Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zeldzaam - (niet veel voorkomend; buitengewoon)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

zeldzaam bn. ‘niet veel voorkomend; buitengewoon’
Mnl. selsene ‘weinig voorkomend, ongewoon, vreemd, wonderlijk’ [1240; Bern.], in Want het es selsene ende schone ‘want het (verhaal) is wonderlijk en mooi’ [1265-70; VMNW selsiene], ook selsane, selsiene, selsame in Dat god veruullede te hand. Met selsanen beesten dat land ‘dat God het land onmiddellijk voorzag van wonderlijke dieren’, Met hem voerdi vele das. Dat selsiene in dat lant was ‘hij bracht veel met zich mee wat in dat land bijzonder was’ [beide 1285; VMNW selsiene], alsene percheuael ... in sin[e] wapen saghen riden dochtet den vrouwen selsame ‘toen ze Parcifal in zijn wapenuitrusting zagen rijden, vonden de vrouwen dat wonderlijk’ [1276-1300; CG II], Eynen slotel ... Van syluer die seltsem was ‘een sleutel van zilver, die kostbaar was’ [1450-1500; MNW-R]; vnnl. zeldzaem ‘weinig voorkomend; wonderlijk, buitengewoon’ [1546; Naembouck].
Oude samenstelling, waarvan het eerste lid hetzelfde is als het grondwoord van → zelden, en het tweede lid oorspr. is afgeleid van → zien, maar is vervangen door het achtervoegsel → -zaam.
Mnd. selsen, seltsem, seltsam (vanwaar nzw. sällsam); ohd. seltsāni (mhd. seltsæne, nhd. seltsam); nfri. seldsum; oe. seldsīne; ozw. sælsýn (nzw. sällsynt); < pgm. *selda-se(g)wni-, -sē(g)wni- ‘zelden zichtbaar, zeldzaam’. On. sjaldsénn ‘zelden gezien, zeldzaam’ heeft een verl.deelw. als tweede lid.
Deze en andere samenstellingen en afleidingen met pgm. *-se(g)wni- ‘zichtbaar’ (zie Heidermanns 1993, 473-474) zijn gevormd op basis van het zn. *se(g)wni- ‘uiterlijk, gedaante, aangezicht’, een afleiding met grammatische wisseling van de wortel van *sehwan- ‘zien’.
De gewone Middelnederlandse vorm is selsene, met verzwakte onbeklemtoonde lettergrepen en vereenvoudiging van de medeklinkercluster -lds- > -ls-. Deze vorm kan uit beide bovengenoemde Germaanse reconstructies zijn ontstaan, in het tweede geval via selsane, een Vlaamse variant die nog tot in het begin van de 14e eeuw voorkwam. Doordat de structuur van het woord niet meer begrepen werd, konden volksetymologische vervormingen plaatsvinden: vanaf eind 15e eeuw (met een geïsoleerde attestatie in de 13e) komt een tweede lid -same (-seme, -saem, -zaam enz.) voor onder invloed van de vele bijvoeglijke naamwoorden met het achtervoegsel → -zaam, en vanaf eind 15e eeuw opnieuw een eerste lid selt- (seld-, zeld-) onder invloed van het verwante bijwoord → zelden.
De vorm seldsaem (seltsaem, zeldzaam enz.) verschijnt pas in de 16e eeuw en is toen al snel de meest geaccepteerde variant geworden, mogelijk onder invloed van Hoogduits seltsam ‘merkwaardig, raar, wonderlijk’, dat op dezelfde manier is ontstaan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zeldzaam [schaars] {seltsaem [zeer goed, fraai] ca. 1540; als ‘schaars’ 1556} < hoogduits seltsam [eigenaardig, bijzonder], vgl. oudhoogduits seltsani [prachtig, kostbaar, vreemd, ongewoon, zelden], oudengels seldsiene, oudnoors sjaldsēnn [zelden gezien]. In het middelnl. bestond seltsiene {1285}, een samenstelling van zelden + zien. Doordat de oorspr. betekenis ‘zelden gezien’ niet meer werd herkend, werd het tweede lid geïnterpreteerd als -zaam, vandaar middelnederlands selsane, selsame {1287}.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zeldzaam znw. bijw., mnl. seltsam, selsam, waarin het suffix -zaam jonger is; ontstaan uit sel(t)sien(e), -sen(e), ohd. seltsāni (maar nhd. seltsam), oe. seldsīene, on. sjaldsēnn eig. ‘zelden gezien’. — Zie: zelden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zeldzaam bijv., Mnl. seltsaene, selsiene + Ohd. seltsâni (Mhd. seltsæ̂ne, Nhd. seltsam): het eerste lid vindt men in ʼt adv. zelden, Mhl. selden, Os. selđlîk + Ohd. seltan (Mhd. selten, Nhd. id.), Ags. seldan (Eng. seldom), Ofri. sielden, On. sjaldan (Zw. sällan, De. sjelden), Go. silda-leiks: met de bet. uitgenomen, bij Gr. heleῖn, Oier. selaim = nemen, Os. sellian, Eng. to sell = overdragen, verkoopen. — Het tweede lid *-zaam, Mnl. -siene, Os. sæ̂ne = traag, lui + Mhd. sæ̂ne, Ags. sǽne, On. sýnn = gezien, en is een afl. bij een paar stammen van zien.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zelden schijnt verwant met het Got. silda-leiks = wonderlijk; sildaleikjan = zich verwonderen. Het woord w.d.z.: wonder, vreemd, weinig voorkomende. Verwant is: zeldzaam.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zeldzaam ‘schaars; (verouderd) bijzonder, opmerkelijk, eigenaardig’ -> Zweeds sällsam ‘bijzonder, opmerkelijk, eigenaardig’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zeldzaam schaars 1556 [WNT] <Duits

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

sek-2 ‘bemerken, sehen; zeigen’, ursprüngl. ‘wittern, spüren’ und (jünger) ‘sagen’, identisch mit sek-1.

Gr. ἐνέπω, ἐννέπω (-νν- Ausdruck der metr. Dehnung) ‘sage an, erzähle’ (Imp. ἔννεπε, Impf. ἔννεπε, Fut. ἐνι-σπήσω (*sk-ē-), Aor. ἐνι-σπεῖν, Imp. ἐνί-σπες, ἔνι-σπες, 2. Pl. ἔσπετε aus *ἔν-σπετε), ἄσπετος ‘unsäglich; unsagbar groß, unendlich’, πρόσ-εψις· προσαγόρευσις Hes. (: lat. insectiō), θεσπέσιος ‘wunderbar, göttlich’ (ursprüngl. ‘von der Gottheit geoffenbart’), aus *-σπέ-τιος; θέσπις, θέσπιος ‘Seher, Weissager’ wohl Verkürzung aus θεσπέσιος; θεσπίζω ‘weissage’; ἀσπάζομαι ‘begrüße’ (ἀ- aus “ἐν”); ἀσπάσιος ‘willkommen, erwünscht, erfreut’ (*n̥-σπά-σιος);
lat. īnseque ‘sag an’ (= gr. ἔννεπε), auch īnsece, с verschleppt aus Formen wie: insectiōnēs ‘narrationes’, insexit ‘dixerit’; inquam, inquis, -it ‘sage ich, sagst du, sagt(e) er’ (inquam Konjunktivform *en-skām ‘möcht’ ich sagen’; inquit ursprgl. themat. Aorist *en-ske-t wie ἐνι-σπεῖν);
umbr. prusikurent ‘pronuntiaverint’, sukatu ‘declārātō, pronuntiātō’; k statt p nach Formen mit Entlabialisierung des *k vor s, t;
acymr. hepp, mcymr. heby(r), cymr. eb(e), ebr ‘sagte’, mcymr. hebu ‘sprechen’, go-hebu ‘antworten’, cymr. ‘entsprechen’, mcymr. gwrtheb ‘Antwort’, cymr. ‘Einwand’, corn. gorðeby ‘antworten’; mcymr. dihaereb ‘Sprichwort’ (*dē-ad-pro-sko-), air. ārosc ds. (*ad-pro-sko-); mir. rosc ‘dithyrambische Dichtung’ (*pro-sko-); air. in-coissig (*ind-com-sech- aus *sek-) ‘bezeichnet’, tāsc ‘Anzeige’ (*to-ad-sko-), ēcosc ‘Erscheinung’ (*en-kom-sko-); mcymr. atteb, ncymr. ateb ‘Antwort’ (*ati-sek-), air. aithesc n. ‘Antwort’ (*ati-sku̯-om), con-secha ‘züchtigt’, cosc ‘Strafe’ = cymr. cosp ds. (*kom-sko-m), air. diuschi ‘weckt’ (*di-uss-sechi), air. insce ‘Rede’ (*eni-sku̯-i̯ā), auch air. scēl n. ‘Erzählung’ (*sketlo-n, woraus entlehnt cymr. chwedl usw.); mir. scoth f. ‘Wort’;
ahd. sagen ‘sagen’ (*sokē-), daneben germ. *sagi̯ō < *saʒwi̯ō in as. seggian, mnl. segghen, ags. secgan (engl. say), aisl. segja ds., Abstraktum aisl. ahd. saga ‘Aussage, Erzählung’ (nhd. Sage), ags. sagu f. ds.;
lit. sekù, sèkti ‘narrare’ (= (ἐν)έπω, inseque), sekimas ‘das Erzählen’, sėkmė̃ f. ‘Erzählung, Sage’, sakaũ, sakýti ‘sagen’, pãsaka ‘Märchen’ usw.;
aksl. sočiti ‘anzeigen’, sokъ ‘Anzeiger, Ankläger’, poln. osoka ‘Anklage, Verleumdung’ usw.;
ältere Bedeutung sek- ‘sehen’ und ‘zeigen’ (s. bereits oben ir. in-coissig, tāsc, auch con-secha, cosc wie lat. animadvertere auch ‘rügen’) in: air. rosc m. ‘Auge, Blick’ (*pro-sko-);
got. saiƕan ‘sehen’, aisl. sjā aus sēa, ags. sēon, as. ahd. sehan, nhd. sehen; got. siuns ‘Gesicht, Sehkraft’, aisl. sȳn, sjōn f. ‘Sehen, Sehvermögen, Erscheinung’, ags. sīen, as. siun ‘Sehvermögen, Auge’ aus *se(g)wní; Adj. got. anasiuns, ags. gesīene, aisl. sȳnn ‘sichtbar, ersichtlich’, sȳnast ‘scheinen’ (= ‘sich zeigen’); ahd. (gi)siht ‘das Betrachten, Gesicht, Anblick’, ags. gesiht ds.;
daneben aus dehnstufigem *sē(g)wni-: ahd. selt-sāni, mhd. selt-sǣne ‘selten’ seltsam (aber ags. seldsīene ‘selten’ aus -*sa(g)wni-);
hitt. šakuu̯a- n. Pl. ‘Augen’, šakuu̯āi- ‘sehen’; toch. A šotre, В šotri ‘Zeichen’ (*sek-tr-).

WP. II 477 ff., WH. I 702 f., Trautmann 255, Pedersen Toch. 69.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal