Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zet - (het zetten)

Etymologische (standaard)werken

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zet znw., niet bij Kil. vermeld. Van zetten. Mnl. misschien reeds in speciale technische bet.: “hoeveelheid die tegelijk getapt wordt” e.dgl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zet m., verbaalabstr. van zetten; in de bet. achterste (in zetpil) = Ug. *satj-, van den stam van ʼt enk. imp. van zitten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

zat, zn.: ijzeren balkje; fitheid. Het Duitse woord Satz van het ww. sitzen, overg. setzen; Ndl. zet.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

zet, zit (DB), zn. o.: zitvlak, aars. Mnl. zet ‘aars, achterste’, Vroegnnl. set ‘culus, anus’ (Kiliaan). Verbaalsubstantief < zetten, zitten. Deze bet. schuilt nog in Ndl. zetpil.

Thematische woordenboeken

A. Moortgat (1925), Germanismen in het Nederlandsch, Gent

zet. ― Hieronder wordt het woord zet, onder den invloed van D. Satz, verkeerdelijk gebezigd voor zin, volzin. Die beteekenis heeft het Nederlandsch woord niet en ook nooit gehad.
|| Zoo zult gij insgelijks weldra van zelf gevoelen, dat bovenmate lange zetten en alleenspraken in een tooneelstuk niet passen, en dat de bewoording in sommige toestanden, - in gespannen toestanden bovenal, - niet te kort, niet te rasch kan wezen, Sleeckx, Literatuur en Kunst, I, 9.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zet ‘beweging in schaak- en damspel; berekening, tactiek’ -> Indonesisch sét ‘beweging in schaakspel’; Jakartaans-Maleis sèt ‘berekening, tactiek’; Sranantongo sèt ‘beweging in schaak- en damspel’.

Dateringen of neologismen

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

zet: aan — zijn, aan de beurt zijn om te handelen. Deze uitdrukking, die in de jaren tachtig populair werd, komt uit het schaak- en damjargon. Meermaals gehoord op de radio.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal