gebruikt. NB: SN dat zeg ik - dat bedoel ik.
— : zó een, zo’n, (gezegd met nadruk:) en dan nog wel zo’n. Over zo een figuur nu gaat het stripverhaal dat hierna volgt, Conan, de Barbaar (A&P 1980b: 20). De Coppenamestraat leek nog donkerder dan de zijstraten, zo een belangrijke straat (R. Parabirsing in A&P 1980b: 3).

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

zo: inleiding van joodse heilwensen die zo algemeen waren dat ze bijna beleefdheidsformules genoemd kunnen worden. De kwistig door het joodse spraakgebruik uitgestrooide heilwensen wijzen net als hun tegendeel, de kloles (verwensingen) op de kracht van het bijgeloof en op een enorme preoccupatie met de gezondheid.

— “Als wij je nou zeggen, Abraham! Ja, jouw vrouw krijgt ’n kind, zo zullen jullie alle twee tegoeiem honderd jaar worden en nog meer. (M. DE HOND, 1926)
— ’n Kop. En ’n schotel. Die schotel hoort er nu eenmaal bij. Maar ’t gaat om die kop. Ad meie sjoniem”Is-ie gaaf, koopman?” “Zo gaaf zal ik zijn, ad meie sjone, omein! Hoort u maar!” Hij proef-klinkt schotel tegen kop. “Hindert dat kleine barstje van boven niet?” “M’n goeie, beste mevrouw, ik heb ook barsies en morge, as God me gezond laat en ik beleef ‘t, wor ik toch zes-e-zeveteg, zo zal u tegoejem honderd worre.” (M. DE HOND, 1926)
— Er stond een vent, die in plaats van die Garibaldihoed een grijze sleuf op had en een grijze jas met witte sjaal droeg. Hij verkocht kranten: ‘Volk en Vaderland’. Toen Jaap me zag sloeg hij zijn ogen neer, ik was ontzettend onthutst. Hij was een man die, als hij bij mijn vader op de prijs stond af te dingen, altijd zijn hand op mijn hoofd legde: “Levie, zo zal je de Goepa-dag van je kind beleven.” (LOUIS SANDERS ; EEFJE SANDERS-MENDEL; FRANS KEIJSPER, 1989)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zo ‘bijwoord van hoedanigheid: op die manier, als’ -> Gimán so ‘zoals’; Petjoh so, soo, zo, zoo ‘partikel om uitspraken te versterken’; Javindo so ‘op die manier, als’; Negerhollands soo, so, sa ‘bijwoord van hoedanigheid: op die manier, daarop, toen, zo, (al)dus’; Sranantongo so ‘bijwoord van hoedanigheid: op die manier, als’ (uit Nederlands of Engels).

zo ‘nevenschikkend voegwoord: indien’ -> Negerhollands soo, so ‘indien’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zo* bijwoord van hoedanigheid: op die manier, als 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

se- ursprünglich ‘abseits, getrennt, für sich’, dann Reflexivpronomen, und (nach Analogie von *t(e)u̯e) s(e)u̯e-, adjektivisches Possessiv s(e)u̯o-

se- und s(e)u̯e- Reflexivpronomen für alle Personen, Geschlechter uud Numeri; Gen. seu̯e, Dat. sebhei, enklit. Gen.-Dat. s(u̯)oi; adjektivisches Possessiv s(e)u̯o-; se-: se-u̯e- flektiert wie te-: te-u̯e ‘du’.
1. se-: gr. σφέ, σφίν usw., poss. σφός, ausgegangen von *σ-φει, σ-φι(ν), die als σφ-ει, σφ-ι(ν) aufgefaßt wurden;
lat. sibī, , päl. sefei, osk. sífeí ‘sibi’ (*sebhei), siom ‘se’ (umbr. seso ‘sibi’ aus sei-psō ‘sibi ipsī?’), got. sik, ahd. sih, anord. sik ‘sich’ (*se-ghe), got. sis, aisl. sēr Dat., Poss. got. seins, ahd. sīn usw. ‘sein’ (auf dem Lok. *sei beruhendes *sei-no-s); vgl. messap. veinan ‘suam’ aus *su̯ei-nā-m; apr. sebbei Dat., sien Akk., aksl. sebě Dat., sę Akk. ‘sibi, se’.
2. seu̯e-, *su̯e-: ai. Poss. svá- ‘suus’, av. hva-, xva-, ар. huva- ‘eigen, suus’ und hochstufig av. hava- ds.; av. Dat. Abl. hvāvōya d. i. iran. *hu̯abya ‘sibi, se’, xvāi ‘sibi’;
arm. in-k’n, Gen. in-k’ean, ‘selbst’ (k’ aus su̯), vielleicht iur ‘sui, sibi’, (*seu̯ero- oder*seu̯oro-);
gr. ἕ (pamph. ϝhε) ‘sich’ aus *su̯e, hom. ἑέ aus *seu̯e, Gen. hom. ἕο, εἷο, εὑ, εὗ, att. οὗ (*suesi̯o), Dat. οἷ, οἱ, lesb. ϝοῖ (*su̯oi) neben hom. ἑοῖ (*seu̯oi), Poss. ὅς, dor. ϝός ‘sein’ (*su̯os) neben hom. ἑός (*seu̯os), wozu ἧλιξ (*su̯ā-li-k-) ‘gleichalterig, Gefährte’;
alb. ve-të (*su̯e-ti-) ‘selbst’, u- Pron. refl. (*su̯ë-), vajë ‘Mädchen’ (*vari̯ā zu *su̯o-ro- ‘Angehöriger’), vëla ‘Bruder’ (s. oben S. 685);
alat. sovos, woraus in schwachtoniger Stellung suos, lat. suus; osk. suveís ‘sui’ (Gen.), súvad ‘suā’, päl. suois ‘suis’, marr. suam ‘suam’, woneben tiefstufig umbr. sue-so Lok. Sg. ‘suō’; lat. sē̆d, sē̆ Präp. ‘ohne’, Präfix ‘beiseite’ Grundbed. ‘für sich, ohne’ (Abl. *s(u̯)ed), Konjunktion ‘aber, sondern’; dazu gr. ἴδιος ‘privat, eigen’, argiv. *ϝhεδιος aus idg. *su̯ed-i̯os;
got. swēs ‘eigen’, n. ‘Eigentum’, ahd. as. swās, ags. swǣs, aisl. svāss ‘lieb, traut’ (als *su̯ēdh-so- oder -to- zur Wurzel *su̯edh-, s. unten; mndl. swāselinc ‘Schwiegervater, Schwiegersohn, Schwager’; zu ahd. gi-swīo (s. unten) der VN Suīonēs bei Tacitus, aisl. Svīar m. Pl. ‘Schweden’, svī-dāi ‘von selbst gestorben (nicht getötet)’, dehnstuf. svē-vīss ‘eigensinnig’, got. swi-kunþs ‘offenbar’;
lit. savę̃s, sevę̃s ‘sui’ (Gen.) usw., Poss. sãvas; tiefstufig apr. swais = aksl. svojь ‘suus, eigen’; daraus swojakъ ‘affinis’, usw.
3. s(u̯)e-bh(o)-, su̯o-bho- ‘von eigener Art’: ai. sabhā́ ‘Versammlung, Gemeindehaus’ (weniger gut oben S. 105); got. sibja, ahd. sipp(e)a usw. ‘Sippe, Gesamtheit der eigenen Leute’ (*seƀjō); germ. *seƀnō- und *seƀnan- ‘Sippe’ in aisl. sjafni m. ‘Liebe’, GN sjǫfn f., VN *Seƀnan-ez >Semnones ‘Sippegenossen; dazu der VN lat. Sabīnī als ‘die Sippenangehörigen’, Sabelli (*safnolo-), Samnium = osk. Safinim; lat. Samnītes; vielleicht ein von den in Italien wohnhaften Illyriern bezogener Name mit a aus idg. o, vgl. slav. sob-; dazu dehnstufig die germ. Suēbi, ahd. Swābā ‘Schwaben’ (germ. *swēba-, idg. *su̯ēbho- ‘frei, zum eigenen Volk gehörig’); russ. (usw.) o-soba ‘Person’, sobь ‘Eigenart, Charakter’, aksl. sobьstvo ‘Eigenart, Wesen’, und mit su̯- aksl. svoboda ‘Freiheit’ (ursprgl. ‘Zustand der Sippenangehörigen’); schwundstufig scheint apr. subs ‘selbst’; ganz unsicher mit e slav. *sebrъ in russ. pá-serbъ ‘Stiefsohn’ und (?) dem Namen der Serben und Sorben; mit noch klärungsbedürftiger Nasalierung *sębrъ in aserb. sebrь ‘freier Baner’, russ. sjabr ‘Nachbar, Freund’; vgl. Vasmer 2, 599, 611 f., 3, 61 f.
4. su̯ē̆dh-: ai. svadhā́ ‘Eigenart, Gewohnheit, Sitte, Heimstätte’, (av. xvaδāta- ‘über sich selbst bestimmend, unvergänglich’ ist neuere Zusammensetzung); gr. ἔθος n. ‘Gewohnheit, Sitte’ (thematisch βεσόν· ἔθος Hes., lakonisch), Partiz. hom. ἔθων ‘gewohnt’, Perf. εἴωθα, lesb. εὔωθα ‘bin gewohnt’ (*sesu̯ōdha), ἐθίζω ‘gewöhne’, dehnstufig ἦθος n. ‘Sitte, Gebrauch, Herkommen’, Pl. ‘Wohnort’ (: germ. *swēsa-, wenn aus *su̯ēdh-s-o-, s. oben), ἠθεῖος ‘traut’, ἔθνος ‘Menge, Völkerschaft’ als ‘Sippe’?;
lat. sodālis (*su̯edhālis) ‘Kamerad, Gespiele, Gefährte, Tischgenosse’; soleō ‘bin gewohnt’, mit l für *dh; suēscō ‘werde gewöhnt’ (*suēdh-skō);
aber got. sidus ‘Sitte’, ahd. situ, ags. sidu, seodu, aisl. siðr, Akk. Pl. siðu m. ‘Sitte’ (erst nhd. fem.) nicht hierher, da sie i in der Wurzelsilbe haben (Wissmann, Münchner Studien 6, 129, Anm. 28).
5. t-Ableitungen: av. xvaē-tu- ‘angehörig’, xvaē-tāt- ‘Angehörigkeit, Zugehörigkeit’ (auf Grund eines Lok. *su̯ei-, su̯oi-); aksl. svatъ ‘Verwandter, Angehöriger, Brautwerber’, (*su̯ō-to-s, vgl. serb. svāk ‘Schwestermann’, aksl. svojakъ ‘affinis’); lit. svẽčias, svẽtis ‘Gast’ (eigentlich ‘Fremder’; wegen svẽtimas ‘fremd’, lett. svešs ‘fremd; Gast’, aus *su̯e-ti̯os ‘für sich, allein stehend, daher außerhalb stehend’; vgl. lett. sevišks ‘abgesondert, allein’ und gr. ἑκάς (Hes. βεκάς), eigentl. *ϝhε-κάς ‘für sich’, vgl. ἀνδρα-κάς ‘Mann für Mann’ und ai. dviśas ‘zu zweien’; gr. ἕκαστος (*ἑκασ-στος ‘für sich stehend’) ‘ein jeder’, danach ἑκάτερος, delph. ϝεκάτερος ‘jeder von zweien’; hom. ἔτης (ϝέτης) ‘Verwandter, Freund’, el. ϝέτας ‘Privatmann’.
Mit Anlaut *se- (nicht *su̯e): aksl. *sětъ ‘Gast’, posětiti ‘besuchen’; gr. ἕταρος ‘Gefährte’, fem. *ἕταιρα, ἑταίρᾱ, wozu als neues m. ἕταιρος.
6. Andere Zugehörigkeits- und Verwandtschaftsbezeichnungen (vgl. unter eigenen Schlagworten *su̯elio[n]-, su̯esor-, su̯ek̑uro-s, suek̑rū-) sind:
aisl. sveinn ‘Bursche, Hirt’, as. swēn ‘Schweinehirt’ (Bedeutungsanschluß an swīn ‘Schwein’), ags. swān ‘Schweinehirt, Hirt’, poet. ‘Mann, Krieger’; lit. sváinis (*su̯oini̯os) ‘des Weibes Schwestermann’, sváinė ‘die Schwester der Frau’, lett. svainis ‘Bruder der Frau’; ahd. (ge)swīo ‘Schwager, Schwestermann’, mhd. geswīe m. f. ‘Schwager, Schwägerin’, aisl. sveit f. ‘Kriegerschar’;
7. Auf einer Verbindung von *se- mit dem Pron. *(o)lo- beruhendes *se-lo- scheint (?) die Grundlage von germ. *selba- ‘selbst’ (-bho- wie oben in *s(u̯)ebho-), got. silba, anord. sjálfr, ags. self, ahd. selb, nhd. selb, -er, -st dazu ven. sselboi sselboi ‘sibi ipsi’ (= ahd. selb selbo); vgl. auch germ. *selda- ‘selten’, got. silda-leiks ‘wundersam’ (‘von seltener, seltsamer Gestalt’), ahd. selt-sāni ‘seltsam’, adv. seltan ‘selten’ usw. (‘selten’ aus ‘für sich, alleinstehend, einzig’); daß lat. sōlus ‘allein, einzig, bloß’ einer ähnlichen idg. Verbindung *sō-lo- entstammt, ist möglich; nach Szemerényi (Word 8, 50) aus *su̯e-alo-.
8. Vom Reflexivum in der Bedeutung zu scheiden ist der Stamm su̯e- in Partikeln für ‘so’ woraus ‘wie’ und ‘wenn’:
Hom. ὥς (ως) nachgestellt ‘so’ aus *su̯ō- mit suffixalem -s; aber ὁτ(τ)ι, att. ὅτις ‘was auch immer’ (*i̯od-kid), hom. ὅππως, att. ὅπως ‘wie’ gehören zu *i̯o- oben S. 283 (Schwyzer Gr. Gr. 1, 617); osk. svaí, svae, umbr. sve, sue ‘wenn’, alat. suad (Festus) ‘sic’; got. swē ‘wie’ (relativ), swa-swē ‘wie’; got. swa, anord. svā, ags. swā, swǣ ‘so’, as. ahd. nnd. ; dazu got. swa-leiks, aisl. slīkr, ags. swelc, swilc usw., ahd. solīh, sulīh usw. ‘solch’;
umbr. so-pir ‘siquis’, osk. svaepis, volsk. sepis ‘siquis’, surur, suror, suront, sururont ‘item’ (*su̯ō-su̯ō); alat. sō-c ‘so’ (kann aus *su̯ō entwickelt sein), lat. ‘wenn’ (ursprüngl. ‘so’, sī dīs placet), sī-c ‘so’.

WP. II 455 ff., WH. II 457 f., 506 f., 530 f., 552 f., 557, 626 f.; Trautmann 251 f., 291, 294 f., Schwyzer Gr. Gr. 1, 226, 600 f., 606 f.; 2, 577; Mezger Word 4, 98 ff., Benveniste BSL 50, 36 ff.;s. auch seni- und su-.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal