Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zee - (uitgestrektheid zout water)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

zee zn. ‘uitgestrektheid zout water’
Onl. sēo ‘zee’, eerst in de samenstelling sēowalt ‘bos aan de Zuiderzeekust (Gelderland)’, letterlijk ‘Zeewoud’ [793, kopie 901-55; Künzel], dan het simplex in Thie kierit seo an thurrithon ‘(hij,) die zee verandert in droogte’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. see [1240; Bern.]; vnnl. see, zee.
Os. sēo (mnd. ); ohd. , sēo (nhd. See); ofri. (nfri. see); oe. (ne. sea); on. sær, sjór, sjár (nzw. sjö); got. saiws; alle ‘zee, binnenzee, meer’, got. ook ‘moeras’, < pgm. *saiwi-.
Het woord heeft nog geen bruikbare etymologie, en kan om die reden niet met woorden buiten het Germaans verbonden worden. Daarom wordt vaak zonder nader bewijs aangenomen dat dit woord is overgenomen uit een verder onbekende voor-Indo-Europese taal in Noordwest-Europa, waarop ook Fins saivo ‘helder binnenmeer’ en Sami saiva ‘id.’ zouden teruggaan.
In de Oudgermaanse talen betekent het woord zowel ‘zee’ als ‘meer’, maar in de moderne West-Germaanse talen met uitzondering van het Duits is de betekenis ‘meer’ verouderd. In de Noord-Germaanse talen daarentegen is ‘meer’ de gewone betekenis.
Lit.: Ē. Sausverde (1996), ‘Seewörter and Substratum in Germanic, Baltic and Baltic Finno-Ugric Languages’, in: K. Jones e.a. (red.), The Indo-Europeanization of Northern Europe, Washington, 133-147, hier 134-136

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zee* [oceaan] {in de plaatsnaam Enedseae, nu Ens (Flevoland) <793>, oudnederlands seo 901-1000, middelnederlands see [zee, meer]} oudsaksisch, oudhoogduits seo, oudfries , oudengels , oudnoors sær, sjór, gotisch saiws [meer, moeras]; buiten het germ. zijn geen verwanten aangetroffen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zee znw. v., mnl. see m. v. (2de nv. sêwes, later sees) ‘zee’ ook wel ‘meer’, onfrank. sēo, sēu m. ‘mare’, os. sēo m., ohd. sēo m. ‘zee, meer’ (nhd. see m. v.), ofri. m. ‘zee’, oe. m. v. ‘zee, meer’ (ne. sea), on. sær, sjār, sjōr m. ‘zee, meer’, got. saiws m. ‘meer, moeras’. Waarschijnlijk moet men uitgaan van een bet. ‘meer, stilstaand water’, waaruit dan aan de Noordzeekust in het nnl. anglo-fries gebied die van ‘zee’ zou zijn ontstaan (Weisweiler IF 57, 1940, 25-55).

Men pleegt te verbinden met lit. syvas ‘sap’, lett. sīws ‘gier’, gr. aionáō van een idg. wt. *saiwo (Persson UUÅ 1891, 6-7). Een gedwongen verklaring. Even weinig aannemelijk is de verbinding met lat. saevus (H. Kuhn KZ 71, 1954, 149). — De verhouding tot enige fins-oegrische woorden is ook niet duidelijk, vgl. fins saivo ‘heldere plaats in de zee’ en plaatsnamen als Saivitaipale, Sailahti, verder noors-laps saivvā, savja ‘zoetwater, binnenmeer zonder afloop’, dan ‘heilig meer’ > ‘steenidolen aan het strand’ > ‘onderaards wezen’. Men heeft gedacht aan ontlening uit het germ. (Wiklund MO 10, 1916, 45-74), maar ook aan het omgekeerde (Collinder, Fschr. Pipping 1924, 85). — Bij al deze onzekerheid is te overwegen of het woord niet uit een voor-germ. substraattaal ontleend zou kunnen zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zee znw., mnl. see m. v. (o.; gen. sêwes, ook al sees) “zee”, minder vaak “meer”. = onfr. sêo, sêu m. “mare”, ohd. sêo m. “zee, meer” (nhd. see m. v. met gedifferentieerde bet.), os. sêo m. “id.”, ofri. m. “zee”, ags. sæ̂ m. v. “id., meer”, on. sæ̂r, sjâr, sjôr m. “id.”, got. saiws m. “meer, moeras”. Alle etymologieën, die gegeven zijn, zijn vaag en onzeker: 1. met de grondbet. “de beweeglijke” bij lat. saevus “wild, onstuimig, wreed”, waarbij nog gr. aiólos “beweeglijk” gebracht is (zie echter zeer I), — 2. bij gr. aionáō “ik begiet, bevochtig”, lit. sývai “sap”, — 3. met de grondbet. “moerasland” bij ohd. gi-sig m. o. “meer, moeras” en verwanten (zie zijgen): germ. *saiwi- zou dan op *saíʒ-wi- teruggaan. Voor een idg. woord voor “zee” zie meer I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zee v., Mnl. see, Onfra., Os. sêo + Ohd. id. (Mhd. , Nhd. see), Ags. sǽ (Eng. sea), Ofri. , On. sǽr (Zw. sjö, De. ), Go. saiws: Ug. *saigwi-; daarnevens Ohd. ga-sig = meer, moeras en hiermee bij zijgen. De w, auslaut van den stam (zeeuw-) viel in den nom. na vocalisatie weg.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zie (zn.) zee; Aajdnederlands seo <793>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

see: oseaan; Ndl. zee (Mnl. see), Hd. see, Eng. sea, Got. saiws, “meer; moeras”; hoofs. Germ., Idg. verw. onseker.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

Zee (Dode --) (vert. van Grieks Nekrè Thalassa); (Gele --) (vert. van Mandarijn Huang Hai); (Middellandse --) (vert. van Latijn Mediterraneum Mare); (Rode --) (vert. van Arabisch al-baḥr al-aḥmar); (Witte --) (vert. van Russisch Beloje more); (Zwarte --) (vert. van Russisch čërnoje more)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

zee. Mullebrouck (1984) geeft voor Vlaanderen de verwensing loop naar de zee om krabben! De letterlijke betekenis ‘loop naar de zee om krabben te vangen’ is hier niet meer actueel. In plaats daarvan is een emotionele gekomen die haat, minachting, ergernis en vergelijkbare emoties uitdrukt. Omdat men zich ergert aan iemands gedrag wenst men hem ver van zich weg. De betekenis van de verwensing kan omschreven worden met ‘lazer op’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zee ‘oceaan’ -> Javindo see ‘oceaan’; Negerhollands see, zē ‘oceaan’; Berbice-Nederlands sei ‘oceaan’; Sranantongo se ‘oceaan’; Saramakkaans ‘oceaan, meer’; Sarnami zeikánti ‘strand, zeeoever, waterkant’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † ze ‘oceaan’ <via Negerhollands>.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

De zee, de zee klotst voort in eindeloze deining [gevleugeld woord] (1888). Dichter Willem Kloos (1859-1938) publiceert in 1888 het aan Frederik van Eeden opgedragen sonnet ‘Van de zee’, waaruit de beginregel “De Zee, de Zee klotst voort in eindelooze deining” gevleugeld is geworden. Andere bekende regels van Willem Kloos zijn “Ik ween om bloemen in den knop gebroken” en “Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten”.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zee* oceaan 0793 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

138. Een schip (of een wrak) op strand, een baken in zee.

Wanneer een schip ergens gestrand is, dan weet een andere schipper, dat die plaats moet worden vermeden als gevaarlijk. Vandaar wil deze spreekwijze bij overdracht zeggen: men leert zich in acht nemen door het ongeluk van anderen te zien, men spiegelt zich zacht aan een ander. Vader Cats I, 637 a zegt dit in de volgende woorden:

 Een schip, op 't droogh gezeylt, dat is een zeker baken.
 En 't is, na mijn begrijp, geen onvoorsichtigh man,
 Die op eens anders feyl de sijne toomen kan.

Zie ook Smetius, 18: De beste baken in see, is een schip op droogte; Winschooten, 11: Een wrak is een baak in See, dat is, een Schip, dat vergaan is, vermaand de schippers, dat sij haar naarstelijk moeten wagten voor diergelijk ongeval; Tuinman I, 150; Harreb. I, 24 a; Ndl. Wdb. II, 878.

1918. Recht door zee gaan,

d.w.z. niet langs slinksche wegen gaan, geen omwegen gebruiken, eerlijk en oprecht zijn. Zie Winschooten, 244: Regt door see gaan, beteekend oneigendlijk, niemand ontsien: doen soo het behoord; De Brune, Bank. II 177; 302: Een onbewust ghemoed gaet recht ter zee, zonder kromstreken, of om-weghen te ghebruycken; Huygens, Zeestraet, vs. 128: Recht uyt door zee gaen; Tuinman I, 142: Dit zegt men van ymand die geene omwegen, noch kromme strecken gebruikt, maar onbeschroomt, zonder iets te wyken of te myden, doorstreeft; Van Effen, Spect. V, 31: Met een beproeft vriend moet men regt door zee gaan; Harreb. II, 495 a.

2521. Water in zee dragen,

d.w.z. iets brengen, waar er overvloed van is; veelal gebruikt wanneer men rijke menschen nog meer geld bezorgt, vertaling van lat. aquas in mare fundere; hetzelfde als nml. die den riken gevet sijn goet, hi ghietet water in de vloet (Sp. Hist. I6, 52, 61); water in den Rijn draghen (Servilius, 4); sperren in Noorwegen senden (Servilius, 4); turf in 't veen brengenDe Brune, 212: 't Is turven stieren naer de venen; fri. turf yn 't fean bringe.; uilen naar Athene zendenDit uit het Grieksch vertaalde gezegde behoeft zijn oorsprong niet te danken aan de omstandigheid, dat er te Athene vele tempels stonden gewijd aan Pallas Athene, die tot attribuut een uil had, maar kan evengoed ontleend zijn aan het in grooten getale voorkomen van dit dier in de rotsspleten van den Acropolis; Büchmann, 346., lat. ululas Athenas mittere, dat hetzelfde beteekent als in littus harenas fundere; in silvam ligna ferre; poma dare Alcinoo; sidera coelo addere; mlat. Danubio quasi mittat aquam, dat ovi capra lanam; ovis ad capram lanam petitum venit, enz. De uitdr. komt o.a. voor bij Servilius, 7; Sart. I, 2, 54: Ululas Athenas, water in zee dragen, sparren in Noorwegen senden; Spieghel, 295; Hooft, Brieven, 323; Brederoo, II, 13: Soo souwde ick Water in Zee, of Zant in Duyn willen brenghen; Idinau, 304:

 De sulcke water in de zee draghen,
 Die iet toe-bieden, daer 't over-loopt.
 Raedt, rijck-dom, of wijsheydt iemandt toe-iaghen
 Daer 't al af krielt, ghespijst en ghehoopt.
 Wee hem, die den duyvel sijn siele verkoopt.

Zie verder Van Effen, Spect. X, 97; Tuinman I, 229; Adagia, 33: Houdt in den bosch draegen, en water inde Zee, ululas Athenas mittere; Halma, 768: Water in de zee dragen, verlooren arbeid doen, porter de l'eau à la mer, battre l'eau; Harreb. I, 158 a; afrik. water in die see dra; Schuermans, 845 b; Waasch Idiot. 732; Antw. Idiot. 1420: het water naar de zee dragen; Taalgids IV, 259; vgl. het hd. Wasser ins Meer, in die Elbe, Werra, Reuss, Limmat, Donau, in den Rhein, in den Brunnen tragen; Ablasz nach Rom tragen; Adler nach Berlin tragen; fr. porter l'eau à la rivière, à la mer; eng. to cast water into the Thames.

2534. Het water van de zee kan dat niet afwasschen,

gezegd van eene onafwischbare schandvlek; eene schuld die niet weg te nemen is, een smaad, waarvan men zich niet zuiveren kan, een schuld of eene verplichting, waaraan men zich niet kan onttrekken. Vgl. Sart. III, 4, 87: de Zee kan veel afwasschenLaurillard, 77 zoekt den oorsprong dezer zegswijze in den Doop, zoodat de gedachtegang dan deze zou zijn: de Doop neemt vlekken en smetten weg; maar dit is een vlek en een smet, die niet weg te wasschen zou wezen, al doopte men met al het water der zee (vgl. hiermede Ndl. Wdb. I, 1497 en vooral 1808-1809). Oorspronkelijk schijnt zeewater ook gebruikt te zijn bij de symbolieke reiniging der handen (no. 802) en thans bevat het doopwater en wijwater in de Katholieke kerk ook nog zout. Vgl. het gri. θαλαsigma;σα κλυζει παντα τ' ανθρωπων κακα; Sp. Hist., III7, 42, 53: Henen gaet hi ende baet oft water conde afdwaen (afwasschen) sine dorperlike zonde; Sp. der Sond. 14725; Erasmus CCLX; Borchardt, 519.. Eene sedert de 16de eeuw gebruikelijke zegswijze, blijkens Van Lummel, 176:

 Ghy meucht u niet schoon wassen,
 Al hadt ghy al 't water uit der zee.

Verder vindt men ze bij Brederoo III, 28: Betichting, quade lof, die 't water van de zee niemant kan spoelen of; Rodenburgh, 67: Want all' de Zuyder-zee en wascht de vleck niet af; Winschooten, 247: Dat sal hem al het seewaater niet afwassen: dat is, met die huik sal hij al sijn leeven moeten te kerken gaan; Pers, 236 a: Dese schandvlecke soude hun oock al het water van de zee niet konnen afwasschen; Plaiz. Kyv. 52: Eene eerlijke Juffer haar zuiverheid zo bevlekken, dat het water van de zee haar niet heeft konnen reinigen; Vondel, Jos. in Egypte, vs. 1254; Al 't water van den Nijl kan deze gruwelvlecken niet wasschen uit zijn faem; Tuinman I, 14; Sewel 981: Dit zal hem al het zeewater niet afwasschen, all the water of the sea will not cleanse him of that; Harreb. II, 438 a; III, 358 a; Amst. 79: Als je nog langer wacht, moet je dubbel geven; dat wascht 't water van de zee niet af; Nest, 98; Slop, 165: Al 't water van de zee kon hem daarvan niet schoonwasschen; Nkr. III, 14 Nov. p. 5; De Arbeid, 5 Dec. 1914 p. 4 k. 4: Er blijft dus niet anders over dan te bewijzen dat Jensch liegt of anders wascht het water der zee niet af dat zij met de bezittende klasse onder één hoedje heeft gespeeld; afrik. die water van die see kan hom nie skoon was nie. Ook in het Friesch: dat wasket de sé dy net of, daar kom je niet vrij van, nl. iets te doen, vooral te betalen, waarvan men afkeerig is; nd. dat kann uns de Rhin nitt afwasken (Eckart, 431; Jahrb. 38, 161); hd. er kann es mit Seewasser nicht abwaschen (Wander IV, 497).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal