Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zijl - (waterlozing, sluis)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zijl* [waterlozing, sluis] {in de plaatsnaam in Delfzilen, nu Delfzijl (Groningen) 1303, zijl, zile 1280-1287} middelnederduits, hoogduits Siel [zijl, uit-, afwateringssluis, verlaat], oudfries sīl, vgl. noors, zweeds sil [zeef]; van dezelfde stam als zijgen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zijl znw. m. mnl. sîle v., sijl v. m. ‘waterloop, sluis’ (noordnl.), mnd. sīl m. ‘waterloop, sluis, riool’ (vgl. os. plaatsnaam Gunderekingsil), ofri. sīl m. ‘sluis’, vgl. on. sǐl o. ‘langzaam stromend water’, nnoorw. sila, sela ‘druppelen’, nzw. dial. sīla ‘langzaam stromen’. — miers silid ‘druppelt, stroomt’ en riviernamen als ligur. Silarus, illyr. Silarus, dus l-afl. van de idg. wt. *sei ‘druppelen’ (IEW 889).

Er schijnt geen noodzaak te zijn germ. *sila uit een grondvorm *sihila- te verklaren en dan dus met zijgen te verbinden (FW 821), maar mogelijk is het wel; voert men hiervoor aan oe. seohtre v. ‘afvoerkanaal’ seohhe ‘zeef’, zo kan men anderzijds wijzen op oe. sioloð ‘zee, meer’ en lit. séilė ‘speeksel’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zijl znw., mnl. sîle v., sijl v. m. “waterloop, sluis” (noordndl.). = mnd. sîl m. “id., riool”, reeds os. -sîl o.a. in Gunderekingsîl (wsch. m.), ofri. sîl m. “sluis”, noorw. zw. sil “zeef”, germ. *sîχila- (*sîχilô-). Van de bij zijgen besproken basis. Voor de bet. vgl. ags. seohtre v. “afvoerkanaal”: seohhe v. “zeef”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zijl v., Mnl. sile, Os. sîl + Ndd. siel, Fri. síl, On. síl, dial. Eng. sile: Ug. *sîhil-, bij zijgen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

zile zn. v.: zijl, leidingbuis voor waterdoorvoer onder een dam. Mnl. sile ‘waterleiding, waterloop, afwateringssluis’, Vnnl. sijle, sille ‘waterleiding’ (Kiliaan). Os. sîl ‘sloot’, Mnd. sîl, D. Siel ‘afwateringssluis, verlaat, riool’, Ofri. sîl ‘sluis’. Met l-formans bij het w. zijgen.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

zijl 'uitwateringssluis'
De grondbetekenis van het toponymisch grondwoord zijl, mnl. sîle, ofri. sîl, is 'waterafvoer', uit *sihila, een afleiding bij mnl. mhd. sîen, ohd. sîhan 'zeven, druppelen'. Reeds vroeg komt de betekenis 'uitwateringssluis' voor. De namen met zijl bleven, ook nadat de uitwateringssluis zich had ontwikkeld tot schutsluis. In Groningen en Friesland is zijl altijd de gewone naam voor sluis. Een schutsluis in de binnenwateren noemt men daar echter verlaat. In Holland en Zeeland treft men meermalen in charters de uitdrukking sluisen en zylen aan. Mogelijk waren sluizen groter dan zijlen, of werden met sluizen 'schutsluizen' en met zijlen 'uitwateringssluizen' bedoeld. In de zuidwesthoek van Noord-Brabant had zijl de betekenis van 'grondduiker', met als kenmerkende benaming Ondersijl. Oudste attestaties in plaatsnamen: 1064 vervalst 1e helft 12e eeuw, kopie 12e eeuw Sigeldrith (ligging onbekend, bij Ter Aar), met de variant sigel naast *sihila (grammatische wisseling), 1303 kopie 18e eeuw in Delfzilen (→ Delfzijl). Als waternaam 1204 kopie ca. 1208 Sile voor de Zijl, een waterloop van de Oude Rijn te Leiden naar de Kagerplassen, oorspronkelijk een getijdenkreek die via de Oude Rijn in open verbinding stond met de zee. Het noordelijke deel is rond 1200 gegraven ter afwatering op de Kagerplassen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zijl ‘waterlozing, sluis’ -> Duits Siel ‘uitwateringssluis’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens sil ‘waterlozing, sluis’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zijl* waterlozing, sluis 1280-1287 [Prisma NPl.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal