Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zijn - (bestaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

zijn 1 ww. ‘bestaan’
Onl. in allvm them unholdum the hira genotas sint ‘alle kwaadwilligen die hun metgezellen zijn’ [791-800; CG II-1, 18], Ic bin arm in treghaft ‘ik ben arm en verdrietig’, uuanda thu bist gethult min herro ‘want u bent mijn verwachting, Heer’, ik uuas befillit allan dag ‘ik werd de hele dag gegeseld’, in ne sulun uuesan ‘en (zij) zullen er niet zijn’ [alle 10e eeuw; W.Ps.], Thin namo is wide gebreydet ‘uw naam is wijdverbreid’ [ca. 1100; Will.], sīn (infinitief) in so nemachtu ouch min drut sin ‘dan kun je ook mijn vriend niet zijn’ [ca. 1100; Will.].
Onregelmatig werkwoord, waarvan de vervoegde vormen in alle Germaanse talen teruggaan op twee of drie verschillende Indo-Europese wortels met verschillende betekenissen:
a) Pie. *h1es- ‘zijn, bestaan’ en de nultrap *h1s- hebben met verschillende uitgangen in het Nieuwnederlands geleid tot de tegenwoordige tijdvormen is (3e pers. ev.), zijn (1e en 3e pers. mv.), zijt (vero. 2e pers. mv.) en de hierbij door analogiewerking gevormde jonge infinitief zijn.
b) Pie. *bhueh2- ‘ontstaan, groeien’ (ablautend *bhuh2- en *bhuoh2-) heeft geleid tot de tegenwoordige tijdvormen met b-: ben (1e pers. ev.), mnl. bist (2e pers. ev.) en het jongere, analogisch gevormde bent (2e pers. ev.). In het Gotisch en het Noord-Germaans worden geen b-vormen gebruikt.
c) Pie. *h2ues- ‘(ver)blijven’ heeft geleid tot de vormen met w- in de verleden tijd (was, waren), gebiedende wijs (wees), het deelwoord geweest, de infinitief → wezen en het bn.gewezen ‘voormalig’.
In het Germaans zijn deze drie wortels in betekenis min of meer samengevallen (maar zie → bouwen < pie. *bhuh2- voor een vroege afsplitsing). In andere Indo-Europese talen is dat veel minder (Latijn, Baltisch, Keltisch) of helemaal niet het geval, en is pie. *h1(e)s- de belangrijkste wortel voor ‘zijn’ gebleven en *bhueh2- die voor ‘ontstaan, worden’.
Nnl. is is verwant met: os. is(t); ohd. ist (nhd. ist); ofri. is (nfri. is); oe. is (ne. is); on. es (nzw. är); got. ist; en buiten het Germaans met: Latijn est (infinitief esse); Grieks estí (infinitief eĩnai); Sanskrit ásti; Avestisch astī; Litouws ẽsti; Oudkerkslavisch jestŭ; Oudiers is. Onl. sint ‘zij zijn’ (al vroeg vervangen door mnl. sijn, nnl. zijn), is verwant met: os. sind; ohd. sint (nhd. sind); ofri. sind; oe. sind; got. sind; en buiten het Germaans met: Latijn sunt; Attisch-Grieks eisí; Sanskrit sánti; Avestisch həṇtī; Oudiers it. De overige presensvormen in het oe., on. en het got. gaan ook op deze wortel terug; voor de 1e pers. ev. zijn dat: oe. ēom (ne. am); on. em; got. im; verwant met: Grieks eimí; Sanskrit ásmi; Oudlitouws esmì; Oudkerkslavisch jesmĭ; Armeens em; Albanees jam.
Oorspr. b-vormen zijn: oe. bēo ‘ik ben’, bēoþ ‘wij/jullie/zij zijn’ en de infinitief bēon (ne. be). De continentaal West-Germaanse b-vormen zijn mengvormen met de uitgangen van *es, bijv.: onl. bim, bin (mnl. bem, ben, nnl. ben), bist; os. bium; ohd. bim (nhd. bin), bist (nhd. bist); ofri. bem, bim (nfri. bin), bist (nfri. bist); oe. bēom. Voor verwante woorden buiten het Germaans zie → bouwen.
Voor de w- vormen zie → wezen 2.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zijn1* [bestaan] {sijn 1200} middelnederduits, oudhoogduits sīn, een jongere onbepaalde wijs, die het oorspronkelijke wezen is gaan vervangen, o.i.v. ww.-vormen die met s begonnen (wij, zij zijn, het zij zo), die stammen van een i.-e. stam es, vgl. hij is, hoogduits er ist, engels he is, latijn est, grieks esti, litouws esti, oudindisch asti [idem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ben 2 1 ps. van het ww. zijn. mnl. bem, ben, bim, bin, onfrank. ohd. bim, bin, os. bium, biun, bion, ofri. bim, bin, bem, ben, oe. biom; deze vormen behoren tot een verbaalstam westgerm. *biu > idg. *bheu̯ō; de vorm is gecontamineerd uit *bheu̯ō met de uitgang van *esmi. — Verwant zijn lat. fio ‘worden, ontstaan’, osk. fiiet ‘fiunt’, fui ‘ik ben geweest’, gr. phúō ‘ik breng voort’, oiers buith ‘zijn’ (IEW 146-150). — Zie verder: bouwen.

zijn 2 ww., mnl. sijn, mnd. ohd. sīn (nhd. sein). Een jongere infinitief (naast het oudere wezen) opgekomen in aansluiting aan vormen als ohd. sint (nhd. sind), aanv. wijs mnl. ohd. , waarnaast met voller stamvorm 3de p. enk. nnl. is en ohd. nhd. ist; van idg. stam *es. vgl. lat. est, gr. estí, oi. ásti naast lat. sunt, sim.

Het ww. is reeds oudgerm. samengesteld uit verschillende stammen; naast idg. *es en *u̯es vinden wij nog b-vormen in de vormen 1 p. enk. ben (zie aldaar).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zijn II ww., mnl. sijn. = ohd. sîn (nhd. sein), mnd. sîn “zijn”. Jongere infinitief naast wezen, in den loop van de ohd. periode opgekomen onder invloed der vormen van ’t ww., die met s begonnen, en die evenals got. im “ik ben”, is, je bent”, ist (mnl. nnl. is, onfr. ohd. nhd. ist, os. is, ist, ofri. ags. eng. is) “hij is” van den idg. wortel es- komen; zoo is got. ist = ier. is, lat. est, gr. estí, russ. jest' (obg. jestŭ met secundairen uitgang), lit. e͂sti, oi. ásti, idg. *és-ti “hij is”; got. im, on. em, ws. eom, angl. eam, am (eng. am) = ier. am, gr. eími, obg. jesmĭ, lit. esmì), arm. em, oi. ásmi, idg. *és-mi “ik ben”. De b van ndl. (ik) ben, mnl. bem, ben, bim, bin, onfr. ohd. bim, bin (nhd. bin), os. bium, biun, bion, ofri. bim, bin, bem, ben, angl. bîom komt van een 1. pers. met anderen uitgang, overeenstemmend met ags. (ws.) bêo, oudws. *bîo, m.a.w. ndl. ben enz. zijn door contaminatie van *im, *em en *biju > *ƀijô ontstaan. Dit *ƀijô komt met ier. -bíu “ik pleeg te zijn”, lat. fîo “ik word”, gr. phĩtu “’t voortgebrachte, spruit”, obg. bimĭ “ik zou zijn”, lit. bit(i) “hij was” van een idg. basis bh(w)î-, een afl. van bhû-, waarover zie bij bouwen. B-anlaut komt in ’t Mnl. Onfr. Ohd. (Nhd.) Os. Ags. ook in den tweeden persoon enk. voor, in ’t Ohd. bovendien in den 1. en 2. pers. mv., in ’t Ags. in alle vormen van ’t praesens, met inbegrip van optatief, imper. en inf. (eng. to be), nnl. in bent, dial. en vulg. in bennen. Zie nog bij gezond.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zijn II ww. Ags. (ws.) eom (angl. eam) heeft tweeklank naar bêo, bîo.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ben 2, 1ste pers. enk. van zijn, Mnl. ben, bem, Os. bium + Ohd. bin (Mhd. en Nhd. id.), Ags. beom, Ofri. bem; komt in ’t Oostgerm. (On., Go.) niet voor + Skr. wrt. bhu = zijn, Zend wrt. bu = zijn, Lat. fui = ik was, futurus = zullende zijn, fio = ik word, Gr. phúein = doen wassen, Alb. buj = vernachten, Oier. ro-boi = was, Lit. buti, Osl. byti, Ru. byt= zijn: Idg. wrt. bheu, van waar ook bouwen. — De slot-n, vroeger m, is een Idg. suff. mi voor den 1sten pers. (z. ís, wezen, zijn).

is, 3e p. praes. van zijn, Mnl. is, Os. is en ist + Ohd. ist (Mhd. en Nhd. id.), Ags. is (Eng. is), Ofri. ist, Go. ist, Ug. *isti + Skr. asti, Gr. ésti, Lat. est, Oier. is, Ru. jesti, Lit. ẽsti: Idg. *esti, van Idg. wrt. es (st. os, zw. s) = bestaan (z. zijn).

zijn 1 ono.w. (wezen), Mnl. sijn + Mhd. sîn (Nhd. sein): gevormd uit het meerv. van het praesens, naar analogie van al de andere werkw., waar infin. en meerv. praesens gelijk zijn: Ndl. wij en zij zijn, Mnl. wi en si sijn, Os. sind + Ohd. sint (Mhd. id., Nhd. sind), Ags. sind, Ofri. send, Go. sijum en sind + Lat. simus en sint: van den zw. gr. van wrt. es: z. is.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zien (ww.) zijn, bestaan; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) sien, Vreugmiddelnederlands sin <1100>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

syn: – syne – , subst. gebr. bes. vnw. (v. sy I); Ndl. (de/het) zijne, vgl. Scho TO 92, 101-2, 106-9.

ware II: in verbg.: as ’t – , asof, as dit sou gewees het; impf. opt. van wees; Ndl. ware (Mnl. ware/waer/were), impf. ind. ekv. was, mv. waren, as onpers. ww. (dus ekv.) opt. (het) ware (WMnl. IX 1756).

was IV: hulpww., impf. tydsvorm v. wees; vgl. Ndl. was (ekv.) en waren (mv.), Hd. war en waren, Eng. was en were, v. verder wees II.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Wie niet voor mij is, is tegen mij, er zijn slechts uitgesproken voorstanders òf tegenstanders; iemands neutrale houding is te beschouwen als een hindernis, als tegenwerking.

'Wie niet met mij is, is tegen mij, en wie niet met mij samenbrengt, drijft uiteen', zo spreekt Jezus volgens Matteüs 12:30 (NBV) tot zijn discipelen. De uitdrukking bevat gewoonlijk het voorzetsel voor in plaats van met.

Luikse Diatessaron (1291-1300), p. 76, 30. Die met mi nin es, hijs iegen mi, ende die met mi nin ghedert, hi schedt.
In de gemeentepolitiek past vijand-denken -- wie niet voor mij of mijn voorstel is, is tegen mij -- niet. (Meppeler Courant, feb. 1995)
Wallage: '[...] Max heeft iets Messiaans. In het Oude Testament staat: van de vier hoeken der aarde zal ik u brengen naar het land dat ik u heb beloofd. Zo is Max van den Berg.' 'Maar het is niet voor niets dat wat de één een Messias vindt, de ander ziet als een valse Messias [...]. In zijn argumentatie zit iets van: wie niet voor me is, is tegen me. Dat roept reactie op.' (De Volkskrant, 15-5-1999, p. 5V)

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

zijn (te + inf.)

‘Deze besluiten zijn voor 1 jan. uit te voeren.’ (Koenen)

Sommige puristen beschouwen het gebruik van zijn + te + infinitief in de zin van ‘moeten + worden + verleden deelwoord’ als een germanisme. Het zou echter evengoed een anglicisme of een gallicisme kunnen zijn.

Slechts een enkel woordenboek heeft dit gebruik van zijn + te + inf. opgenomen, nl. Koenen, die het echter tot de ambtelijke taal beperkt. In de algemene taal is deze constructie inderdaad niet zeer gebruikelijk.

A. Moortgat (1925), Germanismen in het Nederlandsch, Gent

Verkeerde weglating der hulpwerkwoorden ZIJN en HEBBEN in ondergeschikte zinnen.
Aan het einde van een bijzin wordt de vervoegde vorm der Duitsche hulpwerkwoorden sein en haben achter het verleden deelwoord in de schrijftaal - niet in de gewone omgangstaal - dikwijls weggelaten. Volgens het Nederlandsch taalgebruik worden de hulpwerkwoorden zijn en hebben in vele gevallen uitgedrukt, in andere niet. Ary Prins, die, zooals men weet, een constructiesysteem op zijn eigen heeft, zal, hieronder, van Duitschen invloed wel niet gansch vrij zijn. Wat de eerste aanhaling betreft, ’t is niet onwaarschijnlijk dat dergelijke korte bijzinnen van modaliteit gaandeweg algemeen in gebruik zullen komen. (1) Die ellips is een verschijnsel van taalzuinigheid en verlevendigt den stijl.
|| “Gelijk te verwachten, is door Kalff doorloopend getracht” enz., C. R. de Klerk aangeh. in St. o. E. II, 12, 96 (D. wie zu erwarten, ist u.s.w. = gelijk te verwachten was, is enz.). Zijn geest bleef echter klaar trots alle kommernis, en door het floers van zijne tranen hij loerde rond als een gevangen vos, die achter traliën zit, want toen de Commandoor uit zucht tot kwelling een parelsnoer vertoonde, die aan de jood ontroofd, stak hij verlangend beide handen in smeeking open uit, Ary Prins in Els. Maandschr. 12, 448 (D. denn wenn der Commandeur eine Perlenschnur zeigte, welche dem Juden geraubt, streckte er begierig flehend beide Hände offen heraus = want toen de Commandeur een parelsnoer vertoonde, dat aan den Jood ontroofd was, stak hij verlangend beide handen in smeeking open uit). Toen de zon al lang was weggedaald ..., kwam de heimenis der vage vormen van een kasteel in zicht, die eerst door kromming van het meer verborgen, 449 (D. welche erst durch Krümming der See verborgen = die eerst door kromming van het meer verborgen was). De nar, van wiens gelaat het mom van dwazen lach verdwenen, toen fluisterend tot hem zeide enz., 452 (D. der Narr, von dessen Gesicht die Maske törichten Lachens verschwunden, sagte ihm dann flüsternd = de nar, van wiens gelaat het mom van dwazen lach verdwenen was, zeide toen fluisterend tot hem).

(1) In denzelfden aard: D. wie gesagt, wie schon angedeutet, wie erwähnt, Ndl. zooals gezegd, gelijk reeds aangeduid, zooals gemeld, enz. Wij hebben trouwens al eenige constructies, in onvolledigen vorm, in 1o bijwoordelijke bijzinnen van verhouding: kom zoo mogelijk (of zoonoodig), vandaag nog; 2o bijwoordelijke bijzinnen van verhouding: hoe later op den avond, hoe schooner volk; 3o bijwoordelijke bijzinnen van toegeving: hoe wonder ook, ’t is werkelijk gebeurd - ofschoon nog geen 25 jaar oud, werd hij reeds tot kapitein benoemd; 4o in bijwoordelijke bijzinnen van vergelijking: gelijk zijn vader, zoo is ook hij; 5o in bijwoordelijke bijzinnen van beperking: er is niets dan water. Maar het Duitsch gaat in het gebruik van onvolledige bijzinnen nog verder. De volgende zijn bij ons zonder aanvulling niet denkbaar: wir tun, was unsers Amts - was hast du denn, dass du so bang und ängstlich? - Nun ich da, kehr’ ich nicht mehr zurück. Daarentegen zal de volgende bijwoordelijke bijzin van voorwaarde ook wel in het Nederlandsch zonder bezwaar in onvolledigen vorm mogen aangewend worden: wenn druckfertig, bitten wir, dies auf dem Korrektur-Abzug zu bemerken = indien persklaar, gelief dit op het proefblad aan te merken.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

Het gebruik van zijn in den lijdende vorm. – Een gallicisme, waartegen niet genoeg gewaarschuwd kan worden, is het verkeerd gebruik van zijn in het passief. De hulpwerkwoorden van den lijdenden vorm zijn worden en zijn, het eerste voor de onvoltooide tijden: het loon wordt betaald, het loon werd betaald, het laatste voor de voltooide tijden: het loon is betaald, het loon was betaald; soms wordt in het laatste geval het deelwoord geworden ter versterking toegevoegd. Nu gebruikt men in het Fransch altijd être; vandaar dat bij Zuidnederlandsche schrijvers zeer vaak zijn staat, als worden vereischt wordt. || De wet … was, desniettemin, te Lier behoorlijk afgekondigd en de geestelijken moesten er zich aan onderwerpen of aftreden, G. BERGMANN, Gedenkschr. 13. Dat Fransch, dat misschien in Frankrijk door eenen Franschman niet zou verstaan geweest zijn, werd enz., 78 (er wordt vereischt verstaan geworden zijn). De nijverheid had zich toen van dit … gebouw (t.w. het Gravenkasteel te Gent) meester gemaakt en de prachtige zalen van vroeger met weversgetouwen en andere werktuigen gevuld, terwijl een ander gedeelte door schamele gezinnen was bewoond, 114. Ons Haantje vooruit was overigens als een sujet hors ligne in de studentenwereld beschouwd, 119. Hij (Van Maanen) was in België algemeen gehaat, 183. Valencijn en Tubeke (Tubize) zijn niet opgegeven, DELGEUR in Versl. Vl. Ac. 1888. 178. De chiromantie of handkijkerij was door ieder gezocht, ALBERD.-THIJM in Versl. Vl. Ac. 1890, 20. De regeering van Jozef II is gekenmerkt door gedurige geschillen tusschen Vorst en Volk, MATHOT, Troebele Tijd 3. Door deze oorlogsverklaring was voornamelijk ons vaderland bedreigd, 16. Door een besluit van het middenbestuur … waren de uitgewekene burgers uitgenoodigd naar het vaderland terug te keren, 90. Te Parijs was de regeering over en weer geslingerd door inwendige partijtwisten, 169. Menigmaal is het betreurd dat er van het oude Gent … zoo weinig voor de weetgierigen werd te schrift gesteld, DE POTTER, Gent 1, 1 (er wordt vereischt werd betreurd). Het gedeelte der (versterkingen) … tusschen het Kasteel en de Keizerspoort was verdedigd door twee bastions, 1, 138. Waar nog ergens een punt- of trapgevel en ’t metselwerk van ’t onderdeel kloek geacht is, trekt men ’t spitse bovendeel af om door éene of meer verdiepingen … te vervangen, 1, 184. Zonderling nochtans: geen lid der vier gemelde geslachten is genoemd in eene charter van 1218, 1, 229. Een stelsel van tirannij en willekeur, gelijk hier nooit te voren, zelfs niet onder ’t bewind van den ijzeren Alva, was gezien, 4, 47. In onze jeugd was een dagblad nagenoeg beschouwd als een artikel van weelde, 4, 57. De Kwaadham is reeds genoemd in het rentboek der Armen van de St.-Michielsparochie, geschreven ten jare 1308, 5, 534. De ballingen, uit vrije steden gebannen, moesten de stad binnen zonneschijn, het land binnen derden dage verlaten; zoo niet, waren zij wetteloos verklaard, DE PAUW, Voorgeb. X. De twee “coperen figeuren”, die als een der “zeven vremdichheden van Ghent” aanzien waren, DE PAUW, Besouch XLVIII. Dit heerlijk gedicht … was over ruim twintig jaar … ontdekt, DE PAUW in Versl. Vl. Ac. 1888, 331. Het is zulk eene voldoening te zien, dat men niet vergeten is van degenen, die op reis zijn, V. LOVELING, Nov. 189. Het sein des opstands … was van hooger hand gegeven en in alle steden en dorpen … traden de geestelijken in het harnas op, LOVELING, Sophie 195. Spoedig was het door enkelen in Zompelgem geweten, dat enz. 203. Er had een onderzoek plaats, doch de plichtigen werden niet achtervolgd …; de zaak was uitgedoofd; de wonde … aan een ongeval toegeschreven, 233. Maar het zal toch niet gezegd zijn dat enz., VUYLSTEKE, Prozaschr. 1, 186. Een … wetboek der kruierij,… waarin al de straffen … vastgesteld zijn voor de verschillende overtredingen, die enz., DAEMS, Kruiw. 196. De vervaardigers der prachtige geschilderde glasramen van die tijden waren onder de glazenmakers gesteld, ROOSES, Antw. Schildersch. 1. 37. Lampsonius … was getroffen door dit verwilderd gelaat, en de verbazing gaf hem de eenige gelukkige verzen in, die wij in zijnen bundel ontmoeten, 1, 114. De schilders waren (t.w. in Italië) hooger geteld dan ten onzent, 1, 132. Hij was beschermd door de grooten, bemind door zijne vrienden, aangezien door gansch Europa, 1, 202. Tijd is het, dat wij op onze stappen terugkomen, 1, 210. Hij was sterk verdacht van protestantschgezind te zijn, 2, 38 (er wordt vereischt hij werd sterk verdacht protestantschgezind te zijn). Een vijftal tapijten, die den 18n Januari 1875 bij den heer Terbruggen te Antwerpen verkocht werden en toegewezen zijn aan het Museum der Hallepoort te Brussel, 2, 152. Zeven honden vallen het vluchtende wild aan, twee hebben het bereikt, drie zetten het na, een is er door den hert op de horens genomen en in de hoogte geslingerd, 2, 192. Hij was … beschouwd en behandeld als een kind van den huize, ROOSES, N. Schetsenb. 310. Een heelen tijd lang waren de snakerijen van schilders en poëten … met welgevallen door de burgerij aangezien, 327. Hij is bemind van zijn volk, omdat hij zelf het hartelijk lief heeft, 350. De hotels zijn gehouden als ten onzent, ROOSES, Op Reis 8. Na 1620 is het verval in het oog springend, 127. De Admiraliteitsplaats is door eene plantage ingenomen, 190. Het geheel en elk deel der begraafplaats is met eerbied- en liefdevolle zorg onderhouden, 241. Een krachtig ontwaken van het nationaal leven … is niet waargenomen, ROOSES in Hand. v. h. XXTe Ned. Congr. 156. Reeds in het jaar 1822 had de jonge David ... de eer verlangd en genoten in vriendschapsbetrekkingen te treden met den jeugdigen Nederlandsche schrijver,… wiens naam toen reeds in Noord en Zuid alom was gevierd, P. WILLEMS in Versl. Vl. Ac. 1887, 286. Dit maakt … dat wij, bij het voortzetten van den strijd, der zwakheid onzer pen bewust, met eene zekere bedeesdheid bevangen zijn, TEMMERMAN in De Toekomst 34, 144. Het bestaan van onzen nationalen volksgeest is niet bedreigd door ’t bestudeeren der tweede taal, wanneer enz., 34, 222. Hij maakte … het Avondmaal … en de Marteldood van St-Erasmus, die nog heden in Sint-Pieters-Kerk bewaard zijn, SABBE, Vl. Schildersk. 53. Er is een uitvoerig werk te schrijven over het leven en de gewrochten der Vlaamsche schilders, die zich in den vreemde zijn gaan vestigen, 77 (er wordt vereischt er kan … geschreven worden enz.). Zijne landschappen zijn gekenmerkt door eene groote verscheidenheid van vinding, 140. Het wantrouwen dat … opzichtelijk het sparen bestaat zal verdwijnen, naarmate het volk de overtuiging krijgt, dat die inrichting … door den Staat zelven gewaarborgd is, STINISSEN, Opvoed. 23. Beide streken zijn door Kelten bewoond, PRAYON in Versl.Vl. Ac. 1888, 96. ’t Is onbegrijpelijk, dat dergelijke dingen (t.w. zekere gedichten) niet door iedereen van buitengekend zijn, SEGERS in De Toekomst 31,76 (er wordt vereischt van buiten gekend worden, maar beter nog dat iedereen dergelijke stukken niet van buiten kent). Het is er verre af, dat deze meening algemeen is aangenomen, 31, 472. Het Edict van Worms, dat te Leuven, Antwerpen en elders was afgekondigd geweest, FREDERICQ, De Nederl. o. K. Kar. 39 (er wordt vereischt was afgekondigd al of niet gevolgd door geworden). Wanneer men zich echter de moeite geeft, deze Fransche vertalingen met het oorspronkelijke Nederlandsch te vergelijken, dan is men telkens getroffen door het onbevredigende der vertolking, CORNETTE in De Toekomst 32, 5. Het eigenlijke woordenboek is voorafgegaan, buiten de voorrede, van eene lijst verbeteringen enz., 36, 329 (zie denzelfden zin ook 31, 355). Twee nieuwe dichtbundels zijn van De Mont aangekondigd, Onze Dichters 255. De bepalingen van klinker …, medeklinker … en lettergreep zijn bekend verondersteld, VERCOULLIE, Hist. Gramm. 14 (er wordt vereischt worden geacht bekend te zijn; verg. boven § 2, blz. 268 [veronderstellen]). Van anderen (t.w. schrijvers) weder was het ons niet geoorloofd juist die stukken, die wij als best geschikt aanzagen, te plaatsen, DE MONT, Bloeml. VIII. Onder dezen eenvoudigen titel is door den … boekhandel van Grote, te Berlijn, een prachtwerk uitgegeven, dat wij enz., DE MONT in De Toekomst 30, 45. Nog honderd jaar - en ’t aerdrijk zal vergaan, … en geen levend wezen zal gespaard zijn, DE MONT, Id. e. a. Ged. 172 (er wordt vereischt gespaard worden, maar beter nog gespaard blijven). Ik (ben) zeer vergenoegd, dat die heer zijne aanmerkingen heeft openbaar gemaakt, aangezien ik hierdoor in de gelegenheid gesteld ben, eenige blijkbaar onontbeerlijke ophelderingen te geven, V. CUYCK in De Toekomst 31, 38. Edward, … van wien wij reeds gesproken hebben, is verdacht van diefstal, ROUMEN in De Toekomst 33, 445. Het aantal verdiepingen bewijst tevens dat de huizen tegenwoordig dikwijls door verscheidene gezinnen bewoond zijn, GITTÉE, Bij onze Noorderbr. 101. Hij (“de landelijke proletariër”) is niet, gelijk de Waalsche arbeider, door mannen van zijn soort in de Kamer vertegenwoordigd, BUYSSE in De Gids 1895, I, 211. En wat eene verergering van rampspoed, … waardoor hij nu weder bedreigd was, 1895, II, 38. Er is ook besloten, dat een ieder zijn proviand zal meebrengen, BUYSSE, Mea Culpa 2 (er wordt vereischt er werd ook besloten). Wat! uit oorzaak van zijn huwelijk verstooten te zijn uit alles, 29. Ikzuchtig en woest van zeden was hij van elkeen gevreesd, MILLECAM, Finh. en Lieder. 1, 21. Geve God …, dat gij niet te diep geschokt zijt door hetgeen gij gaat vernemen, 2, 52. Ook is de aandacht geroepen op de noodzakelijkheid der regelmatige afhoudingen ten voordeele der kas van weduwen en weezen, De Toekomst 38, 21. De reizigers zijn dringend verzocht van hunne bestemming aan den ontvanger te doen kennen, Bericht in de Gentsche tramwagens.

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
zijn. - Bij Zuidnederlandsche schrijvers treft men bij het ww. zijn veelvuldig eene bepaling aan ingeleid door van, welk gebruik vaak als een gallicisme is aan te merken. Inderdaad wordt in het Fransch het ww. être in verschillende gevallen met eene bepaling ingeleid door de verbonden, welke soort van constructie men echter in het Nederlandsch niet altijd kan aanwenden, daar zij met het taaleigen meestal volkomen in strijd is.

Être de - geeft de herkomst te kennen; zoo zegt men cette comédie est de Molière, ces vers sont de Virgile, waarvoor men in het Nederlandsch ook heel juist zeggen kan: dit stuk is van Molière, deze verzen zijn van Vergilius. Maar fr. ce livre est de la bibliothèque du roi, ces figues sont du midi kan niet op dezelfde wijze vertaald worden; men zegt dit boek is uit de koninklijke bibliotheek, deze vijgen komen uit het zuiden. Men kan dus ook niet zeggen eene schilderij van een museum, maar uit een museum (verg. boven, onder § 1, e, γ, 2°, blz. 497 vlg.). Verder, al is het juist te zeggen: deze verzen zijn van Vergilius, hetzelfde geldt niet van een zin als den volgenden: de hoofden en handen zijn van eenen realistischen teekenaar van eersten rang, zooals men lezen kan bij SABBE, Vl. Schilderk. 50. Ook in dit geval zegt het Fransch être de (bij WAUTERS 78: les têtes et les mains sont d’un dessinateur réaliste de premier ordre), maar in zuiver Nederlandsch zou men zeggen: hoofden en handen zijn het werk van een realistischen teekenaar van eersten rang.
– Tot deze rubriek behooren de Fransche uitdrukkingen être de son siècle, de son temps, être de son pays, welke wel eens letterlijk vertaald worden. Men zegt met zijn tijd meegaan en zijn landaard getrouw blijven. || Het is goed, dat een dichter of romanschrijver van zijne eeuw zij en rekening houde van de stroomingen, die elders in de letterwereld ontstaan; maar hij moet ook van zijn eigen land blijven, hij moet met zijn volk medeleven, ROOSES, Derde Schetsenb. 36.
– Hetzelfde geldt van uitdrukkingen als la justice n’est pas de ce monde, d.i. in ’t Nederlandsch rechtvaardigheid bestaat op deze wereld niet, zoekt men er te vergeefs. || Een vijf tal (sic) schilderijen, die, waar de billijkheid van deze wereld en van - de kunstkritiek, Ensor van dat oogenblik af hadden doen rang nemen onder de meesters van het penseel, DE MONT in Vl. School 1895, 114b. Indien de volmaaktheid van deze wereld is, dan straalt zij den lezer uit Iris betooverend in de ziel, V. CUYCK in Vl. School 1894, 191a. Het Geluk, ’t uniek, volmaakt Geluk, dat niet van deze wereld is, maar van een andere, misschien, hiernamaals, BUYSSE, Op ’t Blauwh. 260.
– Evenzoo behoort tot deze rubriek de in Zuid-Nederland algemeen gebruikte verzekering: er is daar niets van, er is daar toch wel iets van. In het Fransch zegt men: il n’y a rien de tout ce qu’il vient de dire, en, wanneer de bepaling zelf weggelaten wordt: il n’en est rien. In zuiver Nederlandsch luidt dit nu: er is niets van aan. || “Ja, ja,” zei toen de Proviseur, “... als uw vader het volk tot dronkenschap en ongodsdienstigheid aanpreekt, in plaats van zijn werk op te passen, dan is het toch niet te verwonderen dat zijn werkvolk van het dak valt! (ter zijde) En daar is toch wel iets van!” L. V. RYSWYCK, Loyke de Schalied. 25. “Gij, die een oog op Veria hebt!” plaagde de knecht. Maar hij protesteerde; daar was niets van, nooit iets van geweest, ... verzekerde hij met vuur, LOVELING, D. E. 155. “De Vlaamsche burger, die geen Fransch kent is niet in staat eene winstgevende betrekking te bekomen, zijn zaken op eenigszins breederen voet in te richten.” Er is daar iets van, maar laat ons niet overdrijven, ROOSES in De Toekomst 34, 93.

Être de - geeft ook te kennen dat het onderwerp deel uitmaakt van -, deelneemt aan -, behoort tot datgene in de bepaling genoemd. Zoo zegt men in het Fransch être de la partie, être du complot, de la fête, du nombre, en deze en dergelijke uitdrukkingen worden door onze schrijvers letterlijk vertaald. In de meeste gevallen is deelnemen aan -, behooren tot - de juiste Nederlandsche uitdrukking. || Spreken van iemand, die leefde in het jaar 1000 of in het jaar 1500, alsof hij van onze eeuw ware, ... zou enz., ROOSES, Antw. Schildersch. 1, 47. Moro was een meesterlijk portretschilder: zijn nar uit het Museum van Madrid ... en die uit den Louvre zijn van de schoonste werken in hun vak, 1, 144. De stedelijke regeering van Antwerpen was van de eersten om hem een belangrijk tafereel te bestellen, 2, 65. Iedereen wil van het feest zijn, ROOSES, Ov. de Alp. 185. Een half uur lang koutten die verstandige menschen zonder te laten merken van welke gezindheid zij waren, ROOSES, Op Reis 4. Ik ben niet van het gezelschap, SEGERS, Gelukkig 39. Gij, van den oudsten adel, aarzeldet niet, uwe dochter op te offeren voor een handvol gouds, 107.
– Men kan derhalve niet zeggen van het getal zijn, gebruikt in navolging van fr. être du nombre. In zuiver Nederlandsch zegt men behooren tot -, zijn bij -, zijn onder -, al naar het verband. Soms is eene andere omschrijving noodig. || Vele onderwijzers (en ik ben vroeger van het getal geweest) gebruiken jaren achtereen voor elke klas hetzelfde leesboek, VERHEYEN in De Toekomst 35, 151 (beter waaronder ook ik of en ook ik deed het).
– Eene in ’t Belgisch Fransch zeer gebruikelijke uitdrukking is si j’étais de vous, waarmee bedoeld wordt: indien ik in den toestand was, waarin gij zijt, indien ik in uwe plaats was. Maar niet zelden wordt die uitdrukking letterlijk vertaald, ook in de spreektaal. || ’t Is verkeerd dat zoo ter harte te nemen, ik zou liever, indien ik van u ware, in een lach ... proesten, want enz., L. WILLEMS in Ned. Mus. 37, 259.

Être de, met een zelfstandig naamwoord vergezeld van een bijvoeglijk naamwoord als bepaling, geeft eene hoedanigheid te kennen: cet enfant est d’une grande intelligence, cette étoffe est d’un teint trop clair, il est d’une jalousie qui devient tous les jours plus insupportable. Deze constructie wordt door de Zuidnederlandsche schrijvers nagevolgd; zij bezondigen zich zoodoende aan een ergerlijk gallicisme. Onze taal kent slechts een klein getal uitdrukkingen van dat slag, b.v. het is van algemeene bekendheid, dat is van geen belang, dat is van veel gewicht, dat is van nul en geener waarde, hij is van geen tel, dat is niet van aard om -, en wellicht nog enkele andere; maar gewoonlijk, althans in gevallen als de onderstaande, gebruikt het Nederlandsch niet eene bepaling bestaande uit een znw. met een bnw. afhangende van het voorzetsel van bij het ww. zijn, b.v. van goede groote gestalte, van verrukkelijke schoonheid, van treffende gelijkenis zijn, maar
1o eene bepaling bestaande uit een zelfstandig naamwoord afhangende van ’t voorzetsel van, bij een bijvoegelijk naamwoord, dus: groot van gestalte, hoog van kleur;
2o eenvoudig een bijvoegelijk naamwoord, bepaald door een bijwoord, dus: verrukkelijk schoon, verregaand linksch;
3o wanneer op de Fransche bepaling met de een pronominale zin volgt, dan gebruikt men in ’t Nederlandsch een bijvoeglijk naamwoord nader bepaald door zoo gevolgd door een bijzin met dat; dus niet: van eene onbeduidendheid die -, maar zoo onbeduidend dat -;
4o soms moet de bepaling door een hoofdzin vervangen worden, zoo b.v. zijne werken zijn typisch en vol belang, maar van eene ietwat slappe vleeschkleur zou in zuiver Nederlandsch luiden: zijne werken zijn typisch en belangwekkend, maar de vleeschkleur is wat flauw of dof.
Het is echter niet mogelijk alle gevallen te voorzien; soms bestaat er in het Nederlandsch ook een geijkte uitdrukking; daarom wordt bij de onderstaande voorbeelden vermeld hoe het had moeten zijn. Verg. ook § 1, e, ζ, 5o, boven blz. 508 vlgg. || Dit portret was van eene treffende gelijkenis, SLEECKX 14, 316 (men zegge de gelijkenis van dit portret was bijzonder treffend, sprekend, of dit portret was treffend van gelijkenis). On te verwezelijken is van eene stout-, ik ging zeggen van eene roekeloosheid, eens onversaagden archeoloogs volkomen waardig! CLAES 62 (men zegge b.v. is zoo stout, zoo roekeloos). Het gebaar van Joachim is van eene verregaande linkschheid, ROOSES, Antw. Schildersch. 1, 84 (men zegge het gebaar van Joachim is verregaand linksch). Hij is rijk en … over het algemeen van eene goede en ongeschonden faam, 2, 93 (men zegge en staat over ’t algemeen in goeder naam en faam). De tegenoverstelling (!) van het donkerbruine hout in den stal met het helder licht van de sneeuw en den rooden gloed van het vuur is van de krachtigste uitwerking, 2, 116 (men zegge de tegenstelling enz. … is buitengewoon krachtig van uitwerking, of maakt een krachtig uitwerksel). De neus is fijn en zuiver van vorm, geheel het gelaat is van edele voornaamheid, 2, 256. (hier geheel het gelaat is edel en voornaam). Over het algemeen is zijne uitdrukking van buitengewonen rijkdom en van treffende juistheid, ROOSES, Derde Schetsenb. 323 (men zegge buitengewoon rijk en treffend). De gevels zijn … van eene deerniswaardige en onbeduidendheid als bouwtrant, ROOSES, Op Reis 188 (men zegge de bouwtrant der gevels is zeer onbeduidend). De verzameling kunstvoorwerpen en meubelen … is van ongemeenen rijkdom, 249 (men zegge de verzameling … is ongemeen rijk). Zijn werk is van soberen degelijken stijl, 259 (men zegge de stijl … is degelijk en sober). Met andere kunstbroeders had hij nog de eigenschap gemeen van de redelijkste en gematigdste opmerkingen niet te kunnen verdragen en zelf in zijne replieken en aanvallen van eene matelooze heftigheid te zijn, ROOSES, Lett. Stud. 63 (er wordt vereischt mateloos heftig te zijn). De hoofdgevel … is van streng uitzicht en van een klassieken bouwtrant, ROOSES, O. en N. Kunst 1, 7 (hier de hoofdgevel is streng (?) van uitzicht en in een klassieken bouwtrant). De Marteldood van St-Sebastiaan, in het museum van Antwerpen, is van groote opvatting, SABBE, Vl. Schilderk. 113 (bij WAUTERS 148: a de la grandeur, d.i. is niet zonder verhevenheid). Zijne werken zijn typisch en vol belang, maar van eene ietwat slapppe vleeschkleur en van eene bewerking, bij welke het eenigszins mangelt aan mannelijke kracht, 150 (bij WAUTERS 190: les chairs sont d’une coloration un peu fade et la facture manque de virilité, wat aldus kan vertaald worden: de vleeschkleur is wat flauw of dof en de bewerking is niet mannelijk genoeg). Als methodieker is de H. Jacobs van buitengewoon gehalte, TEMMERMAN in De Toekomst 35, 58 (men zegge als methodieker heeft de heer J. buitengewone verdiensten). De lijnen van het lichaam zijn van een ongewone, bijna klassieke zuiverheid en bevalligheid, DE MONT in Vl. School 1894, 172b (men zegge b.v. zoo ongemeen zuiver en bevallig, zooals men ze alleen bij de klassieken aantreft). Hij (ontwaarde) … thans duidelijk … dat zij weinig verstandig was, weinig aangenaam, weinig mooi zelfs, middelmatig in alles enfin, middelmatig en onbeduidend, van een onbeduidendheid die hem razend deed worden, BUYSSE in De Gids 1894, III, 380 (men zegge zoo onbeduidend dat hij er razend door werd). Zij (was) nog schooner dan ooit, van een troeblante, overweldigende schoonheid, III, 389 (men zegge zoo schoon, dat zij een verwarrenden, overweldigenden indruk maakte). Het oord is van een navrante treurigheid BUYSSE, Wroeging 155 (men zegge is hier walgelijk treurig). Op voorwaarde dat de echtgenooten van een gezonde lichaamsgesteldheid waren, BUYSSE, Mea Culpa 99 (men zegge op voorwaarde dat de echtgenooten kloek van gestel zijn). De lucht bleef van een weergalooze pracht en helderheid, BUYSSE in De Gids 1895, II, 45 (in de afzonderlijke uitgave, Mea Culpa 95, terecht aldus verbeterd: bleef weergaloos prachtig en helder). De wereld ... is van een wanhopende slechtheid, onvolmaaktheid, onrechtvaardigheid, II, 270 (in de afzonderlijke uitgave, Mea Culpa 224, terecht aldus verbeterd: de wereld … is wanhopig slecht, onvolmaakt en onrechtvaardig). Overal erkende men zijne eerlijkheid, maar overal verklaarde men dat hij van eene walgelijke onzedelijkheid was, Fondsenblad 16 Febr. 1896, 2c (men zegge dat zijne onzedelijkheid walgelijk was). Die persoon … scheen mij van een duivelachtig uiterlijk, MILLECAM, Finh. en Lieder. 1, 126 (men zegge: het scheen mij toe dat die persoon een duivelachtig uiterlijk had).

zijn. - Wanneer bij zijn een meewerkend voorwerp staat, dan kan dit laatste wezen: of een derde naamval, of een bepaling met voor. Men gebruikt de eerste manier, wanneer de activiteit, het meewerken afdaalt tot een eenvoudige belangstelling: het onderwerp spreekt dan zijn belangstelling uit in de vermelde werking of toestand, of onderstelt diezelfde gewaarwording bij zijn toehoorder; vandaar dat alleen me en je als zoodanig voorkomen: daar was me de meid weer aan het opruimen geweest; dat was je daar een drukte. Dat is de zoogenaamde dativus ethicus. In alle andere gevallen is de tweede manier in gebruik. Men zegt dus: hij was een vader voor mij; dat zal voor hem een goede les zijn; de regeling was voor de gemeente niet voordeelig. In het Fransch bestaat dezelfde constructie; maar wanneer het meewerkend voorwerp uitgedrukt wordt door een persoonlijk voornaamwoord, gebruikt de Franschman ook in het tweede geval den 3den nv. Dit laatste nu wordt in Zuid-Nederland soms nagevolgd. || Zweer, Dat ge voor uwen broeder zorgen zult, En dat … gij hem niet alleen Een vader zijn zult … Maar nog een moeder mee, RAMBOUX, Ged. 9.

Verkeerd gebruik van de hulpwerkwoorden hebben en zijn. – In het Nederlandsch wordt een voltooid of afgeloopen “doen” of “zijn in een toestand” met hebben, en een voltooid “overgaan in een anderen staat of toestand” met zijn uitgedrukt, zoodat eenzelfde werkwoord zoowel met hebben als met zijn kan voorkomen, maar er dan ook verschil in de beteekenis is. Met dit gebruik stemt dat van fr. être en avoir niet altijd overeen: in het Fransch staat être soms in gevallen, waarin bij ’t met het vreemde overeenstemmende Nederlandsche werkwoord hebben gebruikt wordt, en omgekeerd. Dit heeft voor gevolg, dat Zuidnederlandsche schrijvers hebben gebruiken, wanneer in het Fransch avoir staat, maar in het Nederlandsch zijn vereischt wordt, en omgekeerd. || Baron Davis is lange jaren in den vreemde verbleven, SNIEDERS 24, 4a. In het binnenland zijn de groepen, die het zelfde vak uitoefenen, geassocieerd, en aldus is de mededinging zonder genade opgehouden, GEIREGAT, Maatschapp. Vraagst. 74. Deze man, wien alles had meegevallen, was innig overtuigd, dat het toenemen van zijn fortuin aan eene natuurlijke wet was onderworpen, SEGERS, Gelukkig 92. Misschien juist ten gevolge van het afschaffen der Godsoordeelen, hadden de faïda’s … veeleer in getal toegenomen dan verminderd, HAERYNCK, Boendale 187. Wanneer de storm ter verovering en ter bezitting der wereldsche goederen zal zijn uitgewoed, BUYSSE in De Gids 1895, I, 216.
Volgen en navolgen worden alleen in hun figuurlijken zin, d.i. in dien van nadoen, met hebben vervoegd; opvolgen wordt altijd met zijn vervoegd. In het Fransch echter wordt bij suivre en succéder steeds avoir vereischt; vandaar dat bij volgen en opvolgen zeer vaak hebben gebruikt wordt waar zijn dient te staan. || Deze regimenten … hadden het keizerlijk leger naar Weenen gevolgd, MATHOT, Troebele Tijd 119. Eenige dorpspriesters, als de pastoor van Duffel, hadden hunne parochianen gevolgd in deze hopeloozen strijd, 138. Hij had de rijtuigen gevolgd, V. LOVELING, Nov. 208. In Spanje droeg hem (t.w. Karel V) het volk eenen somberen haat toe, omdat hij … slechts uit de oogen zag van zijne Waalsche en Vlaamsche hovelingen, die hem uit onze streken gevolgd hadden, FREDERICQ, De Ned. o. K. Kar. 9. Ze had hem gevolgd … en het nest gevonden! MOORTGAT, Versleten 117. Voor het geval hij (t.w. de Jan die te Winoxbergen een charter onderteekende) waarlijk De Clerck genoemd werd, … houden wij hem toch niet voor den dichter (t.w. Jan de Clerc) zelf; maar mogelijks voor eenen zijner zonen of neven, die hem opgevolgd hadde, HAERYNCK, Boendale 44.
– Zoo wordt beginnen in onze taal vervoegd zoowel met zijn als met hebben, wanneer het voorwerp een naamwoord is: zijn is het gewone in Noord-Nederland, hebben in Zuid-Nederland. Wordt het echter gevolgd door eene onbepaalde wijs met te, dan gebruikt men alleen zijn. In het Fransch wordt in alle gevallen commencer met avoir vervoegd; vandaar dat onze schrijvers bij beginnen soms hebben gebruiken in gevallen waar zijn vereischt wordt. || Die jonge heeren maken misschien onderscheid, zou men meenen. Dat kan zijn; maar zij hebben begonnen met in ’t algemeen te spreken, WATTEZ in Het Belfort 1895, I, 82.

Het werkwoord zijn onpersoonlijk gebruikt, met een afhankelijken pronominalen zin. – Wanneer men met nadruk wenscht te spreken, gebruikt men in ’t Fransch het ww. être met ce als onderwerp, een persoonlijk voornaamwoord als gezegde en een afhankelijken pronominalen zin, waarin de handeling, welke door het gezegde verricht wordt, of de toestand, waarin dit gezegde verkeert, wordt aangewezen; daarenboven legt men op het gezegde een zwaren klemtoon: c’est lui qui l’a fait; c’est le père qui décidera enz. Deze constructie wordt in Zuid-Nederland nagevolgd, en wel zoo, dat ze reeds tot de volkstaal is doorgedrongen; ze is echter volstrekt in strijd met het Nederlandsch taaleigen, daar in het Germaansch de nadruk door den klemtoon wordt aangegeven. C’est lui qui l’a fait luidt dus: hij heeft het gedaan, met een sterken klemtoon op hij; c’est le père qui décidera = vader zal beslissen. Men kan ook, om den nadruk nog te vermeerderen, gebruik maken van bijwoorden of bijwoordelijke bepalingen, zoo b.v. de jonge Koningin zelf heeft de nieuwe vaandels uitgereikt, niet ’t is de jonge Koningin die de nieuwe vaandels uitgereikt heeft. Met andere woorden dus: geen hoofdzin met een bijzin, maar een hoofdzin alleen met een sterken klemtoon op het onderwerp. Ofwel moet het werkwoord zijn persoonlijk gebruikt worden met een gezegdezin, die voorloopig door het of ze wordt aangeduid: Hij is het, die u beleedigd heeft; dat is het, wat mij ergert; dat zijn ze, die Wilhelmus blazen; wij zijn het, die het feit ontdekt en belet hebben. De fout is vooral dán ergerlijk, wanneer als gezegde bij het is het persoonlijk voornaamwoord van den eersten of dat van den tweeden persoon enkelvoud, of wel het voornaamwoord van den derden persoon meervoud, staat: ’t is ik, ’t is gij, ’t is zij, navolging van fr. c’est moi, c’est vous, c’est eux, waaraan in zuiver Nederlandsch beantwoord ik ben het, gij zijt het, zij zijn het. In het is hij of zij is de fout minder aanstootelijk, daar de persoon van het werkwoord overeenstemt met dien van het gezegde. || Het waren zij, die … de talrijke marmeren beelden uitvoerden die de prachtige kapel der familie Houtappel … versierden, GÉNARD in D. War. N. R. 9, 556 (er wordt vereischt zij waren het die enz.). Het waren voornamelijk Duitsche huurlingen, welke dit leger samenstelden, MATHOT, Troebele Tijd 119 (er wordt vereischt dit leger was voornamelijk uit Duitsche huurlingen samengesteld). Men kwam haar vertellen, dat Eduard des nachts laat uitzat, dat hij dan dronken naar huis keerde; … zij geloofde het niet, zij had hem nooit dronken gezien: het was de nijd, die hem betichtte, had zij gedacht, LOVELING, Sophie 48. Het was de baron … die … de aandacht op dat heuglijk feit trok, 153. “Maar, mij dunkt, ’k hoor een doevrend gerucht - en het nadert.” - “’t Is de regen die stort op ’t verdorde gebladert.” - “Vader, neen, want de glans en ’t geruchte komt op; ’t is een reus van een ridder die rijdt in galop, DE GHELDERE, Landlied, 98. Oh! ja, ’t is hij, ik moet ’t niet vragen, 119. “Ach! Pieter” snikte zij, “is ’t gij? - Ik ben uw moeder! - Heb erbarmen! - ” “Dat is te sterk! ’t Is ik!” riep hij, 120. ’t En is uw glans niet die mij lokt, Bedriegelijke wereld, JANSSENS, Ged. 8. Wie klopt daar op de deur: bom, bom? En roept: “’t Is ik, ’t is ik die kom”? 86. ’t Is de Erkentenis die flikkert Om de gunsten van weleer, 204. ’t Is hij, die grijzaard, die den rotsberg af komt dalen, 222. ’t Is een schutsgeest, dien ik noodig heb, GITTENS, Paris, 22. Het zijn vooral de geest, de kleur en de werkwijze van Teniers, die studie en bewondering afeischen, SABBE, Vl. Schilderk. 234 (hier past vooral de geest enz. dwingen bewondering af). Het was intusschen de Staatskerk die de verdiende straf van hare onvaderlandsche handelwijze moest boeten, PRAYON in Versl. Vl. Ac. 1888, 103. ’t Was hij … die in 1809, bij eenen prijskamp te Aalst de bepaling zou gemaakt hebben, dat enz., DE FLOU in Ned. Dicht- en Kunsth. 9, 332. ’t Was Henckel zelf, die den ongelukkigen dichter de reden zijner uitsluiting … aan ’t verstand poogde te brengen, Ald. ’t Zijn de menschen die dat zeggen ’t is ik niet, V. HAUTE, Arke v. Noe 19. ’t Is zij die mij zoo ver gebracht hebben, 31.
– Het bovenstaande geldt ook, wanneer de bijzin ingeleid wordt door dat: in het Fransch zegt men c’est demain qu’aura lieu la fête, wat in ’t Nederlandsch niet luidt het is morgen dat het feest plaats heeft, maar mórgen heeft het feest plaats. Men zegt dus ook niet ’t is op hem dat ik de aandacht wil vestigen; maar op hem vestig ik de aandacht. || Het is op dezen uitmuntenden man dat ik eenige oogenblikken de aandacht der Lezers van het Belfort wil roepen, MARTENS in Het Belfort 1894, I, 385. Het is in het museum van Amsterdam dat men het best Jan Steen … kan beoordeelen, GEIREGAT, Holl. Schilderk. 125. Het is in het museum van Amsterdam en te Berlijn, dat men zijne voornaamste werken aantreft, 198. ’t Was dan, dat het grondgebied der bebouwde stad werd uitgezet tot de palen, welke enz., DE POTTER, Gent 1, 64. ’t Was … daar dat de middeleeuwsche vrijer zijn meisje placht te komen vinden, 1, 121. ’t Was eerst in het midden der XVIe eeuw dat men daarmee voor gewone huizen begon en dat de met kleem bestrekene, met stroo gedekte woningen langzamerhand gingen verdwijnen, 1, 144. ’t Is dat ze haast verdwenen zijn, Die droeve kostschooldagen, JANSSENS, Ged. 8. ’t Is daar dat men ’t kasken en ’t schotelken toont, Die enz., 37 (zie ook 164 en 182). ’t Is vooral dank aan de schrandere opzoekingen der … archivisten van Leuven en Brussel, … dat men Bouts’ leven en zijne voornaamste werken heeft leeren kennen, SABBE, Vl. Schilderk. 54. ’t Is te Weenen, dat men best van al den schilder waardeeren kan, 132. De taalstrijd die in Wallis wordt gevoerd, verdient door ons … met oprechte belangstelling gevolgd te worden, en het is met het oog op die omstandigheid dat wij ons veroorloofd hebben de aandacht van ons publiek er op te roepen, PRAYON in Versl. Vl. Ac. 1888, 112. ’t Is dat de zaken, die hier sedert eenigen tijd voorvallen, niet pluis zijn, SEGERS, Gelukkig 95. Het was in deze stad dat hij zijne beste dichtstukken vervaardigde, DE MONT, Bloemlez. 1. Ik durf zelfs beweren, dat de taal niets kan dan in klaarheid winnen, wanneer de uitgangen, welke de betrekkingen moeten uitdrukken, langzamerhand versmelten. Het is overigens wat in onze levende talen steeds gebeurd is en nog dagelijks gebeurt, GITTÉE in De Toekomst 30, 275 (er wordt vereischt dat is overigens in onze levende talen steeds zoo gebeurd en gebeurt nog dagelijks). Het was op deze plaats dat de tweestrijd ging geleverd worden, MILLECAM, Finh. en Lieder. 2, 225. Het was slechts den 5 October 1836, dat van Duyse, te Gent benoemd werd als leeraar in de 6de latina, L. WILLEMS in Nederl. Mus. 37, 137. ’t Is voor mijn dierbaar kind, … dat ik een laatste maal het treurig verleden wil herleven, ALBERT, Liefdezuster 55.

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
zijn (I). - Bij zijn kan in verschillende gevallen een bepaling met aan staan, evenals in het Fransch bij être eene met à. Maar die gevallen zijn begrijpelijkerwijze niet alle dezelfde in de beide talen: aan eene Fransche bepaling met à beantwoordt niet zelden eene Nederlandsche met een ander voorzetsel dan aan, en omgekeerd; of het begrip, dat in ’t Fransch door être à - uitgedrukt wordt, krijgt in onze taal een heel anderen vorm, evenals zijn aan - niet altijd door fr. être à - te vertalen is. Door Zuidnederlandsche schrijvers wordt echter in dezen niet zelden tegen ons taaleigen gezondigd, doordien ze naar het voorbeeld van fr. être à - in het Nederlandsch zijn aan - gebruiken in gevallen waarin dit niet mogelijk is. Être à - beteekent:

10 Met een zaak als onderwerp: het eigendom zijn van iemand, wat niet kan uitgedrukt worden door aan iemand zijn, maar door van iemand zijn. || Alles is aan allen, vrouwen en goederen, maar gelijkvormig aan de voorschriften der rede, GEIREGAT, Maatschapp. Vraagst. 65 (bij DE LAVELEYE in Revue de Belgique 65, 5: Tout est à tous, femmes et biens).
– In een verband als het volgende kan de bedoelde betrekking niet uitgedrukt worden door een bepaling met van, maar door een bezittelijk voornaamwoord: de -, het mijne, onze, uwe enz. || Aan ons die mannen (1) die daar gaan! Aan ons die steen! Wij zullen er een heerlijk beeld uit kappen, in dat beeld een warme ziel en in die ziele wil en krachten blazen! VUYLSTEKE, Ged. 1, 85.

20 Met eene zaak als onderwerp: voor iemand bestemd zijn, dus niet aan iemand zijn, maar voor iemand zijn. || Het koninkrijk Gods, ... waarin zij gelukzalig zullen zijn, die verdrukt zijn geworden uit hoofde der gerechtigheid, want het rijk des hemels is aan hen, GEIREGAT, Maatschapp. Vraagst. 65 (bij DE LAVELEYE in Revue de Belgique 65, 6: car le royaume des cieux sera à eux, in de Nederlandsche bijbelvertaling, Matth. 5, 10: hunner is het koninkrijk der hemelen). Was er dan niet zooveel verschil, als zij waande tusschen haar, de vondelinge, de eenzame, en de overige stervelingen? Ja, aan elk zijne bestemming, aan elk het hem beschoren leed, hoe hard om te verduren ook, LOVELING, D. E. 147 (in dit verband zou men zeggen ja, elk heeft zijn bestemming, elk heeft zijn deel in het leed enz.). Zoo moest het dan gezegd worden dat hier in het Vlaamsche Brugge ... die officiëele Franschmannen, die een der roemrijkste vertegenwoordigers der Vlamingen wilden verheerlijken, dienzelfden Vlamingen toeriepen: Aan ons het licht der zon; - aan u de nacht! V. OYEN, Vonk. en Str. 217.

30 Met een persoon als onderwerp: iemands “man” zijn, hem verkleefd, genegen zijn, hem liefhebben; vandaar de elliptische uitdrukking bien à vous aan het slot van brieven. Dit begrip wordt niet uitgedrukt door zijn aan iemand, maar door zijn met een bezittelijk voornaamwoord als gezegde: ik ben de uwe, de zijne, en aan het slot van brieven, elliptisch: geheel de uwe, niet geheel aan u, nog minder wel aan u, zooals “geletterde” Vlamingen wel eens durven schrijven. || “Aan u tot in den dood!” herhaalde zij weder, LOVELING, D. E. 62. “Aan u voor eeuwig!” zeide zij, 125.
– Ook in de beleefdheidsformule je suis à vous dans un instant, bij wijze van verontschuldiging: ik ben (zooeven) tot uw dienst. Op de volgende plaats is de Fransche uitdrukking letterlijk vertaald. || “Verschoon mij, heer Koning, dat ik, in plaats van u het blijde welkom toe te roepen, u eenige oogenblikken gehoor verzoek ...” - “Ik ben aan u, heer Redbold,” MILLECAM, Finh. en Lieder. 1, 283.
– Hiertoe behoort ook de uitdrukking être aux ordres de quelqu’un, welke in Zuid-Nederland gewoonlijk letterlijk vertaald wordt. Men zegt tot iemands dienst zijn. Zie boven in de eerste afdeeling, II, het artikel Bevel.

(1) Nl. de werklieden die in 1856 vóór koning Leopold I te Gent defileerden, “’t Vlaamsche volk”, dat, zooals bekend is, door den dichter (zie VUYLSTEKE, Ged. 1, 84) vergeleken wordt bij een “grooten, zwaren steen, die onbeweeglijk ligt in moer en dras” enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zijn ‘bestaan’ -> Negerhollands si ‘bestaan’; Berbice-Nederlands da ‘bestaan’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zijn* bestaan 0776-800 [CG II1 Utr. doopbelofte]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bheu-, bheu̯ǝ- (bhu̯ā-, bhu̯ē-) : bhō̆u- : bhū- ursprünglich ‘wachsen, gedeihen’, (wohl = ‘schwellen’), vgl. ai. prábhūta-ḥ mit ai. bhūri-ḥ usw. unter *b(e)u-, bh(e)u- ‘aufblasen, schwellen’, woraus ‘entstehen, werden, sein’, weiters ‘gewohnheitsmäßig wo sein, wohnen’; i̯o/ī-Präsens bhu̯-ii̯ō, bhu̯-ii̯e-si, bhu̯-ī-si usw. als Verbum ‘sein’ suppliert oft das Paradigma von es- ‘sein’; erweiterte Wz. bheu̯ī-, bhu̯ēi-, zahlreiche Nominalbildungen mit den Bed. ‘das Sein, Wesen, Wohnen.. Wohnsitz’, wie bhū̆to-, bhū̆tā, bhū̆ti-, bhū̆tlo-, bhūmen-, bhūlo-, bhūro- usw.

Ai. bhávati ‘ist, ist da, geschieht, gedeiht, wird’ = av. bavaiti ‘wird, entsteht; geschieht; wird sein’, apers. bavatiy ‘wird’; Fut. ai. bhavišyáti, av. būšyeiti Partiz. būšyant- ‘der ins Dasein treten wird’ (letztere = lit. bū́siu, ksl. byšęšteje ‘τὸ μέλλον’, vgl. gr. φύ̄σω); Aor. ai. ábhūt (= gr. ἔφῡ) und bhúvat, Perf. babhū́va, Partiz. Perf. Akt. babhūvā́n, f. babhūvúšī (: gr. πεφυώς, πεφυυῖα, lit. bùvo, aksl. byvati), Inf. bhávitum, Absol. bhūtvā́ (vgl. lit. bū́tų Supinum ‘zu sein’, apr. būton Inf.);
ai. bhūtá-ḥ, av. būta- ‘geworden, seiend, ai. bhūtá-m ‘Wesen’ (: lit. búta ‘gewesen’, aisl. būð f. ‘Wohnung’, russ. bytъ ‘Wesen, Lebensart’; mit gr. φυτόν, air. -both ‘man war’, both f. ‘Hütte’, lit. bùtas ‘Haus’); prá-bhūta-ḥ ‘reichlich, zahlreich’, npers. Inf. būdan ‘sein’;
ai. bhū́ti-ḥ, bhūtí-ḥ f. ‘Sein, Wohlsein, guter Zustand, Gedeihen’ (av. būti- m. ‘Name eines daēva’? = aksl. za-, po-, prě-bytь, russ. bytь, Inf. aksl. byti, lit. bū́ti; mit gr. φύσις).
Pass. ai. bhūyate; kaus. bhāvayati ‘bringt ins Dasein; hegt und pflegt, erfrischt’, Partiz. bhāvita-ḥ auch ‘angenehm erregt, gut gestimmt’ (= aksl. iz-baviti ‘befreien, erlösen’), mit ders. Dehnstufe bhāvá-ḥ ‘Sein, Werden, Zuneigung’ (: russ. za-báva f. ‘Unterhaltung’) neben bhavá-ḥ ‘Entstehung, Wohlfahrt, Heil’;
bhavítram ‘Welt’ (ablaut. mit gr. φύτλᾱ ‘Natur, Geschlecht’ und lit. būklà ‘Wohnung’ usw., und mit germ. *buþla- und *bōþla-, woneben mit Formans -dhlo- čech. bydlo); bhavana-m ‘das Werden; Wohnstätte, Haus (: alb. bane, aber mir. būan ‘standhaft’ aus *bhou-no-), ablaut. bhúvana-m ‘Wesen’;
ai. bhū́- f. ‘Erde, Welt’, bhū́mī, bhū́miḥ-, av. ap. būmī-, npers. būm ‘Erde’, ai. bhū́man- n. ‘Erde, Welt, Sein’ (= gr. φῦμα), bhūmán- m. ‘Fülle, Menge, Reichtum’; pra-bhú-ḥ ‘mächtig, hervorragend’;
s-St. bhaviṣ-ṇu-ḥ ‘werdend, gedeihend’, bhū́ṣati ‘macht gedeihen, stärkt’, bhūṣayati ‘schmückt’, bhūṣana-m ‘Amulett, Schmuck’.
Die ī-Basis *bh(e)u̯ī-, wie es scheint, im ai. bṓbhavīti Intens. und bhávī-tva-ḥ ‘zukünftig’; über iran. bī-Formen s. unten.
Arm. bois, Gen. busoy ‘Schößling, Kraut, Pflanze’, busanim ‘sprieße auf’, ferner vielleicht boin, Gen. bunoi ‘Nest’ (*bheu-no-), schwundstufig bun, Gen. bnoi ‘Stamm’.
Thrak. ON Κασί-βουνον.
Gr. φύω (lesb. φυίω wie osk. fuia, s. unten), ‘zeuge’ (Aor. ἔφυσα), φύομαι ‘werde, wachse’ (vgl. Schwyzer Gr. Gr. I, 686), wohl Neubildungen zum Aor. ἔφῡν ‘wurde’, daneben (Neubildung?) ἐφύην; φυτόν ‘Gewächs, Pflanze, Kind, Geschwür’, φυή ‘Wuchs; Natur, Charakter’, φῦμα n. ‘Gewächs, Geschwür’, φύσις ‘Natur’, φῦλον n. ‘Stamm, Geschlecht, Art’, φῡλή ‘Gemeinde und von ihr gestellte Heeresabteilung’ (: aksl. bylъ, l-Partiz. bylьje); dehnstufiges *bhō[u]lo- vielleicht in φωλεός, φωλειός ‘Schlupfwinkel, Lager wilder Tiere’, φωλεύω ‘schlafe in einer Höhle’, φωλίς ‘ein Seefisch, der sich im Schlamm verbirgt’; aber aisl. bōl n. ‘Lager für Tiere und Menschen’, ist kein von bōl (wohl aus *bōþla) ‘Wohnstätte’ verschiedenes Wort; dazu schwundstufig schwed. mdartl. bylja, bölja ‘kleines Nest’ aus *bulja.
Als 2. Kompos.-glied in ὑπερφυής, ὑπερ-φ[*ϝ]ίαλος. Über φῖτυ s. unten.
Illyr. VN Buni, ON Bοῦννος (: alb. bunë).
Messap. βύριον· οἴκημα, βαυρία· οἰκία Hes. (:ahd. būr);
alb. buj, bûj (*bunjō) ‘wohne, übernachte’, burr, burrë (*buro-) ‘Mann, Ehemann’, banë ‘Wohnung, Aufenthalt, halb verfallenes Haus’ (*bhou̯onā: ai. bhavanam), banoj ‘wohne’; bun(ë) ‘Sennhütte’ (*bhunā); vielleicht auch bōtë ‘Erde, Boden, Welt, Leute’ (*bhu̯ā-tā oder *bhu̯ē-tā).
Lat. fuī (alat. fūī) ‘bin gewesen’ aus *fū-ai, Umgestaltung des alten Aor. *fūm (= gr. ἔ-φῡν, ai. á-bhūt ‘er war’), fu-tūrus ‘künftig’, forem ‘wäre’, fore ‘sein werden’, alat. Konj. fuam, fuat ‘sei’ (*bhuu̯ām; vgl. lit. bùvo ‘war’ aus *bhu-u̯āt), daneben -bam (*bhu̯ām : osk. fu-fans ‘erant’, air. -bā ‘ich war’) in legē-bam usw., vgl. lat.-fal. -bō (aus *bhu̯ō) in amā-bō, alat. venī-bō, fal. pipafþ usw. mit dem ir. b-Futurum (do-rīmiub ‘ich werde aufzählen’ aus *to-rīm-ī-bu̯ō), Intensiv futāvit ‘fuit’;
osk. fu-fans ‘erant’, fu-fens ‘fuērunt’, fusíd = lat. foret, fust (= umbr. fust) ‘erit’ und ‘fuerit’, fuid Konj.-Perf. ‘fuerit’; aber über futír ‘Tochter’ s. Vetter Gl. 29, 235, 242 ff. gegen WH. I 557, 867;
umbr. fust ‘erit’, furent ‘erunt’ (*fuset, *fusent), fefure ‘fuerint’, futu ‘esto’ (fuu̯etōd oder fu-tōd).
Ein i̯o/ī-Präs. zur Wz. *bhū̆- : *bhu̯-ii̯ō liegt vor in lat. fīō, fī̆erī ‘werden, entstehen, erzeugt werden’, das ī statt von fīs, fīt (*bhu̯-ī-si, *bhu̯-ī-ti) bezogen; osk. fiiet (*bhu̯ii̯ent) ‘fiunt’, umbr. fito ‘facta, bona?’, fuia ‘fīat’, fuiest ‘fīet’ (*bhu-i̯ō neben *bhu̯ii̯ō wie in lesb. φυίω, s. oben);
lat. Nominalbildungen nur in dubius ‘zweifelnd, unsicher’ (*du-bhu̯-ii̯o-s ‘doppelgestaltig’, vgl. umbr. di-fue ‘bifidum’ < *du̯i-bhui̯om), probus ‘gut gedeihend, redlich’ (*pro-bhu̯os : ai. pra-bhú-ḥ ‘hervorragend’), osk. am-prufid ‘improbē’, prúfatted ‘probāvit’, umbr. prufe ‘probē’; lat. super-bus ‘hochmütig’.
Über lat. moribundus s. Niedermann Mél. Meillet 104, Benveniste MSL. 34, 189.
Air. baë ‘Nutzen’ (*bhu̯ǝ-i̯om), būan ‘standhaft, gut’ (*bhouno-, dazu cymr. bun ‘Königin, Frau’); mir. baile ‘Heim, Ort’ (*bhu̯ǝ-lii̯o-);
air. buith ‘sein’ (ursprgl. Dat. des ā-St. both < *bhutā = cymr. bod, corn. bos, bret. bout = air. both f. ‘Hütte’, cymr. bod f. ‘Wohnung’: lit. bùtas ‘Haus’; hierzu auch mir. for-baid ‘Grabtuch, Bahre’), Fut. -bīa ‘wird sein’ (= lat. fiat), Prät. 1. Sg. (*bhu̯ām), 3. Sg. boī (*bhōu̯e), Pass. Prät. -both ‘man war’ (*bhu-to-); das Paradigma des Verbum Subst. und der Kopula besteht aus Formen von es- und bheu-, z. B. hat die 1. Sg. Präs. Konj. air. bēu (*bh-esō) den Anlaut von bheu- bezogen;
air. -bīu ‘ich pflege zu sein’, mcymr. bydaf, corn. bethaf, mbret. bezaff ds. (*bhu̯ii̯ō = lat. fīō, daneben *bhu̯ī- in air. bīth, mcymr. bit ‘estō’ = lat. fīt);
gall. PN Vindo-bios (*-bhu̯ii̯os), vgl. cymr. gwyn-fyd ‘Glück’ (‘weiße Welt’, byd), air. su-b(a)e ‘Freude’ (*su-bhu̯ii̯o-), du-b(a)e (du = gr. δυς-) ‘Trauer’;
got. bauan ‘wohnen, bewohnen’, ald bauan ‘ein Leben führen’, gabauan ‘Wohnung aufschlagen’ (*bhōu̯ō, Vokalismus wie in ai. bhāvayati, bhāva-ḥ, slav. baviti), aisl. būa (bjō, būinn) ‘wohnen, instand bringen, ausrüsten’, ags. būan und buw(i)an (būde, gebūen) ‘wohnen, bebauen’ (daneben ags. bōgian, afries. bōgia ‘wohnen’, lautlicher Typus von got. stōja aus *stōwijō und ō als ursprünglichen Vokal stützend), ahd. būan (būta, gibūan) ‘wohnen, bebauen’, nhd. bauen; aisl. byggja ‘an einem Orte wohnen, bebauen, bevölkern’, später ‘erbauen, bauen’ (aus *buwwjan?*bewwjan?); aisl. n. ‘Wohnort, Wirtschaft, Haushalt’, ags. n. ‘Wohnung’ (Pl. by n. vom i-St. *būwi- = aisl. bȳr m. ‘Wohnstätte, Hof’; ähnlich lit. būvis ‘bleibender Aufenthalt’), ahd. , mhd. , Gen. būwes m., selten n. ‘Bestellung des Feldes, Wohnung, Gebäude’, nhd. Bau;
aisl. būð f. ‘Wohnung, Zelt, Hütte’; aschwed. bōþ, mnd. bōde, mhd. buode und būde ‘Hütte, Gezelt’, nhd. Bude (*bhō[u]-tā); mnd. bōdel ‘Vermögen’, bōl ‘Landgut’, ags. bold und botl n. ‘Wohnung, Haus’, *byldan, engl. to build ‘bauen’, afries. bold und bōdel ‘Haus, Hausgerät, Eigentum’ (*bōþla- aus idg. *bhō[u]tlo- und *buþla-, vgl. lit. būklà und westsl. bydlo), ebenso aisl. bōl n. ‘Wohnstätte’ (s. oben auch zu bōl ‘Lager’);
aisl. būr n. ‘Vorratshaus, Frauengemach’, ags. būr m. ‘Hütte, Zimmer’, ahd. būr m. ‘Haus, Käfig’, nhd. (Vogel-)Bauer, wovon ahd. nāhgibūr, ags. nēahgebūr, nhd. Nachbar, engl. neighbour und ahd. gibūr(o), mhd. gebūr(e), dann būr, nhd. Bauer ‘rusticus’;
ags. bēo ‘ich bin’ (*bhu̯ii̯ō = lat. fīō, air. -bīu), daneben bēom, ahd. bim usw. nach *im von *es- ‘sein’, wie ahd. bis(t), ags. bis nach is.
Vielleicht got. bagms, ahd. bōum, ags. bēam ‘Baum’ aus *bhou̯(ǝ)mo- ‘φυτόν’ und aisl. bygg n. ‘Gerste’, as. Gen. PL bewō ‘Saat, Ertrag’, ags. bēow n. ‘Gerste’ (*bewwa-) als ‘Angebautes’.
Lit. bū́ti (lett. bût, apr. boūt) ‘sein’, bū́tų Supin. ‘zu sein’ (apr. būton Inf.), Partiz.bū́tas ‘gewesen’, Fut. bū́siu (lett. bûšu), Prät. bùvo ‘er war’ (vgl. auch buvó-ju, -ti ‘zu sein pflegen’ und aksl. Iter. byvati); Opt. apr. bousai ‘er sei’, Prät. bēi, be ‘er war’ (von einer mit -ēi- erweiterten Basis);
lit. bū̃vis m. ‘Sein, Leben’, buvinė́ti ‘hie und da ein Weilchen bleiben’, apr. buwinait ‘wohnet!’;
lett. bûšana ‘Sein, Wesen, Zustand’, apr. bousennis ‘Stand’; lit. bùtas, apr. (Akk.) buttan ‘Haus’;
lit. būklas (*būtla-) ‘cubile, latebrae ferarum’, pabū̃klas ‘Instrument, Gerät; Erscheinung, Gespenst’, būklà, būklė̃ ‘praesentia, Wohnung’, ostlit. búklė ds. (s. oben; dazu buklùs ‘weise, schlau’);
aksl. byti ‘werden, sein’, lo- Partiz. bylъ ‘gewesen’ (davon bylьje ‘Kraut; Heilkraut’, vgl. zur Bed. φυτόν), Aor. bě ‘war’ (*bhu̯ē-t); Imperf. běaše, Fut. Partiz. ksl. byšęšteje, byšąšteje ‘τὸ μέλλον’, Kondiz. 3. Pl. bǫ (*bhu̯ā-nt), Partiz. za-bъvenъ ‘vergessen’, neben sonstigem Partiz. *byt z. B. in russ. zabýtyj ‘vergessen’, vgl. dazu auch Subst. russ. bytъ ‘Wesen, Lebensart’ u. dgl., apoln. byto ‘Nahrung’, aksl. iz-bytъkъ ‘Überfluß, Rest’ u. dgl., bytьje ‘das Dasein’;
aksl. zabytь ‘Vergessen’, pobytь ‘Sieg’, prěbytь ‘Aufenthalt’, russ. bytь ‘Wesen, Geschöpf; Tatbestand’;
Präs. aksl. bǫdǫ ‘werde, γίγνομαι’, als Fut.: ‘werde sein’ (ob zu lat. Adj. auf -bundus?); Kaus. aksl. izbaviti ‘befreien, erlösen’ u. dgl. (: ai. bhāva-yati, vgl. zum Vokalismus auch got. bauan und aksl. zabava ‘Verweilen, Beschäftigung, Zeitvertreib’); čech. bydlo ‘Aufenthaltsort, Wohnung’, poln. bydło ‘Vieh’ (aus *’Stand, Wohlstand, Habe’).
Vielleicht hierher (Pedersen Toch. 2281) toch. В pyautk-, A pyotk-, AB pyutk- ‘zustande kommen’, med. ‘zustande bringen’.
Von der Basis bh(e)u̯ī-:
npers. Imp. bī-d ‘seid!’; apers. Opt. bī-yāh setzt Wackernagel KZ. 46, 270 = ai. bhū-yā́-ḥ, -t;
gr. φῖτυ n. ‘Keim, Sproß’ = φίτῡμα, φῑτύω ‘erzeuge, säe, pflanze’;
lit. alt. bit(i) ‘ег war’, auch Kondit. 1. Pl. (sùktum-) bime; lett. biju, bija ‘ich, er war’ (lett. bijā- erweitert aus athemat. *bhu̯ī-); ablaut. apr. bēi, s. oben;
aksl. Kondit. 2. 3. Sg. bi ‘wärst, wäre’ (*bhu̯ī-s, *bhu̯ī-t), wozu sekundär 1. Sg. bi-mь mit Primärendung.

WP. II 140 f., WH. I 375 f., 504 f., 557 f., 865, 867, EM. 812 f., 1004 f., Trautmann 40 f., Feist 83 f.
Specht will (KZ. 59, 58 f.) unter Heranziehung von gr. φάος ‘Licht, Heil’ = ai. bhava- ‘Segen, Heil’, φαε-σί-μβροτος usw. unsere Wz. als *bhau̯ǝ-, nicht als *bheu̯ǝ- ansetzen. S. auch oben S. 91.

es- ‘sein’, Kopula und Verbum Substantivum; bildet ursprünglich nur ein duratives Präsens wird daher einzelsprachlich vielfach durch die Wurzel bheu̯ǝ- : bhū- suppliert.

1. Ai. ásmi, ási, ásti, smás, sthá, sánti, av. ahmi, 3. Sg. asti, 3. Pl. hanti, apers. amiy;
arm. em, es, ē;
gr. hom. att. εἰμί (= ẹ̄mi, äol. ἔμμι, dor. ἠμί), εἶ (= ei aus *esi, nur att., hom. εἰς, ἐσσι), ἐστί, εἰμέν (wie εἰμί; att. ἐσμέν wie ἐστέ; dor. ἠμές), ἐστέ, εἰσί (dor. ἐντί), Dual ἐστόν;
venet. est;
alb. jam (*esmi);
lat. sum (durch Einfluß der 1. Pl.), es(s), est (Inchoat. escit, wie gr. ἔσκε), sumus, estis, sunt (Inchoat. escunt); osk. súm, est (íst); umbr. est;
air. (nur als Kopula) am (*esmi), a-t, is, ammi (*esmesi), adi-b, it (*senti, acymr. hint);
got. im, is, ist, 3. Pl. sind (*senti); aisl. em, est (ert), es (er); ags. eom (nach bēom), northumbr. am (*os-m̥), eart (Endung des Präteritopräs.), is; 3. Pl. northumbr. aron (*os-ṇt), usw.;
alit. esmì, (heute esù, dial. esmù) esì, ẽsti, Dual alt und dial. esvà, estaũ und està; lett.esmu (dial. esu), esi usw.; apr. asmai, assai (essei), est (ast);
aksl. jesmь, jesi, jestъ (*esti), jesmъ, jeste, sǫtъ (= lat. sunt); Dual jesvě, jesta, jeste, usw.;
toch. Präs. В 3. Sg. ste, star- (mit Enklitikon), 3. Pl. skente, stare, skentar; Imperf. A 1. Sg. ṣem, 2. Sg. ṣet usw., В ṣai(-), mit Optativformans idg. -oi- (nach Pedersen Tochar. 161 soll auch В nes-, A nas- ‘sein’ die Wurzel es- enthalten, das Präverb n- sei mit der Postposition В neidentisch??);
hitt. e-eš-mi (esmi), 3. Sg. e-eš-zi (eszi), 3. Pl. a-ša-an-zi (asanzi; das as durch Vokalharmonie aus *es-?).
2. Wichtige Übereinstimmungen:
Imperf. ai. ā́sam, ās, ās, bzw. Perf. ā́sa, ā́sitha, ā́sa, Pl. ā́sma, ā́sta, ā́san, Dual. ā́stam, ā́stām: gr. hom. 1. Sg. ἦα, 2. Sg hom. att. ἦσθα, 3. Sg. dor. usw. ἦς, Pl. hom. ἦμεν, ἦτε, ἦσαν, 3. Dual hom. ἤστην; mit ἦσθα vgl. hitt. e-eš-ta (ēsta) ‘war, warst’; themat. 1. Sg. 3. Pl.äol. ἔον (*e-s-om, bzw. *e-s-ont): augmentlos 3. Pl. ai. san, av. hǝn (*sent oder *sont).
Neubildungen scheinen lat. erat (*es-ā-t) = cymr. oedd ‘war’.
Gr. Imperf. ἔσκον, ἔσκε : alat. escit (die Futurbedeutung erinnert an arm. i-c̣em ‘daß ich sei’ aus prothet. *i + s + (s)ke-, Meillet Esquisse 121);
Konjunkt. ved. 2. Sg. ásas(i), 3. Sg. ásat(i): lat. Fut. eris, erit;
Optat. ved. s(i)yā́m; gr. εἴην (das ε von *ἐσμι): lat. Konj. siem, siēs, siet, umbr. sir, sei ‘sīs’, si, sei ‘sit’, sins ‘sint’: ahd. 3. Sg. ;
Imper. 2. Sg. gath.-av. zdī : gr. att. ἴσθι (*es-dhi); 3. Sg. gr. hom. att. ἔστω : lat.estō(d) : osk. estud;
3. Partizipium sent-, sont-, sṇt- ‘seiend’, z. T. mit Entwicklung zu ‘wahr, tatsächlich’, und weiter teils zu ‘gut’, teils zu ‘der wirkliche Täter, der Schuldige’: Ai. sánt- sát- m., n. (f. sat-ī́) ‘seiend, gut, wahr’, av. hant-, hat- ds.;
gr. ἐόντ-, ὄντ-, dor. ἐντ- ‘seiend’ (Schwyzer Gr. Gr. I 473, 525 4, 567, 678), Nom. Pl. τὰ ὄντα ‘Gegenwart, Wahrheit, Besitz’, abgeleitet ουσία, dor. ἐσσία, ὠσία f. ‘Eigentum, Natur, Wirklichkeit’, usw.;
lat. in prae-sēns, -sentis ‘gegenwärtig’, osk. praesentid ‘praesente’, ab-sēns ‘abwesend’; sōns, Gen. sontis ‘schuldig, schädlich’ (vgl. sonticus morbus ‘Epilepsie’?);
urgerm. *sanþa- ‘wahr’ in anord. sannr, saðr, ahd. sand, as. sōð ‘wahr, und ‘wessen Schuld ohne Zweifel steht’, ags. sōð ‘wahr’; daneben tiefstufig germ. *sun(ð)já-z, got. *sunjis ‘wahr’ (sunja ‘Wahrheit’); die eigentliche Bed. noch in bisunjanē ‘ringsum’, ursprüngl. Gen. Pl. ‘der ringsum seienden’ = ai. satyá- ‘wahr, recht’ (*sṇti̯o-), n. ‘Wahrheit’, av. haiθya- ‘wahr, echt’, apers. hašiya- ds.;
mit erhaltenem oder assim. d ahd. suntea, as. sundea, afries. sende, aisl. synð, synd < mnd. sünde, ags. synn f. ‘Sünde, Verbrechen’ (urgerm. *sunðī: *sun(ð)jāz), weiter zu as. ahd. sunnea ‘Hinderung, Not’, aisl. syn ‘Ableugnung’;
apr. Nom. Sg. sins, Dat. Sg. sentismu, alit. Akk. Sg. m. santį, lit. są̃s, sañčio (jünger ẽsąs, ė̃sąs m., ẽsanti f.), lett. esuots ‘seiend’; Gerundium lit. sant;
aksl. sy (: ai. sán), Gen. Sg. m. sǫšta;
hitt. aš-ša-an-za (assanz) ‘seiend’;
to-Partiz. *s-e-tó-, s-o-tó- in gr. ἐτά· ἀληθῆ. ἀγαθά Hes., ἐτάζω ‘prüfe’, ἐτεός, ἐτυμός ‘wahr, wirklich’ und ὅσιος ‘recht, erlaubt, fromm’;
ti-Abstrakta: ai. abhí-ṣti- f. ‘Hilfe’ (abhi-ṣtí- m. ‘Helfer’), av. aiwišti- f. ‘Studium’; ai. úpа-stí- m. ‘Untergebener’ (ai. sv-astí- f. ‘Wohlsein’ wohl ar. Neubildung); vgl. gr. ἐστώ ‘οὐσία’, ἀπεστώ, ἀπεστύς Hes. ‘Abwesenheit’ u. dgl.;
über das vielleicht hierher gehörige gr. ἐσ-θλός ‘tüchtig, gut, glücklich’, dor. ἐσλός, arkad. ἑσλός vgl. Schwyzer Gr. Gr. I 5335, Specht Dekl. 256.

WP. I 160 f., Schwyzer Gr. Gr. I 676 ff., Trautmann 71, usw. esu-s

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal