Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zijn - (bez. vnw.)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

zijn 2 bez. vnw. van de 3e pers. m. en o. enk. ‘van hem’
Onl. sīn ‘van hem’ in siniu gelp ando sinan uuilleon ‘zijn weelde en zijn wil’ [811-12; ONW], werk hando sinro ‘de werken van zijn handen’, fiunda sina ertha leccon sulun ‘zijn vijanden zullen de aarde likken’ [beide 10e eeuw; W.Ps.], in sinan winkelnere ‘in zijn wijnkelder’ [ca. 1100; Will.]; mnl. sijn.
Os. sīn (mnd. sīn); ohd. sīn (nhd. sein); ofri. sīn (nfri. syn); oe. sīn; alle ‘zijn, van hem’; on. sínn (nzw. sin); got. seins ‘van hem/haar/hun eigen’; < pgm. *sīna-.
Afgeleid van de genitiefvorm sei van het Proto-Indo-Europese reflexief *se (Beekes 1990, 252). Zie ook → zich.
Net als de meeste andere bezittelijke voornaamwoorden (bijv.mijn 1, → dijn, → haar 1) fungeert ook zijn als de genitief van een persoonlijk voornaamwoord, in dit geval de 3e pers. ev. mannelijk → hij: onl. ic sal beidan sin ‘ik zal hem verwachten’ [10e eeuw; W.Ps.], mnl. (met toevoeging van een jonge genitief-s) ghauelotten ende quareele ... Die allegader sijns misten ‘werpspiezen en pijlen, die hem allemaal misten’ [1285; VMNW]. Aanvankelijk werd het bezittelijk voornaamwoord verbogen als een bn. (zie de Oudnederlandse attestaties), maar in het Nieuwnederlands zijn de buigingsuitgangen afgesleten, behalve in versteende combinaties als Zijne Hoogheid, en bij zelfstandig gebruik als in het zijne ervan willen weten (de details), en de zijnen ‘en degenen die bij hem horen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zijn2* [bez. vnw.] {oudnederlands sīn 901-1000, middelnederlands sijn} oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries, oudengels sīn, oudnoors (< sinn), gotisch seins, met een n formans van de i.-e. stam die we terugvinden in latijn suus, grieks heos, (< ∗sewos), oudindisch sva-.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zijn 1 vnw., mnl. sijn, onfrank. os. ohd. sīn (nhd. sein), ofri. oe. sīn, on. sīnn, got. seina-. — Met no-suffix gevormd van de pron. stam *se (volgens Mezger, Word 4, 1948, 100 eigenlijk met de bet. ‘afgescheiden, voor zich alleen’).

Als reflexief-pron. kent het idg. *se- en *s(e)-u̯e. Voor dit laatste zijn voorbeelden lat. suus, gr. ‘zich’ (< *su̯e) en op germ. gebied os. ohd. swās, oe. swæs, on. svāss, ‘lief, vertrouwd’, got. swēs ‘eigen’, zie verder: zede.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zijn I vnw., mnl. sijn. = onfr. ohd. sîn (nhd. sein), os. ofri. ags. sîn, on. sînn, got. seina- “zijn”, oorspr. alleen refl. = “suus”. Gevormd als mijn II. Een reeds idg. possessivum van ’t refl. vnw. is *sewo-, *swo-, lat. sovos, suus, gr. heós, ϝós, hós, lit. sãvas, oi. svá-. De stam *s(e)we- ligt ook ten grondslag aan ier. fêin, fadêin “zelf”, gr. heé, ϝé (accus.) “zich, hem”, obg. svojĭ, opr. swais “suus, eigen”, lit. savę̀ (accus.) “zich”, alb. ve-tɛ “zelf” (*swe-), arm. in-kʿn (kʿ < sw) “id.”, oi. svayám “id.”, av. xvâi “sibi”. De idg. functie van *se-, *s(e)we- was die van reflexivum der drie personen. Zie nog zede. Germ. *swêsa-, ohd. swȃs “eigen, domesticus”, os. swâs “verwant, bevriend, lief”, ofri. swês “verwant”, ags. swæ̑s “eigen, verwant, lief, vriendelijk”, on. svâss “lief, aangenaam”, got. swes “eigen” kan idg. *swê-so- zijn, maar ook *swêdh-so- of iets dgl., zich nauw bij zede aansluitend.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zijn I vnw. Germ. *swêsa-: zie nog bij zwager.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zijn 2 possess. en genit. van een pron. dat nergens een nomin. heeft, Mnl. sijn, Onfra., Os. sîn + Ohd. sîn (Mhd. id., Nhd. sein), Ags. sín, Ofri. sín, On. sinn en sín (Zw., De. sin), Go. seins en seina; — voorts bestaat nog de Go. datief sis en On. datief ser, alsmede accus. Ohd. sih (z. zich), On. sik, Go. sik (z. ook dijn).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

ziene, zien, zie (bez. vnw.) zijn; Aajdnederlands sin <811-812>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

se: verswakte bes./adj. vorm teenoor subst. vorm v. d. vnw. s’n/syne (q.v.), v. verder ook Kem WFA 479.

s’n: subst. gebr. v. Ndl. bes. vnw. zijn/z’n, v. Scho TO 101-2, 106-9, hierby enkele vb. by vRieb v. sijn voor s.nw. as oorgv. tot subst. vorm s’n, nl. “haer oppersten sijn dochter”; “Hendrik Boom zijn huys”; v. ook se.

sy I: pers. vnw. ekv. vr.; bes. vnw. ekv. ml.; beantw. ondersk. aan Ndl. zij/ze en zijn/z’n, vgl. Scho TO 92, 101.

syns I: gen. v. syn in verbg. soos: syns insiens, v. sy I en syn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zijn ‘bezittelijk voornaamwoord’ -> Chinees-Maleis sèyn ‘bezittelijk voornaamwoord’; Javindo sijn ‘bezittelijk voornaamwoord’; Negerhollands si, śi, źi, sji, sie ‘bezittelijk voornaamwoord derde persoon enkelvoud (mannelijk en vrouwelijk)’; Berbice-Nederlands si ‘bezittelijk voornaamwoord derde persoon (mannelijk en vrouwelijk)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zijn* bezittelijk voornaamwoord 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal