Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zeem - (honing)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

zeem 2 zn. gewest. ‘honing’
Mnl. seem ‘honing’ [1240; Bern.], i.h.b. ‘ongepijnde honing, het zoetste en vetste van den honing’ zoals in Honich ende zeem [1358; MNW], Olyve honich ende zeem Dat vloyde daer over een ‘olijfhoning en zeemhoning dat vloeide daar te zamen’ [1380-1425; MNW-R]; vnnl. seem-honigh, maeghden-honigh ‘ongepijnde honing’ [1599; Kil.].
Os. sēm ‘nectar, honing’ (mnd. sēm); ohd. seim ‘id.’ (nhd. vero. Seim ‘ongepijnde honing’); on. seimr ‘honingraat’ (nijsl. seimur ‘honing’); < pgm. *saima-. De Nederduitse afleiding semig ‘stroperig’ is in de Hoogduitse standaardtaal als sämig ‘gebonden, smeuïg’ opgenomen.
Mogelijk verwant met: Grieks haĩma ‘bloed’ (zie ook → anemie, → leukemie); Welsh hufen ‘room’; < pie. *seh2imo- (IEW 889), vanuit een gemeenschappelijke betekenis ‘viskeuze vloeistof’. In de betekenis ‘honing’ is het woord, net als → honing zelf, beperkt tot het Germaans. Ontlening aan een voor-Indo-Europese substraattaal is echter weinig waarschijnlijk, aangezien archeologische vondsten erop wijzen, dat de bijencultuur wrsch. pas door de Indo-Europeanen in Noordwest-Europa is geïntroduceerd (Polomé 1986, 669). Voor algemenere Indo-Europese woorden voor ‘honing’ zie → mede 2 en → meeldauw.
Zeem wordt in verscheidene Middelnederlandse teksten in de algemene betekenis ‘honing’ gebruikt, maar in sommige teksten komen de woorden honich (en varianten) en seem naast elkaar voor en heeft seem wrsch. al de specifieke betekenis ‘ongepijnde honing’, d.w.z. ‘de honing die zich vanzelf, zonder persing, uit de honingraten afscheidt en de beste is’. Deze betekenis kreeg het woord in de (Vroeg)nieuwnederlandse standaardtaal. In historische of vakteksten wordt dit nu nog zeemhoning genoemd. Met het verdwijnen van de perstechniek bij de honingbereiding in de 19e en 20e eeuw verouderde ook het woord zeem; in de Vlaamse dialecten is zeem ‘honing’ nog steeds bekend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zeem1* [honing] {seem, zeem [ongepijnde honing] 1201-1250} oudsaksisch sēm, oudhoogduits seim, oudnoors seimr [ook honingraat], waarschijnlijk verwant met zeel en dan met de betekenis ‘weefsel’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zeem 2 znw. o. m. ‘honigzeem’, mnl. seem o. m., os. sēm, ohd. nhd. seim ‘honigzeem’, boerg. *saims ‘stromend bloed’ (Gamillscheg Rom. Germ. 3, 61), on. seimr m. ‘honing, die uit de raat stroomt; honigraat’. — gr. haĩma (< *saimen) ‘bloed’, kymr. hufen ‘room’ (IEW 889) en dan van de idg. wt. *sei ‘druppelen’ waarvoor zie: zeef.

Men heeft ook willen aanknopen aan de wt. *sei ‘binden, strik’, op grond van de bet. ‘honingraat’ van on. seimr en dus te verbinden met ohd. seim ‘band, snoer, draad’, os. simo ‘strik, touw, boei’, on. seimr ‘strik, touw’ (Törnquist PBB 75, 1953, 433; daartegen Heinertz, Studia Neophil. 20, 1948, 103). — Indien men zou mogen uitgaan van ‘dikke vloeistof, die uit de raat vloeit’, dan kan men denken aan de leembrei, die op de vlechtwand gesmeerd wordt; de verbinding van vlechtwand en leem zou zich weerspiegelen in die van raat en honig. Het zou dan denkbaar zijn, dat de beide wortels *sei in den grond met elkaar te verbinden zouden zijn (AEW 468-9).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

honingzeem, honigzeem znw. gew. o. Een reeds mnl. vroeg-mhd. mnd. samenst. Ook reeds on. hunangsseimr m. Zie zeem II.

zeem II (honigzeem) znw. (gew. o.), mnl. seem o. m. = ohd. (nhd.) seim, os. sêm, on. seimr m. “zeem”. Zeer aannemelijk is de combinatie met kymr. hufen “room”, gr. haíma “bloed”. De oorspr. bet. was dan “taaie massa, dikkige vloeistof”: vgl. ook noorw. seima v. “laag van slijm of van een dikke vloeistof”. Onwsch. is de combinatie met gr. haimúl(i)os “vleiend” (oorspr. “zoet”?).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zeem II (honigzeem). On. seimr ook = ‘honigraat’. Mocht deze bet. de oudste zijn — wat geenszins bewezen is —, dan zou men met F.A.Wood MLN. 34, 206 kunnen aansluiten bij de groep van sim en zeel: ospr. bet. ‘het gewevene, gevlochtene’ (vgl. voor die bet. het bij raat genoemde hd. wabe). Zie nog bij sim Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zeem 2 o. (honig), Mnl. seem, Os. sêm + Ohd. seim (Mhd. en Nhd. id.), On. seimr (= honigraat): niet verder na te gaan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

zeem, zn.: stroop. Mnl. seem, zeem ‘het zoetste en vetste van den honing’, Vnnl. zeem van bien ‘honing van bijen’ (Lambrecht), seem, honigh (Kiliaan). Wvl. zeem ‘honing’. Os. sêm, Ohd., D. seim, On. seimr ‘honing, honingraat’. Verwant met zeel ‘touw’ < Idg. *sei- ‘binden, strikken, weven’. Een honingraat doet nl. – zoals een wafel < weven – denken aan iets wat geweven is. De stroperigheid van honing wordt overgedragen op stroop; vgl. D. sämig‘dikkig, smeuïg, gebonden’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

zeem 1 (E, G, W, ZO), zn. m.: honing. Mnl. seem, zeem 'het zoetste en vetste van de honing', Vnnl. zeem van bien 'miel' (Lambrecht), seem, honigh 'mel' (Kiliaan); 1693 dan stryckt sy slechts wat zeem aen de lippen, 1875 de zeem is zoet, maer de bie pikt, Gent (LC). Os. sêm, Ohd., D. seim, On seimr 'honing, honingraat'. Verwant met zeel 'touw' < Idg. *sei- 'binden, strikken, weven'. Een honingraat doet nl. - zoals een wafel < weven - denken aan iets wat geweven is.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

zeem, zn. m.: honing. Mnl. seem, zeem ‘het zoetste en vetste van de honing’, Vroegnnl. zeem van bien ‘miel’ (Lambrecht), seem, honigh ‘mel’ (Kiliaan). Os. sêm, Ohd., D. seim, On. seimr ‘honing, honingraat’. Verwant met zeel ‘touw’ < Idg. *sei- ‘binden, strikken, weven’. Een honingraat doet nl. - zoals een wafel < weven -denken aan iets wat geweven is.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zeem* honing 1240 [Bern.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

sei-, soi- ‘tröpfeln, rinnen, feucht’

Mit l-Formans: FlN: venet. Silis, Silarus, ligur. Silarus, illyr. Silarus (Lukanien), hispan. Sil; mir. silid ‘tropft, fließt, läßt fließen’, teilweise mit sel- ‘sich bewegen’ (s. unter su̯el-) kontaminiert; ags. sioloþ ‘See’; lit. séilė ‘Speichel, Geifer’;
mit m-Formans: cymr. hufen ‘Rahm’ (*soimeno-); ahd. nhd. seim ‘Honigseim’, aisl. seimr ‘Honigscheibe’, ablaut. simi m. ‘Meer’, dän. sima av ‘abträufeln’, westfäl. siǝmern ‘sickern’ (as. *simarōn).

WP. II 464 f.;vielleicht die Grundlage von seik- und seip- ‘ausgießen’.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal