Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zetten - (plaatsen; (als verkorting van) letterzetten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

zetten ww. ‘plaatsen; (als verkorting van) letterzetten’
Onl. setten ‘plaatsen’ in An sunum satta selitha sina ‘hij zette zijn tent in de zon neer’, ook overdrachtelijk in te setene an herrin gode tohopa min ‘om mijn hoop op de Heer God te stellen’ [beide 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. setten ‘plaatsen’ [1240; Bern.], ook al in diverse overdrachtelijke betekenissen, bijv. in de uastene die inde kerke gesettet sin ‘de vastentijd die in de kerk is vastgesteld’ [1236; VMNW], so salment setten bi scepnen rade al tgoet in ghetrouwe hant ‘dan zal men het hele bezit toevertrouwen aan de handen van de schepenraad’ [1237; VMNW], ende sine naeme in den brief ... te zet[tene] ‘en zijn naam op de brief te zetten’ [1275; VMNW]; vnl. ‘gereed maken om te drukken’ [1567; WNT].
Os. settian (mnd. setten); ohd. sezzen (nhd. setzen); ofri. setta (nfri. sette); oe. settan (ne. set); on. setja (nzw. sätta); got. satjan; < pgm. *satjan-, causatief van *sitjan- < ouder *setjan-, zie → zitten.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zetten* [plaatsen] {oudnederlands settan 901-1000, middelnederlands setten} oudengels settan, oudsaksisch settian, oudhoogduits sezzen, oudfries setta; causatief van zitten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zetten ww., mnl. setten, onfrank. settan, os. settian, ohd. sezzen (nhd. setzen), ofri. setta, oe. settan (ne. set), on. setja, got. satjan. — oiers adsuidi ‘stelt uit, verhindert’ (< *sǒdei̭et); daarnaast met lange stamklinker oi. sādáyati, osl. saditi, lit. sodínti. — Caus. van zitten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zetten ww., mnl. setten. = onfr. settan, ohd. sezzen (nhd. setzen), os. settian, ofri. setta, ags. settan (eng. to set), on. setja, got. satjan “zetten”. Causativum bij zitten. Gevormd als ier. suidim “ik zet”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zetten o.w., Mnl. setten, Onfra. settan, Os. settian + Ohd. sezzen (Mhd. setzen, Nhd. id.), Ags. settan (Eng. to set), Ofri. setta, On. setja (Zw. sätta, De. sætte), Go. satjan: met e = ä factit. van zitten. Van dit Germ. woord komt Fr. saisir = in bezit stellen, enz.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zètte (ww.) zetten; Aajdnederlands setten <901-1000>.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

zetten ww.: slijpen, aanzetten, wetten. De grondbetekenis is ‘in de goede toestand zetten’.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

zetten (zette, heeft gezet), (ook, vaak gevolgd door een plaatsbepaling:) 1. plaatsen i.h.a., leggen, ’doen’, ’stoppen’, opbergen, onderbrengen. Maar zou men een brui-aap () of een pakira* () geschoten hebben en men zou ter plaatse de ingewanden uithalen en op een hoop zetten (Heyde 1978: 43). Zet zout voor die rijst = Doe zout in de rijst. Zet geen zalf op de brandplek, laat dat alles aan de dokter over (A&P 1981b: 23). Zet dat ding in mijn valeis* = Stop dat ding in mijn koffer. Dat dubbeltje zou ik wel zelf erbij zetten (Dobru 1968b: 46). Die witte* jongens hebben veel geld en zetten veel voor de P.D.S. (Petrus Donders Stichting), daarom houdt frater van ze (van Mulier 1972: 66); hier: ’storten’. Wat moest ze in die kast? Kleren, kleren van een dode. Om ze in haar eigen kast te zetten? (Ferrier 1968: 111). Dus als hij Selma tot zijn vrouw wou maken, moest hij haar in huis zetten, en liefst een huis met komfort (Doelwijt 1971: 75). - 2. aanbrengen, bevestigen. Ik zou een roltrap in mijn huis zetten, die zou heten: ’De tweede Surinaamse roltrap’ (Doelwijt 1971: 23). Je moet me dan helpen met die bruinhartbalken voor de winkel. Ik ga toch bruinhart* balken zetten (B. Ooft 1969: 97). - 3. in de plaats zetten, stellen; als plaatsvervanger aanstellen. De vijfde [dienstmeisje] gaat de stoelen en tafels vegen en de zesde gaat de verwelkte bloemen weggooien en betere ervoor zetten, en als één van ons ziek is, ons alles op tijd brengen (Doelwijt 1971: 56). Ik kan niet gaan werken, maar ik heb mijn zusje* gezet (mond.). - Etym.: S poti, E to put, dekken vele van deze bet.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Zetten (Iemand niet kunnen), ook iets; niet kunnen verdragen, uitstaan; eig. geen plaats aan tafel geven. Zeer duidelijk blijkt dit uit Bredero 1. 390: “Ick souw u altesaam hartgrondich noon te feest, Maar mits mijn groot geslacht van vrienden my beletten, Dus neemt dit dan voor lief, want ick mach u niet setten” (N.B. mach = kan).

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

zetten (I) (zich op weg zetten). - Dit is, evenals zich op weg stellen, eene letterlijke vertaling van fr. se mettre en chemin. Men zegt op weg gaan, zich op weg begeven. || Zij (hieven) hun last met eindelooze voorzorgen op en zetten zich op weg naar het kasteel, BUYSSE in Nederland 1894, III, 70. De stoet (zette) zich vroolijk weêr op weg, BUYSSE, Mea Culpa 90.

zetten (II) (zich aan ’t werk zetten). - Dit is, evenals zich aan ’t werk stellen, eene letterlijke vertaling van fr. se mettre au travail. Men zegt aan ’t werk gaan. || Van de zorgen voor het stoffelijke ontlast, kon hij zich met gerusten geest aan het werk zetten, ROOSES, N. Schetsenb. 318. Hij zette zich moedig aan ’t werk, om aan zijne eigene verbetering te werken, TEIRL.-STIJNS, Arm. Vl. 2, 17. Ik gevoelde mij te moede, alsof die oproep tot mij gericht was en heb mij onmiddellijk aan het werk gezet, V. CUYCK in De Toekomst 31, 569. Het woordenboek in de hand, zette ik mij aan het werk, AUSLOOS in De Toekomst 34, 224. Eerst als het (t.w. zijn onderwerp) zoo volkomen rijp is geworden, dat hij de geheele samenstelling … ziet in zijn geest, zet hij (t.w. zeker schilder) zich aan het werk, DE MONT in Elsevier’s Maandschr. 10, 600.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zetten ‘plaatsen, doen zitten’ -> Negerhollands set, sit ‘plaatsen, doen zitten’; Berbice-Nederlands sete ‘plaatsen’; Papiaments zèt ‘het zetten van een zaag (timmermansterm)’.

zetten ‘tekst opmaken om te drukken’ -> Indonesisch sét, zét ‘het zetten, de tekstopmaak’; Papiaments zèt ‘tekst opmaken om te drukken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zetten* plaatsen, doen zitten 0901-1000 [WPs]

zetten* tekst opmaken om te drukken 1567 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1286. De kroon op iets zetten,

d.w.z. iets eervol voltooien (Harreb. I, 452); vgl. het einde kroont het werk, finis coronat opus, fr. la fin couronne l'oeuvre; eng. the end crowns all. Ook in minder gunstigen zin: dit zet er de kroon aan op, dit meet de maat vol, dit ontbrak er nog aan, ‘dit doet de deur dicht’, dat herinnert aan het hd. das setzt der Sache die Krone auf en het fr. couronner qqch., mettre le comble à qqch; couronnement, ce qui met le comble à qqch. (gunstig en ongunstig). Waarschijnlijk is onze uitdr., die eerst in de 19de eeuw wordt aangetroffen, eene navolging van het Fransch en moet kroon worden opgevat als bovenste deel van een gebouw (fr. le couronnement d'un édifice), de voltooiing van een bouwwerk.Dr. Alb. Poutsma wijst mij op het gri. στεφανη en het lat. corona, die beide het bovenste, afsluitende deel van een muur of van iets dergelijks beteekenen; syn. is het gri. θριλκος, kroonlijst en de voleinding van iets, de kroon; θριλκοω, de maat volmeten. Vgl. het eng. to place (or to put) the copestone (or copingstone) to one's handiwork naast to crown, roemrijk voltooien; zie Ndl. Wdb. VIII, 347; Villiers, 69. Vgl. ook het ww. bekronen, tot een gelukkig, eervol einde brengen; de kroon zetten op iets, het toppunt van iets uitmaken; bekroning, de gelukkige voltooiing van iets (Ndl. Wdb. II, 1642).

2342. Iemand in de veiling nemen (of zetten),

d.i. iemand in het ootje nemen; eene dial. uitdrukking, die o.a. te Amsterdam en in Friesland bekend is; vgl. Fri. Wdb. I, 332 b: immen yn 'e feiling nimme; Köster Henke, 71: In de veiling zetten, in de maling nemen; Nkr. II, 18 Oct. p. 4: Daarop werd uw hoofdopzichter zoo kwaad als 'n razende stier, beweerde dat ik hem in de veiling nam; Nkr. V, 17 Juni p. 6: Er zitten socialisten in den Raad van Zaandam, en het was weer één van hen, die Elias (den burgemeester) in de veiling nam; A. Jodenh. 15: As heb ik gedoch, ze neme me in de veiling, allemaal stosj (gekheid); bl. 47: Dan nam de keizer an Mendelshon in de maling, en dan nam Mendelsohn weer 's an keizer in de veiling. Kan de eig. beteekenis zijn iemand verkoopen (waar hij zelf bij staat)? Vgl. eng. to sell a p, iemand beetnemen; Sart. III, 1, 54: Ghy wort verkocht daer ghy by staet, quadrabit ubi quis praesens, videns, audiensque tamen deluditur; Halma, 313: Men zou hem wel verkoopen en leveren, hij is heel onnozel; Marin: Hy zou den ander leveren en verkoopen konnen, il est trop fin, trop rusé pour l'autre; fri. men kin him forkeapje en ôfleverje dêr 't er by is, hij is een sul.

2444. Iemand den voet (dwars)zetten,

d.i. iemand tegenwerken; eig. den voet dwars voor iemands voeten zetten om hem het voortgaan te beletten; lat. alicui pedem opponere; Sedert de 17de eeuw vrij gewoon; vgl. Vondel, Virg. II, 3: Dees heeft alleen, mijn hart en zinnen bewogen, en mijn opzet aan 't slibberen, den voet gezet; bl. 42: Indien dezelve Fortuin my oock den voet niet dwers had gezet; Winschooten, 340: Iemand de voet dwars setten, teegen iemand dwars drijven! en hem soo veel hinderlijk sijn, als moogelijk is; Hooft, Ned. Hist. 150; Brieven, 75: Overmits d'animeusheidt die men te Naarden schijnt genoomen te hebben, om my den voet dwers te zetten; Antonides I, 105: Zoo dra Astrates moet lijden, datmen haer de voeten dwars durf zetten; Paffenr. 6: Eer dat hy ons dan komt de voet ter dwars te setten; Zeeus, Ged. 397: Die Justus, die voorheen Hans Pekbroek wou beletten in zyn geluk en dus den voet hem dwars ging zetten; Van Effen, Spect. IV, 116; Br. v. Abr. Bl. I, 186; Tuinman I, 293; Halma, 737: Iemand den voet dwars zetten, iemand in zyn voorneemen wederstreeven, traverser quelqu'un, traverser ses desseins; Sewel, 202; 902; V. Janus III, 213; Harreb. II, 398 a; fri. immen de foet dwers sette.

2472. Iemand op zijn voorman zetten,

d.i. iemand te recht wijzen; zuidndl. iemand rechtzetten, duchtig onder handen nemen, hem op zijne plaats zetten (fri. immen to plak sette), hem neerzetten (vgl. eng. to give one a settingdown), limb. iemes op zie pêet (paard) zette (Jongeneel, 94), iemand op zijn nummer zetten (zie no. 1657), in zijn hok stouwen (zuidndl.). Onze uitdrukking is ontleend aan de oefeningen der soldaten, waarbij men onder een voorman verstaat dengene, die bij een troep van twee of meer gelederen, vóór een ander staat en hetzelfde nummer heeft; iemand op zijn voorman (of zijn nummer) zetten wil dus eig. zeggen iemand, een soldaat, als hij verkeerd staat, de plaats aanwijzen, die hij in zijn gelid moet innemen; vgl. Handelsblad, 1 Dec. 1913 (avondbl.) p. 5 k. 1: Zoo kwam het dat de jonge Von Forstner, die niet onmiddellijk op zijn voorman gezet werd, zooals het behoorde, aanleiding gaf tot de volgende onaangename gebeurtenissen; Op R. en T. 53: De oudsten hou ik zoet met een praatje, of ik zet ze met een vrindelijk wezen op d'r voorman; Antw. Idiot. 1368: iemand op zijne(n) veurman zetten, hem op zijne plaats zetten, hem harde waarheden zeggen; fri. immen op syn foarman sette; fr. remettre qqn à sa place; hd. jem. den Standpunkt klar machen; einen standpunkten.

2441. Voet bij stuk houden (of zetten),

d.i. blijven bij het onderwerp, waarover men spreekt; niet van de bate wegdraaien, zooals de Westvlamingen zeggenDe Bo, 71 a., niet afwijken van zijn plan; zijn eigen op zijn punt houdenAntw. Idiot. 1007., niet toegeven; ‘zich op de volvoering van zijn eigenlijk opzet toeleggen’ (Weiland). De uitdrukking komt in de 16de eeuw voor bij Kiliaen, met dit verschil, dat hij niet van stuk maar van stek spreekt; vgl. Voet by steck setten, voet by voet setten, collato pede proeliari: gradum conferre cum hoste: conferre manum: ad manus venire. Evenzoo bij Plantijn: Voet by steck setten: mettre pied contre pied; Marnix, Byenc. 16 r: Daer moesten sy voet by steck setten, ende so lange kampen tot dat sy haer vleesch gantsch overwonnen hadden; Huygens V, 57; Hofwijck, vs. 1753: Houdt jy maer voet by steck; Poirters, Mask. 170: Den oprechten toetssteen dan vande waraghtighe, ende goetjonstighe vrinden is teghenspoet; die dan voet by steck houdt die moght ghy vrijlijck voor eenen vrindt teeckenen. In de 18de eeuw geeft Tuinman I, 38 eveneens nog op ‘voet by stek zetten’ met de verklaring ‘Dit acht ik genomen te zyn van die in een tweegevecht voet tegen voet zetten, en niet te rugge wyken van het voorgeschreven perk: gelyk zo de Latijnen zeggen: collato pede pugnare. 't Word overgebragt op ymand die stand houd, en niet deinst in eenige zaak’. Thans nog in Zuidndl. dial. voet bij stek houden, iets niet opgeven (Antw. Idiot. 1391; Waasch Idiot. 626 a; 719 b); Schuermans, 674 b: voet bij stek houden, standvastig volharden, volhouden (Brab. Antw.). Hiernaast komt sedert de 16de eeuw ook voor voet bij stuk (of 't stuk) zetten; vgl. Tijdschrift XXXII, 156: ‘Ten huyze van eenen Thielman soetelaer’ is een ‘root schoorlaeckense galeybrouck’ weggenomen. Genoemde Thielman verklaart ‘dat het Jan van Gent ende Henrick van Diest gedaen hadden ende dat hij deselve voor die man hielt ende voet bij stuck wilde setten (anno 1575); Winschooten, 303: Voet bij 't stuk setten: het welk eigendlijk beteekend, de voet setten bij het geschutVgl. het eng. to stand to one's gun(s); to run away from one's own guns? en dewijl dit als een teeken van onversaagdheid gereekend werd, soo daagd de eene konstaapel den ander wel eens uit: seggende, soo gij een braaf kaarel sijt, en moed en courage hebt, maak niet veel praats! maar set voet bij 't stuk, het welk ook oneigendlijk genoomen werd, voor sijn woord gestand doen; bewijsen met 'er daad, dat men gesprooken heeft; Seven Engelen der Dienstmaagden (anno 1697), bl. 99: Daarom is het best, dat ik weer voet by stuk set; Antonides II, 184: Zet eens voet by stuk; Van Effen, Spect. V, 189: Deze onverwagte verweering deed hem zyne pogingen verdubbelen om my te dwingen voet by stuk te zetten, om regt met my aan 't werk te raken; Rusting, 412; Boere-krakeel, 29: Hy zet 'er pal en voet by 't stuk; Halma, 737: Voet bij 't stuk zetten, toetreeden om iets te doen, eene zaak verdeedigen; voet bij 't stuk houden, wakker strijden; evenzoo bij Sewel, 902; Kmz. 262; Kalv. II, 35; Tuerlinckx, 701: voet bij stäk (stok), voet bij stuk houden; fri. foet by stik hâlde. Dat de oorspronkelijke beteekenis van stuk niet, zooals Winschooten meent, die van een stuk geschut geweest is, bewijst de vorm stek, die op de oudste plaatsen voorkomt, en waaraan ik met Tuinman I, 266 de beteekenis paal, grens, meet zou willen toekennen, zoodat de uitdrukking dan te vergelijken is met zich schrap zetten, in welken zin zij ook door Kiliaen wordt vermeld. Onder invloed van uitdr. als bij zijn stuk blijven, op zijn stuk staan, van zijn stuk zijn en dergelijke kan later stek veranderd zijn in stukDr. J. Prinsen spreekt in Tijdschrift, XXXII, 157 het vermoeden uit dat de uitdr. aan de Oud-Germaansche rechtspractijk is ontleend, en vraagt: Kan het zich plaatsen bij of op een betwist voorwerp niet het symbool zijn geweest, dat men zijn recht erop wilde verdedigen?. Vgl. Kiliaen: stick, sax. j. steck, stipes; Teuth.2 376: stecke, stipes, stilus; Schuerm. 674 b: stek, stok; Bijv. 320: van zijnen stek vallen, van zijn stokje vallen; De Bo, 1094 b: stek, puntige stok; Molema, 401 a: 't Met iemand in 't stek hebben, aan den stok hebben. Steun aan deze verklaring geven het oostfri.: de fôt bi de stok setten, syn. van de fôt bi 't mâl (merkzeichen) holden (Ten Doornk. Koolm. I, 547 b; Grimm IV, 980); Molema, 258 b: Vout bie de meet hollen (fri. foet by de miet hâlde, zich aan orde en regel houden); Halma, 258: Zijne keep houden, soutenir sa thèse; Sewel, 382: Ik hou keep, ik blyf by myn stuk; bij Rusting, 566: keep geven, toegeven; Weiland: hij houdt zijne keep, hij staat op zijn stuk; V.d. Water, 93; Bouman, 51; Ndl. Wdb. VII, 1956; afrik. jy moet voet by stuk hou. Zie no. 2029.

2643. Iemand (of iets) niet kunnen zetten,

iemand of iets niet kunnen verdragen, hem niet kunnen rooienJord. 72: Alleen de kinderen van haar eersten man, die zou hij niet kunnen rooien, dat losgeklopte gebroed; vgl. Boekenoogen, 855: Rooien, het met iemand kunnen klaarspelen, het goed met hem kunnen vinden; fri. ik kin 't mei heit net roaije, ik kan 't met vader niet vinden., niet weten waar men met hem heen moet; eig. iemand niet kunnen of willen ontvangen, iemand geen plaats aan zijn tafel gunnen? Vgl. Molema, 241: Iemand letten en zetten, iemand met zorg bedienen; fri. immen lette en sette, met voorkomendheid en vriendelijkheid ontvangen; Bredero I, 390, vs. 2734:

 Ick souw u altesaam hartgrondich noon te feest,
 Maar mits mijn groot geslacht van vrienden my beletten,
 Dus neemt dit dan voor lief, want ick mach u niet setten.

In de 17de eeuw reeds vrij gewoon; vgl. V. Avant. 142: En nademaal hy my byzonder wel zetten mogt, zei hy my hoe dat Rozante hem in 't oor had gebeten, om zig in dat naastgelegen vertrekje te begeven; Phil. 29: Ik wou niet, dat ik in jou schoenen stak, hoe zeer ik je ook mag zetten; Sewel, 987: Zy mogt hem niet zetten, zy hield niet van hem, she could not abide him; Halma, 807: Zij mogt hem gansch niet zetten, zij mogt hem niet dulden; C. Wildsch. VI, 39: Hoewel ik altoos zulke menschen wel zetten mogt; Harreb. III, 87: Hij mag hem nog al zetten, hij is hem goed gezind: hij geeft hem eene plaats in zijne genegenheid; P.K. 118; Kalv. I, 46; Dukro, 117: Niet zetten kan ze de gedachte dat Dukro 't is, die haar liefdegeluk dreigt te verstoren; Boefje, 84; Gids, 1914, 3 bl. 435: Den volgenden morgen, aan het ontbijt kon men hem (Hildebrand) in zijn ‘robe de chambre’ ook nog zeer goed zetten; Kalv. I, 136: Ik kan dien kerel niet goed zetten; bl. 46: Hij kon het niet zetten, dat de oudste zoon van hem niet zou worden dokter of advocaat; Nkr. III, 9 Mei p. 6: Wij willen niet die sociale wetten, al wat naar dwang ruikt kunnen wij niet zetten; Kunstl. II, 282: Zie je nou niet dat Maurice je gedaas niet zetten kan?; Menschenw. 34; 144: Omdat ze 't niet zetten kon, dat d'r man zoo uitgemaakt werd; Het Volk, 15 Febr. 1915 p. 1 k. 1: De ‘Nieuwe Haarl. Crt.’ kan het niet zetten, dat er van socialistische zijde iets voor den vrede wordt gedaan; enz.; Van Schothorst, 231; fri. ik kin dy flaeyer net sette, niet verdragen. Syn. iets kunnen plaatsen, billijken, zetten.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

sed- ‘sitzen’, ursprüngl. nur aoristisch, punktuell ‘sich setzen’ (ai.), später als duratives Zustandsverb mit ē-Suffix ‘sitzen’ (lat. germ. balto-slav.), sed-to- ‘gesessen’, Subst. ‘Sitz’; sed-ter- ‘der Sitzer’, sed-ti- ‘das Sitzen’, sed-lo-m, sed-lā, sed-ro-m, sed-rā, sē̆dos- n., sodi̯o-m ‘Sitz’

1. Ai. sad- (sátsi, ásadat, Pf. sasā́da, sēdimá, sēdivás-, vgl. av. hazdyā-t Opt.);
av. ap. had- (mit Präverbien) ‘sich setzen’ (nišaŋhasti für *nišasti); Kaus. (dehnstufig) ai. sādayati ‘setzt’, av. ni-šāδayeiti ‘läßt niedersitzen, setzt nieder’, ap. niyašādayam ‘ich setzte’;
arm. nstim ‘sitze, setze mich’ (vielleicht i̯o-Praes. *ni-zdi̯ō); hecanim ‘sitze auf, reite’ (c aus d + aor. -s);
gr. ἕζομαι ‘sitze, setze mich’ (Aor. εἷσα Hom., ἕσσαι Pind.); Kaus. ὁδεῖν, ὁδᾶν ‘verkaufen’, eigentl. ‘setzen’ (Specht KZ. 62, 51);
lat. sedeō, -ēre, sēdi ‘sitzen’ (Präs. auf Grund des ursprüngl. außerpräs. St. sedē-; Perf. aus *se-zd-ai), umbr. sersitu ‘sedētō’, zeřef ‘sedens’, andersesust ‘intersiderit’, lat. sēdō, -āre ‘beruhigen’ (vielleicht = mnd. sāten ‘beruhigen’, Wissmann Nom. postv. 112, 1); air. sa(i)did (*se(i)did), ‘sitzt’, Fut. seiss (*sed-s-ti), adsuidi ‘schiebt auf, verzögert, hält auf’ (Kaus. *sodei̯et; sonst durch Denom. suidigud ‘setzen’ verdrängt); cymr. seddu ‘sitzen’;
aisl. sit, Inf. sitia, as. sittiu, ahd. sizzu ‘sitze’ (= ἕζομαι, πι-έζω; got. sitan ist wohl Umbildung von *sitjan; Praet. sat, sētum), Kaus. got. satjan, aisl. setia, ahd. sezzen ‘setzen’ (*sodei̯ō);
lit. *sė́dmi und sė́džiu, sė́dime (*sēd-), Inf. sėdė́ti ‘sitzen’, Partiz. Perf. sė́dęs (wie apr. sīdons ‘sitzend’, aksl. sědъ), aksl. sěždǫ, sěděti ‘sitzen’; daneben in ačech. seděti (: lat. sedēre); lit. sė́du, sė́sti, lett. sēst (*sēstēi) ‘sich setzen’, aksl. sěsti ds. (Präs. sędǫ, s. unten), Kaus. saditi (*sōdei̯ō) ‘setzen, pflanzen’, lit. sodinù sodìnti ‘setzen, pflanzen’, apr. mit (*ŏ) saddinna ‘stellt’; aksl. sędǫ ‘setze mich’ (Inf. sěsti) beruht auf sekundärer Nasalierung von *sědǫ (= lit. sė́du); auch apr. syndens, sinda(n)ts ‘sitzend’ zeigt Nasalierung; s. Kuiper Nasalpräs. 192 f., wo ai. āsandī́ ‘Sessel’ zu ā́stē ‘sitzt’ (oben S. 342 f.) gestellt wird;
2. Formen mit i-Reduplikation:
ai. sī́dati ‘sitzt’ (für *sīḍati aus redupl. *si-zd-ati, mit Ersatz von durch d nach sad-); av. hiδaiti ‘sitzt’; gr. ἵζω ‘setze’ = lat. sīdō ‘setze mich’ (*si-zdō), umbr. sistu ‘consīditō’, andersistu ‘*intersīditō’ (*si-zd-etōd);
3. Nominalbildungen:
*sed-to- in ai. sattá- ‘gesessen’, av. pasuš-hasta- m. ‘Hürde (*Niederlassung) für Kleinvieh’, lat. ob-sessus usw., aisl. ags. sess m. ‘Sitz’, vgl. auch lit. Partiz. sė́stas und lit. sóstas m. ‘Sessel’, apr. sosto f. ‘Bank’; *sed-ti in ai. satti- ‘das Sitzen’, ní-ṣatti- ‘das Sitzen, Sitz’, av. ni-šasti- ‘Begattung’, lat. sessiō ‘Sitzung’, aus *sessis; ai. sáttar- m. der ‘Sitzer’, lat. ad-, ob-, pos-sessor;
ai. sádas- n. ‘Sitz, Ort, Aufenthalt’, gr. ἕδος n. ‘Sitz’; av. apers. hadiš- ‘Wohnsitz, Palast’ (idg. -ǝs oder -is); dehnstufig aisl. sǣtr (*sātiz) n. ‘Sitz, Sommersitz, Alm’; air. sīd ‘Friede’, ursprüngl. n. es-St., identisch mit sīd n. es-St. ‘Wohnung göttlicher Wesen’ (vgl. engl. settlement);
o-stufig: air. suide n. (*sodi̯om) ‘Sitz, sitzen’ = lat. solium ‘Thron’;
Nomen actionis sē̆d- in: ai. Akk. sádam, Dat. sáde, mit ē-Erweiterung in lat. sēdēs f. ‘Sitz’(sēdibus = lit. Inf. sėdė́-ti: 1 Pl. sė́di-me), umbr. sersi ‘in sēdē’; Nomen agentis als 2. Kompos.-Glied: ai. apsu-ṣád- ‘der in den Wassern wohnt’, av. maiδyōi-šāδǝm (Akk.) ‘der in der Mitte wohnt’; lat. prae-ses ‘Vorsitzender’, dē-ses ‘träge’ = air. deïd ds. (i-Flexion sekundär), zu deëss ‘Trägheit’ (*de-sed-tā); mit lat. subsidium ‘Unterstützung’ vgl. air. fothae m. n. ‘Grundlage’ aus *upo-sodi̯om, zu air. suide;
aisl. set n. ‘erhöhter Boden’, Pl. sjǫt ‘Wohnung’, ags. set n. ‘Sitz, Lager, Stall, Sonnenuntergang’, ahd. sez n. ‘Sitz, Sessel, Gesäß, Belagerung’;
cymr. sedd f. ‘Sitz’ (*sedā); hedd m. ‘Friede’ (*sedos); mbret. hezaff ‘aufhören’, mcorn. hathy ds.; gor-sedd ‘Thron, Hügel’; eistedd ‘Sitzen’, abret. estid ‘sedile’ (*eks-dī-sedo-), gall. essedum, -a ‘zweirädriger Kriegswagen’ (mit *en-, vgl. gr. ἔν-εδρον, ἐν-έδρα ‘Hinterhalt’, air. in-dessid ‘insīdit’; skyth. VN Ἐσσηδόνες);
gr. ἕδρα ‘Sitz’ aisl. setr n. ‘Sitz, Sitzen’:
lok. ἑλλά̄· καθέδρα Hes. = lat. sella (*sed-lā) ‘Stuhl Sessel’, gall. sedlon ‘Sitz’, got. sitls, ags. setl n.; ahd. sezzal m. ‘Sitz, Sessel’ (*sed-lo-); nsorb. sedlo ‘Sitz’; aber aksl. sedlo ‘Sattel’ ist *sedъlo, vgl. aksl. o-sedъlati ‘satteln’, arm. etł ‘Platz, Stelle’ (dazu auchtełi ‘Ort, Stelle’);
as. sethal m. ‘Sitzen, Sitz’, Dat. sedle ‘(zum) Sonnenuntergang’, ahd. sethal, sedal n. m. ‘Sitz, Wohnsitz, Stätte’ (idg. *sétlo- aus *sedtlo); davon ahd. sidilo ‘agricola’, mhd. sidilen ‘siedeln’; germ. *saðulǝ- in: aisl. sǫðull, ags. sadol, ahd. satul, satal ‘Sattel’ ist ostidg. Lw. (?); vgl. oben slav. *sedъlo aus *sedu-lo- n.; daneben (im ar. geneuertes?) *sed-tlom in av. hastra- n. ‘Versammlung’ = ai. sattrá- n. ‘Feier, Fest’.
dehnstufige Bildungen: ai. sādá- m. ‘das Sitzen’, sādín- ‘(aufsitzend =) reitend, Reiter’ (vgl. auch russ. vsádnik ‘Reiter’), aisl. sāt f. ‘Hinterhalt’, ags. sǣt ds., ahd. -sāza (in Ortsnamen) ‘Wohnsitz’, mhd. sāze f. ‘Sitz, Wohnort, Hinterhalt’, i̯o-Adj. aisl. sǣtr ‘zum Sitzen geeignet’, s. oben wovon sǣti u. ‘Sitz, Heuhaufe’ = ahd. gisāzi ‘Sitz, Gesäß’; urbalt. *sōsta- ‘Sitz’ (*sōd-to-) in lit. sóstas m. ‘Sitz’, apr. sosto f. ‘Bank’, vgl. aisl. sess n. ‘Sitz’ oben S. 885; aksl. prě-sěda ‘insidiae’;
mit ō: cymr. hawdd ‘leicht’ = corn. hueth ‘ruhig’ (Loth RC 36, 162);
cymr. sawdd ‘Tiefe, Absinken’;
aisl. ags. sōt ‘Ruß’ (‘Angesetztes’);
lit. súodžiai Pl., lett. suõdrẽji ‘Ruß’, bulg. sážda f., čech. sáze (*sōdi̯o-) unklar air. sūide f., cymr. huddygl, bret. huzel ‘Ruß’; aksl. sadъ ‘Pflanzung’ (*sōdu-);
4. Mehr oder weniger verdunkelte Zusammensetzungen:
ai. nḗdīyas- ‘näher’, nḗdiṣṭha- ‘nächst’ = av. nazdyō adv. ‘(räumlich) näher an-’, nazdišta- ‘der nächste’, av. ašna- Adj. ‘nahe’ (*ō̆-zd-na-, Partiz. Perf. Pass., vgl. vollstufig ai. ā́sanna- ‘nahe’).
ni-zd-os, -оm ‘Nest’ (Präf. ni- ‘nieder’, oder ‘ein-’ als ‘Ort zum Nieder- oder Einsitzen’): ai. nīḍá- m. n. ‘Ruheplatz, Lager’, arm. nist ‘Lage, Sitz, Residenz’, lat. nīdus ‘Nest’, mir. net ‘Nest’, cymr. nyth ‘Nest, Wohnung’, corn. neid, bret. nez, neiz ds., ahd. ags. nest n. ‘Nest’; mit volksetymologischen Umgestaltungen lit. lìzdas, lett. ligzda, aksl. gnězdo ‘Nest’; dasselbe Präfix in ai. niṣīdati ‘setzt sich’, av. nišhiδaiti, ар. niyašādayam, arm. nstim, s. o.;
o-zdos ‘(ansitzender) Zweig, Ast’, s. dort (ozdo-s); auch gr. ὄζος ‘Gefährte, Diener’ aus *o-zdos ‘*Beisitzer’; oder eher zu B. *sed-?
pi-s(e)d- ‘daraufsitzen = drücken’: ai. pīḍayati (*pi-zd-ei̯ō) ‘drückt, unterdrückt, quält’ (Perf. pipīḍḗ; pīḍā ‘Druck, Schmerz’), gr. πιέζω ‘drücke’ (*πι-σεδι̯ω).
B. *sed- in der Bed. ‘gehen’, aus Verbindung mit Präfixen entstanden.
Ai. ā-sad- ‘hintreten, hingehen, gelangen’, ut-sad- ‘sich zur Seite begeben, verschwinden’, av. pazdayeiti ‘verscheucht (macht weggehen’), av. ара-had- ‘sich wegsetzen, ausweichen’, āsnaoiti (*ō-zd-neu-ti) ‘geht heran’ (s. 886 ā̆sna-); gr. ὁδός ‘Weg’, ὁδίτης ‘Wanderer’, ὁδεύω ‘wandere’; aksl. chodъ ‘Gang’, choditi ‘gehen’; ablaut. šьdъ ‘gegangen’; slav. ch- aus idg. s-wohl zunächst hinter pri- und u- entstanden.
Hierher vielleicht als Kompositum mit einem zum Pron. k̑о-, k̑i̯o- (oben S. 609) gehörigen Adv. *k̑i̯e-: av. syazd- ‘zurücktreten vor, aufgeben’, sīždyamnā ‘zurückweichende’, siždyō ‘aufgebend’, sī̆ždra- ‘scheu’ und lat. cēdo (*k̑e-zd-ō) ‘schreite einher; weiche, gebe nach’, sowie necesse ‘notwendig’, falls (?) aus *ne-kezd-ti-s ‘es ist kein Ausweichen’.

WP. II 483 ff., WH. II 507 ff., 511, EM2 917 ff., Trautmann 248, 258 ff., 273.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal