Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zadel - (zitting)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

zadel zn. ‘zitting’
Onl. *sadal mogelijk al in de plaatsnaam Sadalt (met collectief-achtervoegsel) ‘voormalige plaats in West-Vlaanderen’ < ‘zadelvormig stuk land’? [1119; Gysseling 1960]; mnl. sadel ‘zadel’ in Die giene is regte dwas die en part kopen wil inde besiet den bredel inde den sadel ‘hij is werkelijk dwaas die een paard wil kopen en alleen let op breidel en zadel’ [1270-90; VMNW]. Ook in de afleiding, de beroepsnaam zadelaar ‘zadelmaker’; Joh. Zadelara [1224; Debrabandere 2003]; Willem de Zadelere [1266; VMNW].
Os. *sadul in de samenst. saduleri ‘zadelmaker’; ohd. satal (nhd. Sattel); ofri. sadel, sāl (nfri. seal); oe. sadol (ne. saddle); on. söðull (nzw. sadel); < pgm. *sadula- ‘zadel’.
Het woord gaat wrsch. terug op pie. *sod-tló-, een afleiding van de 0-trap van de wortel *sed- van het sterke ww.zitten. De -d- van de stam is weggevallen voor het achtervoegsel -tló-, pie. t werd in deze positie in het pgm. d (of ð). Aangezien de Germanen het zadel pas laat leerden kennen, wordt ook wel gedacht aan een vroege ontlening aan Oudkerkslavisch sedlo ‘zadel’ dat bij dezelfde wortel pie. *sed- ‘zitten’ (IEW 884-87) behoort. Een dergelijke aanname verklaart echter de klinker -a in het Germaanse woord niet.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zadel* [zitting] {sadel(e) 1270-1290} oudhoogduits satal, oudengels sadol, oudnoors sǫdull; behoort bij zitten, evenals latijn sella < ∗sedla [zetel] bij sedēre [zitten].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zadel znw. o. m., mnl. sādel m. v., os. saduleri ‘zadelmaker’, ohd. satal, satul (nhd. sattel), oe. sadol (ne. saddle), on. sǫðull. De grondvorm *saðula (nog bevestigd door het ontleende fins satula) maakt verbinding met zitten niet waarschijnlijk.

Men heeft daarom gedacht aan ontl. uit osl. sedlo, dat wel van idg. *sed ‘zitten’ gevormd is (evenals lat. sella, gr. dial. hella ‘zetel’); men neemt dan aan, dat de Germanen van de ruiterstammen in Rusland op het gebied der rijkunst veel hebben overgenomen (in de tijd van Caesar en Tacitus was het zadel bij de Germanen nog onbekend). — Wil men toch van een germ. woord uitgaan, dan kan men als grondvorm *sod-tlo aannemen (Lidén PBB 15, 1891, 515) en daarbij verwijzen op het abl. *sed-tlom in oi. sattrá- ‘feest’, av. hastra- o. ‘vergadering’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zadel znw. o. m., mnl. sādel m. (v.). = ohd. satal, satul (nhd. sattel), os. *sadul (blijkens saduleri m. “zadelmaker”), ags. sadol (eng. saddle), on. sǫðull m. “zadel”. De bet. wijst op verwantschap met zitten (vgl. ook obg. *sedŭlo “zadel” bij zetel): die zou mogelijk zijn als wij van germ. *saðla- uitgingen en dit uit idg. *sotló- < *sod-tló- afleidden. Evenwel zou men dan germ. *salla- verwachten; ook wijzen de overgeleverde vormen op germ. *saðula-: een bevredigende etymologie bestaat hiervoor niet; zie echter zetel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zadel m., Mnl. sadel, Os. sadul + Ohd. satul (Mhd. satel, Nhd. sattel), Ags. sadol (Eng. saddle), On. sǫđull (Zw. en De. sadel): wel bij Idg. wrt. set bijvorm van wrt. sed (z. zitten en zetel).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

zaal, zn.: zadel. Ook Vlaams en Brabants zale, zaal. Door d-syncope uit Mnl. zadele. Vnnl. zale vanden perde ‘selle’(Lambrecht). Vgl. D. Sattel. Van het ww. zitten. Samenst. zaalruk ‘ingezakte rug van een paard’, vgl. Wvl., Ingw. afl. zaalrugde ‘met ingevallen, ingezakte rug’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

zaal, zn.: zadel. Ook Vlaams zale, zaal. Door d-syncope uit Mnl. zadele. Vnnl. zale vanden perde ‘selle’(Lambrecht). Vgl. D. Sattel. Van het ww. zitten. Samenst. zaalrug ‘ingezakte rug van een paard’, vgl. Wvl., Ingw. afl. zaalrugde ‘met ingevallen, ingezakte rug’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

zaal zn. o.: zadel. Door d-syncope uit zadel. Ook Ovl., naast Wvl. zale. Mnl. zadele. Vnnl. zale vanden perde ‘selle’ (Lambrecht). Vgl. D. Sattel. Van het ww. zitten.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

zale (E, G), zaal (B, W, ZV), zn. v./o.: zadel. Door d-syncope uit Mnl. zadele. Vnnl. zale vanden perde 'selle' (Lambrecht). Vgl. D. Sattel. Van het ww. zitten. Samenst. zalemaker.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2saal s.nw.
1. Sitplek van leer gemaak vir die rug van 'n rydier. 2. Sitplek, soos op 'n fiets of trekker, wat 'n ooreenkoms met 'n saal (2saal 1) vertoon.
In bet. 1 uit Ndl. zaal, 'n verouderde wisselvorm van zadel (1516). In bet. 2 uit Ndl. zadel (1896). Eerste optekeninge in Afr. by Pannevis (1880) in die samestelling saalklap en in Patriotwoordeboek (1902).
D. Sattel (8ste eeu), Eng. saddle (1038).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

zale (B, D, I, K, P, R), zn. v.: zadel (van paard); ook fietszadel (P). Door d-syncope uit Mnl. zadele. Vroegnnl. zale vanden perde ‘selle’ (Lambrecht). Vgl. D. Sattel. Van het ww. zitten. Samenst. zalemaker, zalepeerd.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

za’del (het), (ook:) kapsel bij kroesharige mannen in de vorm van een zadel, d.w.z. bovenop het kortst. Zie BN (121: 50; 1980), waar het woord in een S zin gebruikt wordt.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

saal II: mv. saals, leersetel op rydier, fiets, ens.; Ndl. zadel (Mnl. sadel), Hd. sattel, Eng. saddle, hou verb. m. sit en setel en wsk. m. Lat. sella, “stoel”, Gr. (h)ella, “setel”, en m. Lat. sedēre, “sit”.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zadel (Oudslavisch sedlo)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zadel, van bet Germ. sadula, vermoedelijk ontleend aan ’t Slavisch sedlo en afgeleid van den Germ. wt. sed = zitten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zadel ‘zitting’ -> Fries sadel ‘zitting’; Noord-Sotho sala ‘zitting’ <via Afrikaans>; Tswana sale ‘zitting’ <via Afrikaans>; Xhosa sali ‘zitting’ <via Afrikaans>; Indonesisch sadal, sadel ‘zitting’; Jakartaans-Maleis sadel ‘zitplaats op fiets of betjak’; Javaans sadhel ‘zitting van fiets’; Madoerees sadhēl ‘zitting op paard’; Menadonees sàl ‘zitting’; Creools-Portugees (Ceylon) sadal ‘zitting’; Singalees sädala-ya ‘zitting’; Negerhollands saddel, saël, sael, sal ‘zitting’; Sranantongo sadri, sâdel ‘zitting’; Surinaams-Javaans sadhel ‘zitting’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zadel zitting 1270-1290 [CG I] <Oudslavisch

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2613. Vast in het (of den) zadel zitten,

d.w.z. zeker zijn van zijne positie; ook: zijne zaken goed kennen, kundig zijn, vast zitten, zooals in het land van Aalst gezegd wordt; ontleend aan het tournooispel, en eig. gezegd van een ruiter, dien men niet gemakkelijk uit het zadel licht; Harreb. II. 487; afrik. vas in die saal sit. In het nd. fast in 'n Sadel sitt'n (Eckart, 446); hd. fest im Sattel sitzen en sattelfest sein; fr. être ferme dans les arçons, voet bij stuk houden; être bien en selle; eng. to be quite firm in; fri. fest yn 't seal sitte, vast op zijn plaats, uit een maatschappelijk oogpunt.

2614. Iemand uit het (of den) zadel lichten,

d.w.z. iemand onderkruipen, hem zijn positie doen verliezen; ontleend aan de tournooien, waarin de eene ridder den anderen met zijn speer uit het zadel trachtte te lichten en hem zandruiter maakteZie Winschooten, 218; Lichte Wigger, 20 v; Rusting, 93; Sewel, 978; Halma, 801; hd. Sandreiter. Vgl. no. 2625.; mnl. enen uten ghereide steken; enen afsetten of afsteken. In de 17de eeuw is de uitdrukking vrij gewoon; zie Pers, 349, alwaar zij in letterlijken zin voorkomt naast iemand uit het zadel werpen in figuurlijke beteekenis; ook in obscoenen zin was zij toen zeer gewoon (zie o.a. Brederoo, Klucht v.d. Molenaer, 469); Winschooten, 218: iemand uit de saal ligten, iemand sandruiter maaken; Halma, 799. Vgl. verder Tuinman I, 253; Sewel, 976: Iemand uit den zadel ligten, to supplant or undermine one, to trip up his heels; to throw one down; in V. Janus, 321: iemand uit den zadel wippen; Harreb. II. 487; O.K. 17: Hij had zaken gedaan en een concurrent uit den zadel gelicht; Ndl. Wdb. VIII 1974; afrik. iemand uit die saal lig. Ook in het hd. jemand aus dem Sattel stechen, heben; jemand ausstechen; fr. désarçonner qqn, iemand tot zwijgen brengen; faire perdre les arçons (ou les étriers) à qqn, iemand van zijn stuk brengen.

2615. Iemand (weder) in den zadel zetten (of helpen),

d.i. iemand zijn verloren positie weder doen of helpen innemen, er iemand weêr bovenop helpen; iemands zaken, die verward zijn, weder in orde brengen; hetzelfde als het vroegere een weder te paerdt helpen, in gradum reponere (Sart. I, 4, 51). Vgl. Pers, 963 b: Sebastiaen koningh in Portugal, een wacker man van 25 jaren, vingh een nodeloos oorlogh aen teghen Muley Maluco, koningh van Marocco, om den verdreven koningh Mahomet, die een Moore was, weder in den sadel te helpen; 680 b: Hy hadde machts genoegh gehadt om den koningh te schoppen, en sich selve in den zadel te helpen; 808 b: De Prince van Oragnien, die des Koninghs achtbaerheyt met voeten heeft getrapt, en die sich nu selve in den sadel soeckt te setten; Hooft, Brieven IV, 35: En deze man schijnt niet geschaepen, door dit bedrijf weder in den zadel te raeken, oft werkelijk voordeel te bejaeghen; Halma, 799: Dat zet hem weder in den zadel, cela le remet dans ses affaires; Harreb. II, 487 b; Kippev. II, 212: Ik zal den jongen in 't zaal zetten; afrik. iemand in die saal help; Ten Doornk. Koolm. III, 79 a; hd. wieder in den Sattel kommen; einem in den Sattel helfen, ihn in den Sattel heben; fr. se remettre dans ses arçons; remettre qqn en selle; mettre le pied à l'étrier à qqn (vgl. no. 2443).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

sed- ‘sitzen’, ursprüngl. nur aoristisch, punktuell ‘sich setzen’ (ai.), später als duratives Zustandsverb mit ē-Suffix ‘sitzen’ (lat. germ. balto-slav.), sed-to- ‘gesessen’, Subst. ‘Sitz’; sed-ter- ‘der Sitzer’, sed-ti- ‘das Sitzen’, sed-lo-m, sed-lā, sed-ro-m, sed-rā, sē̆dos- n., sodi̯o-m ‘Sitz’

1. Ai. sad- (sátsi, ásadat, Pf. sasā́da, sēdimá, sēdivás-, vgl. av. hazdyā-t Opt.);
av. ap. had- (mit Präverbien) ‘sich setzen’ (nišaŋhasti für *nišasti); Kaus. (dehnstufig) ai. sādayati ‘setzt’, av. ni-šāδayeiti ‘läßt niedersitzen, setzt nieder’, ap. niyašādayam ‘ich setzte’;
arm. nstim ‘sitze, setze mich’ (vielleicht i̯o-Praes. *ni-zdi̯ō); hecanim ‘sitze auf, reite’ (c aus d + aor. -s);
gr. ἕζομαι ‘sitze, setze mich’ (Aor. εἷσα Hom., ἕσσαι Pind.); Kaus. ὁδεῖν, ὁδᾶν ‘verkaufen’, eigentl. ‘setzen’ (Specht KZ. 62, 51);
lat. sedeō, -ēre, sēdi ‘sitzen’ (Präs. auf Grund des ursprüngl. außerpräs. St. sedē-; Perf. aus *se-zd-ai), umbr. sersitu ‘sedētō’, zeřef ‘sedens’, andersesust ‘intersiderit’, lat. sēdō, -āre ‘beruhigen’ (vielleicht = mnd. sāten ‘beruhigen’, Wissmann Nom. postv. 112, 1); air. sa(i)did (*se(i)did), ‘sitzt’, Fut. seiss (*sed-s-ti), adsuidi ‘schiebt auf, verzögert, hält auf’ (Kaus. *sodei̯et; sonst durch Denom. suidigud ‘setzen’ verdrängt); cymr. seddu ‘sitzen’;
aisl. sit, Inf. sitia, as. sittiu, ahd. sizzu ‘sitze’ (= ἕζομαι, πι-έζω; got. sitan ist wohl Umbildung von *sitjan; Praet. sat, sētum), Kaus. got. satjan, aisl. setia, ahd. sezzen ‘setzen’ (*sodei̯ō);
lit. *sė́dmi und sė́džiu, sė́dime (*sēd-), Inf. sėdė́ti ‘sitzen’, Partiz. Perf. sė́dęs (wie apr. sīdons ‘sitzend’, aksl. sědъ), aksl. sěždǫ, sěděti ‘sitzen’; daneben in ačech. seděti (: lat. sedēre); lit. sė́du, sė́sti, lett. sēst (*sēstēi) ‘sich setzen’, aksl. sěsti ds. (Präs. sędǫ, s. unten), Kaus. saditi (*sōdei̯ō) ‘setzen, pflanzen’, lit. sodinù sodìnti ‘setzen, pflanzen’, apr. mit (*ŏ) saddinna ‘stellt’; aksl. sędǫ ‘setze mich’ (Inf. sěsti) beruht auf sekundärer Nasalierung von *sědǫ (= lit. sė́du); auch apr. syndens, sinda(n)ts ‘sitzend’ zeigt Nasalierung; s. Kuiper Nasalpräs. 192 f., wo ai. āsandī́ ‘Sessel’ zu ā́stē ‘sitzt’ (oben S. 342 f.) gestellt wird;
2. Formen mit i-Reduplikation:
ai. sī́dati ‘sitzt’ (für *sīḍati aus redupl. *si-zd-ati, mit Ersatz von durch d nach sad-); av. hiδaiti ‘sitzt’; gr. ἵζω ‘setze’ = lat. sīdō ‘setze mich’ (*si-zdō), umbr. sistu ‘consīditō’, andersistu ‘*intersīditō’ (*si-zd-etōd);
3. Nominalbildungen:
*sed-to- in ai. sattá- ‘gesessen’, av. pasuš-hasta- m. ‘Hürde (*Niederlassung) für Kleinvieh’, lat. ob-sessus usw., aisl. ags. sess m. ‘Sitz’, vgl. auch lit. Partiz. sė́stas und lit. sóstas m. ‘Sessel’, apr. sosto f. ‘Bank’; *sed-ti in ai. satti- ‘das Sitzen’, ní-ṣatti- ‘das Sitzen, Sitz’, av. ni-šasti- ‘Begattung’, lat. sessiō ‘Sitzung’, aus *sessis; ai. sáttar- m. der ‘Sitzer’, lat. ad-, ob-, pos-sessor;
ai. sádas- n. ‘Sitz, Ort, Aufenthalt’, gr. ἕδος n. ‘Sitz’; av. apers. hadiš- ‘Wohnsitz, Palast’ (idg. -ǝs oder -is); dehnstufig aisl. sǣtr (*sātiz) n. ‘Sitz, Sommersitz, Alm’; air. sīd ‘Friede’, ursprüngl. n. es-St., identisch mit sīd n. es-St. ‘Wohnung göttlicher Wesen’ (vgl. engl. settlement);
o-stufig: air. suide n. (*sodi̯om) ‘Sitz, sitzen’ = lat. solium ‘Thron’;
Nomen actionis sē̆d- in: ai. Akk. sádam, Dat. sáde, mit ē-Erweiterung in lat. sēdēs f. ‘Sitz’(sēdibus = lit. Inf. sėdė́-ti: 1 Pl. sė́di-me), umbr. sersi ‘in sēdē’; Nomen agentis als 2. Kompos.-Glied: ai. apsu-ṣád- ‘der in den Wassern wohnt’, av. maiδyōi-šāδǝm (Akk.) ‘der in der Mitte wohnt’; lat. prae-ses ‘Vorsitzender’, dē-ses ‘träge’ = air. deïd ds. (i-Flexion sekundär), zu deëss ‘Trägheit’ (*de-sed-tā); mit lat. subsidium ‘Unterstützung’ vgl. air. fothae m. n. ‘Grundlage’ aus *upo-sodi̯om, zu air. suide;
aisl. set n. ‘erhöhter Boden’, Pl. sjǫt ‘Wohnung’, ags. set n. ‘Sitz, Lager, Stall, Sonnenuntergang’, ahd. sez n. ‘Sitz, Sessel, Gesäß, Belagerung’;
cymr. sedd f. ‘Sitz’ (*sedā); hedd m. ‘Friede’ (*sedos); mbret. hezaff ‘aufhören’, mcorn. hathy ds.; gor-sedd ‘Thron, Hügel’; eistedd ‘Sitzen’, abret. estid ‘sedile’ (*eks-dī-sedo-), gall. essedum, -a ‘zweirädriger Kriegswagen’ (mit *en-, vgl. gr. ἔν-εδρον, ἐν-έδρα ‘Hinterhalt’, air. in-dessid ‘insīdit’; skyth. VN Ἐσσηδόνες);
gr. ἕδρα ‘Sitz’ aisl. setr n. ‘Sitz, Sitzen’:
lok. ἑλλά̄· καθέδρα Hes. = lat. sella (*sed-lā) ‘Stuhl Sessel’, gall. sedlon ‘Sitz’, got. sitls, ags. setl n.; ahd. sezzal m. ‘Sitz, Sessel’ (*sed-lo-); nsorb. sedlo ‘Sitz’; aber aksl. sedlo ‘Sattel’ ist *sedъlo, vgl. aksl. o-sedъlati ‘satteln’, arm. etł ‘Platz, Stelle’ (dazu auchtełi ‘Ort, Stelle’);
as. sethal m. ‘Sitzen, Sitz’, Dat. sedle ‘(zum) Sonnenuntergang’, ahd. sethal, sedal n. m. ‘Sitz, Wohnsitz, Stätte’ (idg. *sétlo- aus *sedtlo); davon ahd. sidilo ‘agricola’, mhd. sidilen ‘siedeln’; germ. *saðulǝ- in: aisl. sǫðull, ags. sadol, ahd. satul, satal ‘Sattel’ ist ostidg. Lw. (?); vgl. oben slav. *sedъlo aus *sedu-lo- n.; daneben (im ar. geneuertes?) *sed-tlom in av. hastra- n. ‘Versammlung’ = ai. sattrá- n. ‘Feier, Fest’.
dehnstufige Bildungen: ai. sādá- m. ‘das Sitzen’, sādín- ‘(aufsitzend =) reitend, Reiter’ (vgl. auch russ. vsádnik ‘Reiter’), aisl. sāt f. ‘Hinterhalt’, ags. sǣt ds., ahd. -sāza (in Ortsnamen) ‘Wohnsitz’, mhd. sāze f. ‘Sitz, Wohnort, Hinterhalt’, i̯o-Adj. aisl. sǣtr ‘zum Sitzen geeignet’, s. oben wovon sǣti u. ‘Sitz, Heuhaufe’ = ahd. gisāzi ‘Sitz, Gesäß’; urbalt. *sōsta- ‘Sitz’ (*sōd-to-) in lit. sóstas m. ‘Sitz’, apr. sosto f. ‘Bank’, vgl. aisl. sess n. ‘Sitz’ oben S. 885; aksl. prě-sěda ‘insidiae’;
mit ō: cymr. hawdd ‘leicht’ = corn. hueth ‘ruhig’ (Loth RC 36, 162);
cymr. sawdd ‘Tiefe, Absinken’;
aisl. ags. sōt ‘Ruß’ (‘Angesetztes’);
lit. súodžiai Pl., lett. suõdrẽji ‘Ruß’, bulg. sážda f., čech. sáze (*sōdi̯o-) unklar air. sūide f., cymr. huddygl, bret. huzel ‘Ruß’; aksl. sadъ ‘Pflanzung’ (*sōdu-);
4. Mehr oder weniger verdunkelte Zusammensetzungen:
ai. nḗdīyas- ‘näher’, nḗdiṣṭha- ‘nächst’ = av. nazdyō adv. ‘(räumlich) näher an-’, nazdišta- ‘der nächste’, av. ašna- Adj. ‘nahe’ (*ō̆-zd-na-, Partiz. Perf. Pass., vgl. vollstufig ai. ā́sanna- ‘nahe’).
ni-zd-os, -оm ‘Nest’ (Präf. ni- ‘nieder’, oder ‘ein-’ als ‘Ort zum Nieder- oder Einsitzen’): ai. nīḍá- m. n. ‘Ruheplatz, Lager’, arm. nist ‘Lage, Sitz, Residenz’, lat. nīdus ‘Nest’, mir. net ‘Nest’, cymr. nyth ‘Nest, Wohnung’, corn. neid, bret. nez, neiz ds., ahd. ags. nest n. ‘Nest’; mit volksetymologischen Umgestaltungen lit. lìzdas, lett. ligzda, aksl. gnězdo ‘Nest’; dasselbe Präfix in ai. niṣīdati ‘setzt sich’, av. nišhiδaiti, ар. niyašādayam, arm. nstim, s. o.;
o-zdos ‘(ansitzender) Zweig, Ast’, s. dort (ozdo-s); auch gr. ὄζος ‘Gefährte, Diener’ aus *o-zdos ‘*Beisitzer’; oder eher zu B. *sed-?
pi-s(e)d- ‘daraufsitzen = drücken’: ai. pīḍayati (*pi-zd-ei̯ō) ‘drückt, unterdrückt, quält’ (Perf. pipīḍḗ; pīḍā ‘Druck, Schmerz’), gr. πιέζω ‘drücke’ (*πι-σεδι̯ω).
B. *sed- in der Bed. ‘gehen’, aus Verbindung mit Präfixen entstanden.
Ai. ā-sad- ‘hintreten, hingehen, gelangen’, ut-sad- ‘sich zur Seite begeben, verschwinden’, av. pazdayeiti ‘verscheucht (macht weggehen’), av. ара-had- ‘sich wegsetzen, ausweichen’, āsnaoiti (*ō-zd-neu-ti) ‘geht heran’ (s. 886 ā̆sna-); gr. ὁδός ‘Weg’, ὁδίτης ‘Wanderer’, ὁδεύω ‘wandere’; aksl. chodъ ‘Gang’, choditi ‘gehen’; ablaut. šьdъ ‘gegangen’; slav. ch- aus idg. s-wohl zunächst hinter pri- und u- entstanden.
Hierher vielleicht als Kompositum mit einem zum Pron. k̑о-, k̑i̯o- (oben S. 609) gehörigen Adv. *k̑i̯e-: av. syazd- ‘zurücktreten vor, aufgeben’, sīždyamnā ‘zurückweichende’, siždyō ‘aufgebend’, sī̆ždra- ‘scheu’ und lat. cēdo (*k̑e-zd-ō) ‘schreite einher; weiche, gebe nach’, sowie necesse ‘notwendig’, falls (?) aus *ne-kezd-ti-s ‘es ist kein Ausweichen’.

WP. II 483 ff., WH. II 507 ff., 511, EM2 917 ff., Trautmann 248, 258 ff., 273.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal