Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zeis - (maaiwerktuig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

zeis zn. ‘maaiwerktuig’
Mnl. seisene ‘maaiwerktuig’ in Si hilt .i. seisene stiue Voer haer liggende op haer knien ‘ze hield vastberaden een zeis voor zich uit, liggend op haar knieën’ [1340-60; MNW-R], geïnterpreteerd als meervoud in IX seysen, snidende an beeden zyden ‘negen zeisen met een snijvlak aan beide zijden’ [1432-68; MNW], seise (ev.) in Als die seise mayt dat hoy ‘zoals de zeis het hooi afmaait’ [1465-85; MNW-R].
De oudste vorm, mnl. seisene is ontwikkeld uit onl. *sagisna (of *segisna) door de klankwettige overgang *-agi-/-egi- > ei als in → dweil. Verzwakking van de eindlettergreep en herinterpretatie van de resulterende vorm mnl. seisen als meervoud leidde tot de vorm seise (nnl. zeis). De enkelvoudsvorm seyssen komt nog tot in de 16e eeuw als hoofdvorm in de woordenboeken voor, naast gewestelijke varianten als seynsen, seyssel, seyne [1599; Kil.]. In dialecten bestaat nu nog de enkelvoudsvorm zeisen.
Os. segisna; ohd. (met nasaalmetathese) segansa (nhd. Sense); nfri. seine; alle ‘zeis’, < pgm. *se/ag-isnō-, *seg-asnō-.
Afleiding van de wortel pie. *sek(H)- ‘snijden’ die ook ten grondslag ligt aan → zaag. Het achtervoegsel komt ook voor in ohd. alansa ‘priem’ < pgm. *alasnō- en in de variant *-isnō- met umlaut in → els 2 ‘gebogen priem’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zeis* [maaiwerktuig] {seisen(e), seinse 1340-1350} oudsaksisch sĕgisna, oudhoogduits sĕgansa; van dezelfde i.-e. stam als zaag.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zeis znw. v. (dial. nog zeisen, zeisem), mnl. seisene, seinse, seine (vgl. dial. zein), os. segisna, ohd. segansa, seginsa, segesna (nhd. sense op dezelfde wijze gevormd als lat. sacena ‘bijl van de pontifices’ (< *sakes-nā) een afl. van de idg. wt. *sek ‘snijden’, waarvoor zie: zaag en zicht 1.

Zie voor de verdeling der vormen van het woord A. M. Gispen-Nijkamp, Taalatlas afl. 1, 13: zeissen, zeissem, zeissel; zeinse, zense ‘in West- en Zeeuws-Vlaanderen’, zeine in Friesland en Noord-Holland; zicht alleen sporadisch. — De vorm zein kan ontstaan zijn uit *segiþnō, vgl. K. Heeroma Driem. BI. 8, 1956, 36-42 en 149-150.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zeis znw., dial. nog zeisen (-em), mnl. seisene (seinse, seine, nog dial. zein; wsch. is door dissimilatie de s verdwenen) v. = ohd. sëgansa, sëginsa, sëgesna (nhd. sense), os. sëgisna v. “zeis”. Verwant met zaag. Vgl. voor formatie en vormontwikkeling els II. Hetzelfde formans ook in got. hlaiwasnos v. mv. “graven”, -isnô- is bij *seʒisnô- blijkbaar secundair naast -asnô-; anders was ohd. os. *sigisna te verwachten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zeis. Voor de formatie vgl. het bij dezelfde basis behorende lat. sacêna (< *sakes-nâ) ‘offerbijl’.
Dezelfde ablautsphase als zeis, maar ander suffix, heeft het synoniem zicht I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zeis v., uit *zegese, waarnevens zeisen uit *zegesne: Os. sagisna + Ohd. segansa (Mhd. segense, Nhd. sense): met -s- en -n- suffix van denz. wortel als zaag.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

sessele, zn.: bijl. Mnl. seisel, seisene ‘zeis’, Vnnl. seyssen, seyssel ‘sikkel, zeis’ (Kiliaan). Os. segisna > Mnl. zeisen(e), Mnd. seyse; Ohd. segansa, seginsa, Mhd. segens(e) > Mdd. seinse, sênse, sense, D. Sense, Zeeuws zeinze. De twee vormen zijn ontstaan door de metathesis van het suffix Germ. -asnô, -isnô. Uit Idg. wortel *sek- ‘snijden’, die we herkennen in Lat. secare ‘snijden’, sacêna ‘offerbijl’ en Ndl. zaag, zicht. De Ndl. vorm zeis omdat zeisen als meervoud werd opgevat.

zenze, zeins, zn.: zeis. D. Sense, Mdd. seinse, sênse, sense, Mnd. seyse door g-syncope uit Ohd. segansa, Mhd. segense, segens. Idg. *sek- ‘snijden’, in Lat. secare ‘snijden’, sacena ‘hak bij de eredienst’.

zesem, zn.: zeis. Br. zeisem, zeisel. Mnl. seisene ‘zeis’, Vnnl. seyssen, seyssel, seynsen ‘zeis’ (Kiliaan). Os. segisna, Ohd. segansa, seginsa, D. Sense. Het woord bevat dezelfde stam als zaag.

zessel, zn.: hakbijl, slagersbijl. Vermoedelijk met verschoven betekenis < Vnnl. seyssel, Br. zeisel ‘zeis’; zie zesem.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

zeisen, zeisem, zeisel, zeisie, zn.: zeis. Mnl. seisene ‘zeis’, Vnnl. seyssen, seyssel, seynsen ‘zeis’ (Kiliaan). Os. segisna, Ohd. segansa, seginsa, D. Sense. Het woord bevat dezelfde stam als zaag.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

zeinze, zense, zinze zn. v.: zeis. Mnl. seisene, sensene, seinse ‘zeis’, Vnnl. syssen, seynsen ‘zeis’ (Kiliaan). Os. segisna > Mnl. zeisen(e), Mnd. seyse; Ohd. segansa, seginsa, Mhd. segens(e) > Mdd. seinse, sênse, sense, D. Sense, Zeeuws zeinze. De twee vormen zijn ontstaan door de metathesis van het suffix Germ. -asnô, -isnô. Uit Idg. wortel *sek- ‘snijden’, die we herkennen in Lat. secare ‘snijden’, sacêna ‘offerbijl’ en Ndl. zaag, zicht. Zie ook zekel. De Ndl. vorm zeis omdat zeisen als meervoud werd opgevat.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

seis s.nw.
Sens.
Uit Ndl. zeis (Mnl. seisene). Ndl. zeis uit ouer, gewestelike zeisen wat verkeerdelik as meervoudsvorm beskou is en die -en gevolglik weggelaat is.
Ndl. zeisen gaan op dieselfde Indo-Europese wortel *seq- 'sny' terug as saag.

sens s.nw.
Werktuig om graan e.d. te maai, bestaande uit 'n lang, gekromde lem aan 'n lang, effens gekromde steel wat in albei hande vasgehou word.
Uit Ndl. seysens (1652 - 1662), 'n wisselvorm aan die Kaap van Ndl. zeis (Mnl. seisene). Ndl. zeis uit ouer, gewestelike zeisen wat verkeerdelik as meervoudsvorm beskou is en die -en gevolglik weggelaat is. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).
Ndl. zeisen gaan op dieselfde Indo-Europese wortel *seq- 'sny' terug as saag.
D. Sense (1477).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

zenze, zeins zeis (West-Zuid-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen, Zuidoost-Limburg). = hgd. sense ‘id.’, door metathesis ‹ zeisen dat een voorvorm van zeis is. Van een wortel die in lat. secare ‘snijden’ aanwezig is en ‘snijden’ betekent.
DB VIII 36 -42.

zinksen zeis (Vlaanderen). = zenze ↑.
DB VIII 36-42.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

ziksem, zinksen, ziksie (DB), zeiksen (K), zn. m./v.: zeis. Mnl. seisene, zeisen, Vroegnnl. seyssen, seynsen, seyssel ‘secula, dens Saturni, falx messoria, fœnaria, fœniseca’ (Kiliaan). Os. segisna ‘zeis’, Ohd. segansa, seginsa, segesna, Mhd. segense, Mdd. seinse, sense, Mnd. seyse, D. Sense. Afgeleid van Idg. wortel *sek- ‘snijden’, zoals Ndl. zaag, zicht, sikkel, Lat. secare snijden’, sacena ‘bijl van de pontifex’. De vormen op -en zijn dus oorspronkelijk; de Ndl. vorm zeis ontstond uit zeisen, omdat die vorm als meervoud werd aangevoeld. De Wvl. vormen met -k- wellicht door contaminatie met zikkel ‘sikkel’, dat ook ‘zeis’ betekend heeft.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sens: bep. snywerktuig (groter as sekel, q.v.), naas seis (wsk. nog net fig.); Ndl. zeis (Mnl. o.a. seisene/seine/sensene, by Kil o.a. sende/seyne, by vRieb seysens, dial. Ndl. zen/zende by Boek ZV 1253-4, en zeinze/zenze by Kloe HGA 204-5 m. kaart), Hd. sense, hou verb. m. Lat. secāre, “sny”; v. saag en sekel.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Zeis, dial, nog zeisen en zenze, mnl, seisene, seinse, seine. Ohd. sëgansa, sëginsa, segesna, nhd. Sense, os. sëgisna. Stam verwant met die van zagen, lat. secare = snijden.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zeis, verkort uit zagese (age wordt ei, vgl. maged = meid), en alzoo familie van zaag, als afl. van seg = snijden (zie Zaag). Ook zicht (= zeis) is hiervan afgeleid.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zeis ‘maaiwerktuig’ -> Papiaments zeis ‘maaiwerktuig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zeis* maaiwerktuig 1340-1350 [MNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

sē̆k-2 ‘schneiden’, unthemat. Wurzelpräsens, seki̯o-/-ā ‘Haut’; sekīu̯o- n., sekūrā- f. ‘Axt’

Alb. shatë ‘Karst’ (*sekti-);
lat. secō, -āre ‘schneiden, abschneiden’, segmen, segmentum ‘Abschnitt’, secespita ‘Opfermesser’ (Ausgang unerklärt), secīvum ‘libum est, quod secespita secātur’ (: aksl. sěčivo ‘Axt’); secūris ‘Axt’ (: aksl. sekyra ‘Axt’), sēcula ‘Sichel’ (kampanisch); mit Ablaut lat. a:saxum ‘Felsstück’ (vgl. zur Bed. rupes: rumpō, nhd. Schere ‘Klippe’: scheren, zur Form ahd. sahs ‘Messer’, aksl. socha; lat. a scheint Red.-Stufe o neben о in ahd. sahs), vielleicht sacēna, scēna ‘die Haue der Pontifices’ (*sakes-nā); asignae “κρέα μεριζόμενα” (*an-sek-nā), marr. asignas N. Pl. f. ‘non prosectae (carnes)’;
lat. sī̆gnum n. ‘Zeichen, Kennzeichen’, wenn ursprüngl. ‘eingeschnittene Marke’ (?); umbr. prusekatu ‘prōsecātō’, proses̀etir ‘prōsectīs’, aseçeta ‘non secta’, pruseçia ‘prōsiciās’;
mir. tescaid ‘schneidet, beißt’ (*to-eks-sk-), mir. ēiscid ‘haut ab’ (*in-sek-); mir. arasc (*ari-sko-) ‘abgehauener Hals-Stumpf’, airsce (*ari-ski̯o-) ds.; air. se(i)che f. ‘Haut, Fell’ (: aisl. sigg n. ‘harte Haut’ aus *seʒi̯a-); aber ir. sēol ‘Tuch, Segel’, cymr. hwyl ‘Segel’ aus *seglo- (: aisl. ags. segl ‘Segel’ aus *sekló-m) sind wohl germ. Lw.;
cymr. hesg, Sg. hesgen ‘carex’ (von den schneidend scharfen Blättern), acorn. heschen ‘canna, arundo’, bret. hesk (*sek-skā) ‘Schilf mit schneidenden Blättern’, mir. seisc f. ‘Binse’;
ahd. sega, saga, ags. sagu, sage, aisl. sǫg ‘Säge’, ahd. segisna, segansa, nhd. Sense; aisl. segi, sigi m. ‘losgerissenes Fleischstück, Fleischfaser’; aisl. sigðr m., sigð f., ags. sigðe m., mnd. segede, sichte f. ‘Sichel’ (*seketó-); ags. secg f. ‘Schwert’ und ‘Riedgras’, mnd. segge ‘Riedgras’; ahd. sahar, nhd. bair. Sac(h)er ds.; aisl. ags. segl, ahd. segal ‘Segel’, as. segal, segela ‘Vorhang’ (*’Tuchstück’; s. oben zu ir. sēol); aisl. sigg n. ‘harte Haut’ (s. oben zu ir. seiche); aisl. sax n. ‘Messer, Schwert’, Pl. sǫx ‘Schere’, ags. seax n. ‘Messer, kurzes Schwert’, ahd. sahs ‘Messer’ (auch in mezzi-ra(h)s, ags. mete-seax ‘Messer’); aisl. sø̄gr ‘losgerissenes Stück, Streifen’; ahd. suoha ‘Egge, Furche’ (Demin. suohili, suoli n.);
lit. į-sē̆kti ‘eingraben’, išsē̆kti ‘sculpere’; aksl. sěkǫ, sěšti ‘schneiden’, sěčivo ‘Axt’ (: lat. secīvum), sekyra ‘Axt’ (woneben *sěkyra in serb. sjekira nach sěkǫ umgestaltet);
unklar, ob hierher lat. sīca ‘Dolch’, sīcīlis ‘Lanzenspitze’; lit. sỹkis ‘Hieb, Mal’, klr. syč in. ‘der nach dem Abbrechen des Astes hinterbleibende Teil des Stammes’, ags. sāgol (*sǝikolo-), m. ‘Stock, Keule’ = mhd. seigel ‘Leitersprosse, Stufe’, mhd. dial. saich ‘Schilf’.

WP. II 474 f., WH. II 459, 484, 504 f., 534 f., Trautmann 255; s. auch (s)k(h)ed-, skēi-, sken-, skēu-6.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal