Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zacht - (niet hard)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

zacht bn. ‘niet hard’
Onl. samfto (bw.) ‘gemakkelijk’ [ca. 1100; Will.], sanfte (bw.) ‘id.’ [1151-1200; Reimbibel], met nevenvorm senifte (bn. mv.) ‘zachtmoedig’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. in einen mantel ... sachte ‘een zachte mantel’ [1220-40; VMNW], sachte, sagte, saegte ‘zacht, zachtaardig, vreedzaam’ [1240; Bern.]; vnnl. sacht, zacht.
Os. sāfti (mnd. safte, sachte); ohd. bn. semfti, senfti, bw. samfto (nhd. bn. en bw. sanft); ofri. seft (nfri. sêft); oe. bn. sēfte, bw. sōfte (ne. bn. soft); alle ‘zachtaardig, gemakkelijk, zacht e.d.’, < pgm. *samftija- (bn.), *samftō- (bw.).
Het Hoogduits heeft de oorspr. vorm min of meer behouden, met de klinker van het bijwoord en overgang -mf- > -nf-. De Oudnederlandse attestaties zijn sterk door het Oudhoogduits beïnvloed en hebben nog een nasaal en/of een umlautklinker -e-. In de Noordzee-Germaanse dialecten viel de nasaal voor fricatief echter weg en werd de klinker lang, als in → vijf. De resulterende vorm *sāfti onderging in het Nederlands vervolgens klinkerverkorting (Schönfeld, par. 31), klankovergang -ft- > -cht- als in → achter en verzwakking van de slotlettergreep.
Gewoonlijk reconstrueert men pie. *som-tio-; de -f- is ontstaan als overgangsklank: pie. *-mt- > *-mpt- > pgm. *-mft-. Het woord is wrsch. afgeleid van de wortel *sem-, *som- ‘een, gelijk’ van → samen, waarbij men kan denken aan een betekenisverband ‘gelijkmatig’ > ‘soepel’ > ‘gemakkelijk, zacht’ of van personen ‘gelijkgestemd’ > ‘vriendelijk, zachtaardig’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zacht* [niet hard] {oudnederlands senifte 901-1000, middelnederlands sa(e)chte, sa(e)fte} oudsaksisch sāfto (bijw.), oudhoogduits semfti (bn.), naast het bijw. samfto (hoogduits sanft), oudengels (bn.) sēfte, naast het bijw. sōfte; in het nl. is de nasaal verdwenen. Mogelijk verwant met gotisch samjan [behagen], oudnoors sama [passen]; buiten het germ. in dat geval oudiers sám [rustig], oudindisch sāman- [welwillende behandeling].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zacht bnw., mnl. sachte uit saechte, ook saefte en socht, mnd. en nederrijns sachte (nhd. sacht). De vorm saefte beantwoordt aan os. sāfto (bijw.), oe. bnw. sēfte (bnw.), sōfte (bijw.) (ne. soft) en is ontstaan uit *sanft- vgl. onfrank. senifte ‘mitis, mansuetus’, ohd. semfti (bnw.), samfto (bijw.) (nhd. sanft). — Men wil uitgaan van een germ. grondvorm *sam-þia met de bet. ‘vertrouwelijk samenzijn’ en vergelijkt dan on. semja ‘verenigen, het eens worden, ordenen, tot stand brengen’, sama ‘passen, passend zijn’, got. samjan ‘behagen’ (waarvoor zie: verzamelen), vgl. nog oi. sā́man- ‘vriendelijke woorden, welwillende behandeling’, gr. hḗmeros ‘tam’.

Men moet dan aannemen, dat tussen m en dentaal een f ingevoegd is. - — De wegval van de nasaal voor ƒ is algemeen in nl. os. ofri. en oe. (zie ook: vijf).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zacht bnw., mnl. sachte uit saechte, dat ook nog voorkomt (voor de verkorting vgl. licht III), dial. mnl. nnl. sa(e)ft(e), socht(e). Uit *samftia-, bijw. *samftô (?*sanftia-, ?). = onfr. senifte “mitis, mansuetus”, ohd. bnw. semfti, bijw. samfto (nhd. sanft), os. bijw. sâfto, ags. bnw. sêfte, bijw. sôfte (eng. soft) “zacht”. Met os.-ofri.-ndl.-ags. m- (n-)wegval vóór f als bij vijf. Wellicht verwant met got. samjan “(zoeken te) behagen”, on. sama “passen”, os. sômi, on. sø̂mṙ “passend, betamelijk”, ags. sôm v. “eendracht, verzoening”, ge-sôm “eensgezind”, sêman “verzoenen, beslechten”, on. sø̂ma “zich schikken in, rekening houden met, eeren”, sômi m. “eer”, sôma “betamen”, ier. sâm “rust”, gr. hḗmeros “tam”, oi. sā́man- “vriendelijke woorden, welwillende behandeling”, sā́ntva- “vriendelijkheid, vriendelijke woorden” [ags. smêðe, smôð, eng. smooth, mnd. smôde, -ich “zacht, week, smijdig” zijn ten onrechte hierbij gebracht; eer bij gr. smḗn “strijken”; deze woordgroep is met zamelen verwant. Wgerm. *samftia- is echter formantisch niet klaar; ook is met ’t oog op onfr. senifte (2 maal voorkomend, verder senihte “mansuetudinem”) de westgerm. grondvorm niet zeker.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zacht. Voor de o in mnl. socht(e) en nnl., vooral westelijke, diall. vgl. achterdocht Suppl. — Os. is slechts overgeleverd de adv. comp. sâftor, sâftur.
Bij het in [ ] vermelde ags. smêðe enz.: gron. smui, dr. Dev. smeu, Achterh. smö(j) ‘lenig’, die op een i-stam wijzen; bij ags. smôð sluiten zich aan Kampen smṑ en ndd. vormen (zie Sarauw Ndd. Forsch. I, 211): deze laatste groep wijst op germ. -anþ-, wat de combinatie met gr. smē̃n ‘strijken’ zeer onwsch. maakt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zacht bijv., Mnl, sachte, Os. adv. sâfto + Ags. adv. sófte (Eng. soft), waarnevens met de bewaarde nasaal, Onfra. senifte, Ohd. adv. samfto (Mhd. sanfte, Nhd. sanft): niet verder na te gaan; misschien met de bet. passend van denz. oorspr. als -zaam. Hgd. sacht komt uit het Ndd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

zoft, bn.: los, niet hard (van grond). Door de bekende cht/ft-wisseling uit zocht ‘zacht’, vgl. E. soft.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

zacht: iets zachts, glas niet-alcoholische drank. - Etym.: Vertaling van soft*, dat in het E lett. ’zacht’ bet. - Zie ook: soft-drink*.
— : zie zacht(e) pisi* (cit.), wied*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

saf: nie-omruilbare wv. op weg na doeb. v. sag, “nie-hard, pap, week”; berus op Mnl. en dial. Ndl. sa(e)fte, m. verlies v. WGerm. m/n voor f (vgl. Hd. sanft en Eng. soft), terwyl sag berus op Ndl. zacht (Mnl. sa(e)chte) m. Ndl. oorg. v. ft tot cht; verw. hoërop onseker.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Saf bnw. bw. In dié streke van Suid-Afrika waar saf en sag naas mekaar bestaan, is die twee vorme meestal duidelik gedifferensiëer in betekenis. So sê Boshoff 232 bv. dat hy praat van ’n sagte sowel as van ’n safte perske, maar alleen van sagte sy of ’n sagte kleur. Dit is opvallend dat ook dieselfde differensiasie in Noord-Brabant bestaan, so O.V. I, 236: “Zōft, zacht, week: bv. rijpe vruchten, was Zācht, zacht, glad, b.v. van zijde.”

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zacht (Ohd. sawft, thans sanft) houdt men verwant met samen: samengaande, geschikt, gepast of passend, aangenaam, bevallig. Hieruit ontwikkelde zich de bet. aangenaam voor ’t gevoel: een zacht bed; vandaar: niet-hard, toegevend: een zacht karakter, een zacht vader.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zacht ‘niet hard’ -> Deens sagte ‘niet hard’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors sakte ‘niet hard’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds sakta ‘niet hard’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands socht, sok, sogt ‘niet hard’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Laten wij zacht zijn voor elkander [dichtregel] (1913). ‘Prins der dichters’ Adriaan Roland Holst (1888-1976) publiceert in 1913 het gedicht ‘Zwerversliefde’, dat begint met de woorden “Laten wij zacht zijn voor elkander, kind.”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zacht* niet hard 0901-1000 [WPs]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

zachte cluster, sociale sector, onderwijs en gezondheidszorg.

Nu wordt onderhandeld met enkele sociale academies, lerarenopleidingen en opleidingen in de gezondheidszorg. In het spraakgebruik: de ‘zachte cluster’. (Vrij Nederland, 22/06/85)

zachte sector, het welzijnswerk: onderwijs, ziekenhuizen enz. Sinds begin jaren tachtig. De meeste woordenboeken hebben de term al opgenomen.

Zachte sector: kwartaire sector. Het werk in de welzijnsinstellingen, de gezondheidszorg en de bejaardenzorg en culturele instellingen, die worden betaald uit gemeenschapsgelden. (Elsevier, 26/04/86)
En waar de cursussen tot nu toe gericht waren op ‘zachte’ sectoren als hulpverlening, onderwijs en verpleegkunde, zal binnenkort ook de ‘harde’ dienstensector bediend worden. (Elsevier, 22/11/97)
Het ‘softe’ van de zachte sector bestaat in deze malicieuze portretten overigens vooral uit de argeloosheid waarmee de hoofdpersonen hun omgeving tegemoettreden. (Trouw, 09/01/98)
Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

sem-2 ‘eins’ und ‘in eins zusammen, einheitlich, samt, mit’

1. Mit vorherrschender Zahlwortbedeutung ‘eins’:
Arm. mi ‘eins’ (*sm-ii̯os); gr. εἷς, ἕν, μία (*sems, *sem, *sm-iǝ), Gen. ἑνός (für *ἑμός oder ἁμός nach *ἕνς, ἕν) ‘ein’; μῶνυξ ‘Einhufer’ (*σμ-ῶνυξ), kret. ἀμάκις, tarent. ἀμάτις ‘einmal’, Komp. dor. ἅτερος (att. ἕτερος) ‘der eine, der andere von zweien’ (= cymr. hanner, corn. bret. hanter ‘Hälfte’);
lat. sem-per ‘in einem fort, immer’ (*sem = gr. ἕν, vgl. unten germ. sin-); simītu ‘zugleich’, Ablat. von *simītus < *sem-eitus ‘das Zusammengehen’, vgl. air. emith ‘tanquam, quasi’, cymr. hefyd ‘auch’ aus *semiti-, zu ai. sám-iti-; mīlle ‘1000’ aus *smī g̑heslī ‘eine Tausendheit’ (irrig S. 446), vgl. das in *sm̥-g̑heslom zerlegte ai. sahásra-m, av. hazaŋra- ‘eintausend’; air. cumme ‘ähnlich’ aus *kom-smii̯o- ‘ganz der eine, der gleiche’; germ. *sin (d. i. idg. *sem in adv. Erstarrung) ‘*in einem’ = ‘zusammen’ oder ‘immerwährend’ oder ‘durchaus, sehr’ in as. ahd. sin-hīun, ags. sin-hīwan ‘conjuges, Ehegatten’, got. sin-teins ‘täglich’, as. sin-nahti, ags. sin-niht ‘ewige Nacht’, mhd. sin-grüene, ags. sin-grēne, aisl. sī-grønn ‘immergrün’, ags. sin-here ‘großes Heer’, ahd. sin-fluot ‘große Flut’, aisl. sī-valr, ags. sine-wealt, and. sinu-wel ‘ganz rund’ usw.;
toch. A sas m. (komponiert ṣa-), В ṣe (älter ṣes in ṣes-ka ‘allein’) aus *sem-s; A säṃ f. aus *sem; Kompos. Form A ṣoma- (*semo-), В somo- (*somo-); Van Windekens Lexique 121.
sm̥- als 1. Kompositionsglied: ai. sakŕ̥t, av. ha-kǝrǝt̰ ‘einmal’ (über ai. sa-hásram s. oben), gr. ἅ-παξ ‘einmal’, ἁ-πλόος ‘einfach’, lat. sim-plus, -plex ‘einfach’, gr. ἑ-κατόν ‘ein-hundert’ aus *ἁ-κατόν nach εἷς oder einem *ἕν-κατον. Vgl. unten *sm̥ ‘in eins zusammen, mit’.
Mit Gutturalsuffixen: gr. ἴγγια· εἷς. Πάφιοι (*ἑν-για); lat. singuli ‘einzelne’ (dagegen sincinium ‘Einzelgesang’ nicht aus *singo-caniom, sondern volksetymologische Umgestaltung von sicinnium aus gr. σίκιννις ‘Tanz der Satyrn’);
mit g̑h vermutlich arm. ez ‘einer’ (*sem-g̑ho-? damit hez ‘mild, rechtschaffen’ als ‘einfach von Sitten’ gleich? Pedersen KZ. 39, 414); mit ai. śaśvant- ‘sich gleichmäßig erneuernd, eine ununterbrochene Reihe bildend, jeder, all’ (aus *sa-śvant-, mit Formans -u̯ent- von idg. *sm̥-k̑o- etwa ‘in einem Zuge, in einer Reihe’); vielleicht alb. gjith ‘alles, ganz’ (*sem-k̑o ‘von einerund derselben Art’?).
Mit l-Suffixen: gr. ὁμαλός ‘gleich, eben, glatt’ (‘*in einer Art verlaufend’) ablaut. lat. similis ‘ähnlich’ (*semelis ‘von ein und derselben Art’), simul, älter semol, semul ‘zugleich’ apokopiert aus *semeli, woneben nach bis, *tris (ter) erweitertes *semlis ‘einmal’ in semel, umbr. sumel ‘zugleich’ (mit demselben о wie ὁμαλός? oder letzteres erst nach ὁμός aus *ἁμαλός umgefärbt?); mit Red.-St. air. samail ‘Bild, Gleichnis’ (proklit. amal ‘wie’), cymr. usw. hafal ‘ähnlich, gleich’, air. samlith ‘simul’, cosmail ‘consimilis’; got. simlē ‘(*einmal =) einst’, ags. sim(b)le, simles, simblon ‘immer’, ahd. simble(s), simblum ds., auf einem n. *semlo-m ‘eine Zeit’ beruhend.
2. semo- ‘einer’ = ‘irgendeiner’ (unbetont):
ai. samá- ‘irgendein’, av. ap. hama- ‘jeder beliebige, omnis’;
arm. amēn, amēn-ain ‘alle, omnis’;
gr. ἁμό- ‘irgend ein’ in ἀμῆ, att. ἁμῆ ‘rgendwie’, ἀμόθεν, att. ἁμόθεν ‘irgendwoher’, ἀμῶς, att. ἁμῶς ‘irgendwie’, οὐδ-αμός ‘nicht einer, keiner’, οὐδαμῶς ‘keineswegs’; got. sums ‘irgend ein, ein gewisser’, Pl. ‘einige, manche’, aisl. sumr ‘quidam, nonnullus’, as. ags. ahd. sum ds.
3. ‘*in eins = zusammen, mit’;
sm̥-: ai. sa-há, sadhao ‘gemeinsam, zusammen’ = av. haδa, ар. hadā ‘zusammen’, ai. satrā́ ‘zusammen, ganz und gar’ = av. haθrā̆ ‘zusammen, zugleich, vereint mit’, ai. sádam, sádā ‘allzeit, stets immer’ = av. haδa ‘immer’, ai. sá-dhrī Adv. ‘zusammen’ (: Wz. *dher- ‘halten’, wie auch:) gr. ἀ-θρόοι, att. ἁ-θρόοι ‘im Verein, gesamt’, ἄ-λοχος ‘consors tori’, ἀ-δελφός ‘couterinus’, ἀ-κόλουθος ‘Weggefährte’ (aus ἁ- durch Aspiratendiss). - Ai. smát ‘zusammen mit’, av. mat̰ ‘ds.; immer, immerdar’; gr. ἅμα, dor. ἁμᾶ ‘in einem, zugleich’, ἁμόθι ‘zusammen’.
som-: ai. sám- ‘zusammen, zugleich mit’, av. ap. ha(m)- ‘mit’ (in Verbindung mit Verben und in Zs. mit Nomina; arm. ham- ‘mit’ wohl aus dem Iran.);
lit. sam-, są- (z. B. sam-dýti ‘dingen’, sán-dora ‘Eintracht’, są́-žinė ‘Gewissen, conscientia’), apr. san-, sen- (san-insle ‘Gürtel’), sen (*sem) Präp. ‘mit’ (idg. *sem); aksl. sǫ- ‘mit’ (sǫ-sědъ ‘Nachbar’, vgl. ai. saṁ-sád- ‘Versammlung’), sǫ-logъ ‘consors tori’, vgl. ἄ-λοχος usw.;
mit aksl. sǫ- ablautend ist *sъn-, (*som) z. B. in sъn-iti ‘convenire’, sъ-vęzati ‘zusammenbinden’ sowie Präp. ‘mit’; falls lit. sù ‘mit’ dazugehört, könnte es samt aksl. und gr. ξύν, σύν ‘mit’ auf idg. *ksu bzw. *ksun zurückgeführt werden; vgl. Schwyzer Gr. Gr. 2, 4877.
Von som- stammt somo-s: ai. samá- ‘eben, gleich, derselbe’, samám Adv. und Präp. ‘zusammen’, samáyā, in gleicher Weise, mitten hindurch’, *samayati ‘ebnet, bringt in Ordnung’, av. ap. hama- ‘gleich, derselbe’, arm. omn ‘irgendwer’ (Meillet Esquisse2 90); über ai. simá- ‘selbst’ s. Wackernagel-Debrunner 3, 578;
gr. ὁμός ‘gemeinsam; ähnlich, gleich, eben, glatt’, ὁμοῦ Adv. und Präp. ‘zusammen’, ὁμό-θεν ‘aus demselben Ort’, ὁμό-σε ‘an denselben Ort’, ὅμως ‘gleichwohl’ (ὁμοῖος, natt. ὅμοιος ‘ähnlich’); hierher ὅμηρος (oben S. 56), ὁμαρτέω ‘begleite’ (zu *ὅμαρτος aus *som-r̥-to-s), nach Szemerényi Gl. 33, 265 zu *er-, oben S. 327 f.; air. -som ‘ipse’, air. sund ‘hier’, cymr. hwnn ‘dieser’ (aus idg. *somdhe, welches zu sondo- umgebildet wurde); got. sa sama ‘derselbe’, aisl. samr, inn sami ‘derselbe’, samt Adv. ‘ununterbrocben’, ahd. der samo ‘derselbe’, vgl. auch Zs. wie got. sama-kuns, anord. samkynja ‘von gleichem Geschlecht’, gr. ὁμόγνιος ds., ai. sama-jātīya ‘gleichartig’, anord. samfeðra, ὁμοπάτωρ, ар. hamapitar- ‘von demselben Vater’, aisl. sammø̄ðri, ὁμομήτριος ‘von derselben Mutter’;
ein ī-Fem. *somī, *smī ‘Beisammensein, Vereinigung, z. T. auch kämpfendes Aneinandergeraten’ in ai. samī-ká- n. ‘Kampf, Schlacht’; aber gr. ὅμι-λος ‘Haufe, Versammlung, Schlachtgedränge’, ὁμιλίᾱ ‘Umgang, Verkehr’, ὁ̔μῑλέω ‘verkehre’ bleiben wegen äol. ὄμιλλος fern, ebenso lat. mīles, vgl. Szemerényi Arch. Ling. 6, 41; gr. ἅμιλλα ‘Streit, Kampf, Wettstreit’ (*sem-il-i̯a), ἁμιλλᾶσθαι ‘wettkämpfen’;
dazu mit dem Begriffe des friedlichen Beisammenseins, auch des Zusammenstimmens aisl. sama ‘passen, sich schicken’; got. samjan ‘gefallen, zu gefallen suchen’, aisl. semja (= ai. samayati) ‘zusammenstellen, vereinigen, einig werden um, ordnen, zustandebringen’; dazu wohl germ. *samþia- in ahd. semfti (Adv. samfto) ‘bequem, gemächlich, freundlich’, nhd. sanft, as. sāfto Adv. ‘leicht’, mnd. sachte Adj. Adv. ‘sanft, mild’, ags. sēfte (Adv. sōfte) ‘ruhig, mild’, vgl. dazu bes. ai. sāntva- n. ‘gute beschwichtigende Worte’, sā́man- m. n. ‘ds., Milde, freundliches Entgegenkommen’;
germ. *samþia- ist viell. aus einem tu-St. *samþu- umgebildet, der mit ai. sāntva- auf idg. *sōm-tu- zurückgehen kann;
dagegen ist ags. smēðe, smōð, as. smōði ‘glatt, eben, sanft, milde’ wegen westfäl. smǫiǝ aus *smanþi entstanden; got. samaþ ‘zusammen’, as. samad, ags. samod, ahd. samit (samant mit n nach saman-), nhd. samt; eine d-Ableitung in ai. samád- f. ‘Streit, Kampf’, gr. ὅμαδος ‘Gewühl, Menschenmenge’;
dehnstufig ai. sāman-, sāmaná- ‘ruhig’, sāma-gir- ‘freundliche Worte redend’, sāntva- (s. o.), av. hāma- ‘gleich, derselbe’, np. hāmūn ‘Ebene’, air. sām ‘Ruhe’ (aus ‘*trauliches Beisammensein’), sāim ‘ruhig, mild’, aisl. sōma (*sōmēn) ‘passen, geziemen’, sōmi m. ‘Ehre, Auszeichnung’, sø̄mr ‘geziemend, passend’, as. sōmi ds., ags. sōm f. ‘Einigkeit, Versammlung’, ge-sōm ‘einmütig, freundlich’, mhd. suome ‘angenehm, lieblich’; abgel. aisl. sø̄ma ‘sich finden in, Rücksicht nehmen auf, ehren’, ags. sēman ‘versöhnen’; engl. seem ‘ziemen, scheinen’ ist nord. Lw.;
aksl. samъ ‘ipse, solus, unus’;
mit n-Formans: ai. sāman-, sāmana- s. oben; mit ŏ-Stufe wohl ai. samana- n. ‘Zusammenkunft, Festversammlung’, samanā́ Adv. ‘zusammen, gleichzeitig, ebenmäßig’; got. samana ‘beisammen’, aisl.saman ‘zusammen’, ahd. saman, zi samane, nhd. zusammen; davon abgeleitet aisl. samna, ahd. samanōn, mhd. samenen ‘sammeln’, dissim. samelen, nhd. sammeln; mit Red.-St. ir. samain ‘das Fest des 1. Nov.’ (eigentlich ‘Zusammenkunft’), bech-ṡamain ‘Bienenschwarm’;
eine Dehnstufe *sēm vielleicht in gall. σο-σιν ‘dieses’ und im n. des air. Artikels (s)an, vortonig aus *sin, dieses aus *sēm über *sīn; die übrigen Formen sind durch Übertragung der Endflexion auf eine Adv.-Form *sinde (aus *sēm-dhe; es läßt sich nach ai. sa-dha idg. *dhe, odernach ir. suide aus idg. *so-de (jo-Flexion) = gr. ὅ-δε auch idg. *de ansetzen) entstanden; Demonstr. ir. sin, cymr. hynn gehen auf den Stamm *sindo- zurück und stellen die enklitische Form dar.

WP. II 488 ff., WH. II 511 f., 513, 533 ff., Trautmann 249 f.; J. Gonda, Reflections on the Numerals.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal