Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wrikken - (heen en weer bewegen om iets los te krijgen of vooruit te krijgen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

wrikken ww. ‘heen en weer bewegen om iets los te krijgen of vooruit te krijgen’
Vnnl. eerst de afleiding verwricken ‘loswrikken, door telkens verschuiven bewegen’ [1610; iWNT verwrikken], dan wrikken ‘door heen en weer bewegen losmaken’ in Of een die wricken kost de weereld uyt haere Assen ‘of iemand die de wereld uit haar as kon wrikken’ [1623; iWNT].
Intensiefvorm bij vnnl. wrighen ‘verschuiven’, zoals in omdat den sael niet wrijghen en sal ‘opdat het zadel niet zal verschuiven’ [ca. 1580; MNW], zoals → wikken bij → wegen.
Mnd. vorwricken ‘verstuiken’; nfri. wrikke, wrikje; me. wricken; nno. rikka, vrikka, nzw. vricka, nde. vrikke; alle met jongere intensiefvormen bij een ouder ww. pgm. *wrīgōn-: ofri. wrīgia (alleen als teg.deelw.) ‘wankelend lopen’; oe. wrīgian ‘zich omdraaien, zich richten’ (ne. wry ‘verwringen’). Hierbij hoort misschien ook het sterke werkwoord *wrīhan- ‘omhullen’ (ohd. -rīhan, oe. wrēon).
Misschien verwant met: Litouws rìšti ‘binden’; < pie. *ureiḱ-, *uriḱ- (LIV 699).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wrikken* [heen en weer bewegen] {1623} intensivum van middelnederlands wrigen, wrijgen [winden, verschuiven, overhellen], oudfries wrigia (vgl. wriggelen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wrikken ww., eerst latere formatie, evenals nnd. wrikken ‘heen en weer bewegen van de roeispaan’, mnd. vorwricken ‘verstuiken’, me. wricken, nnoorw. rikka, vrikka, nzw. vricka, nde. vrikke, alle met affectief-versterkend -kk- gevormd bij de onder wriggelen genoemde woorden — Gelijke verscherping in mhd. ric (rickes) ‘band, knoop’, vlechtwerk der ingewanden; smalle weg’. — > nhd. wricken (sedert de 18de eeuw) in taal der scheepslieden (vgl. Kluge ZfdWortf. 8, 1906, 47).

Het vla. wrekelen ‘met de riemen wrikken’ is stellig secundair en behoeft dus niet te worden verbonden met ofri. wrāk ‘krom’, got. wraiqs ‘krom’ en gr. rhaibós (met afwijkend vocalisme).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wriggelen ww., nog niet bij Kil. Een ook ndd. en eng. ww. (eng. to wriggle “bewegen, wringen, draaien”), mnd. reeds vor-wreggen “verstuiken”. Sluit zich aan bij mnl. wrîghen “ineen-, kromgroeien”, mhd. wider-rigen “zich verzetten”, ofri. wrī̆gia (“onvast gaan”?), ags. wrī̆gian “zich wenden, zich richten, gaan”, met ohd. rîho (zie wreef) verwant. Ook wrikken ww., nog niet bij Kil., = ndd. wrikken (ook in de du. zeemanstaal = “wrikken met een roeispaan”; mnd. al vor-wricken “verstuiken”), meng. wricken, de. vrikke, zw. vricka, noorw. dial. (v)rikka, ww. ter aanduiding van allerlei draaiende en schuddende bewegingen, en vla. wrekelen “met den wrikriem roeien” hooren wsch. met secundaire k hierbij. Minder wsch. is een idg. grondvorm met ḱn > germ. kk of verwantschap met got. wraiqs “krom”, dat (met gr. raibós “id.”?) van een hoogerop verwante idg. basis wrig- komen kan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wrikken o.w., + Meng. wrikken (Eng. to wrick), Zw. vricka, De. vrikke: intensief van wrijgen besproken bij wriggelen.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wrikken, intensief van wrijgen (zie Wreef) = draaiend heen en weer gaan, waggelen; wrikken met een roeispaan, daaruit ook: een paal in den grond, enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wrikken ‘heen en weer bewegen’ -> Engels † wrick ‘heen en weer bewegen’; Duits wricken ‘een boot met slechts één riem voortbewegen’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens vrikke ‘een boot met slechts één riem voortbewegen’; Papiaments frek (ouder: wrik pontsje) ‘heen en weer bewegen (van vaartuig)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wrikken* heen en weer bewegen 1623 [WNT]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

u̯er-3: I. u̯r-ei-: δ) u̯reik̑- ‘drehen; umwickeln, binden’

Av. urvisyeiti (*vriśyati) ‘wendet sich, dreht sich’, Kaus. urvaēsayeiti ‘wendet, dreht’, urvaēsa- m. ‘Drehung’ (= gr. ῥοικός, ndl. wreeg); ai. vréśī- ‘Wasserwirbel’;
gr. ῥοικός ‘gekrümmt, gebogen’, ῥικνός ds.; ῥίσκος ‘Koffer, Kiste’ vielleicht aus *u̯rik̑-skos;
lat. rīca ‘Kopftuch’, rīcinium, ursprüngl. dial. rēcinium ‘kleines Kopftuch’ (*u̯reikā);
mnd. wrīch (wrīg-) ‘verbogen, verdreht, (davon) steif; verrückt, eigensinnig, heimtückisch’, engl. wry ‘schief’, ags. wrīgian ‘tendere, conari, niti’, (‘*sich winden, wonach ringen’), afries. wrīgia ‘sich beugen’ (?), ags. urīxl f. ‘Wechsel, Tausch, Lohn’, aisl. rǣxn m. ‘Knoten’, daher wohl auch ags. wrāsen, wrǣsen f., ahd. reisan n. ds. mengl. wrāh ‘verkehrt, halsstarrig’, ndl. wreeg ‘steif’, Subst. ‘Fußbeuge’, aisl. reigiask ‘den Kopf zurückwerfen, heftig werden’, aisl. riga f. ‘Biegung’, riga ‘bewegen’, nisl. rig n, rigr m. ‘Steifheit in den Gliedern’ (aus ‘*verrenkt’), mhd. rigen, widerrigen ‘wogegen ankämpfen, widerstreben’, nd. wrigge(le)n ‘seitwärts oder hin- und her drehen’, engl. wriggle ‘sich krümmen’, nd. uriggel ‘Eigensinn’, norw. rigga ‘verbinden, umwickeln; erschüttern; unsicher gehen’, rigla ‘wackeln, unsicher gehen’; mhd. ric, rickes ‘Band, Fessel, Knoten; Geschlinge der Eingeweide, enger Weg’, schweiz. rikch ‘Heftel von Faden’, mhd. ric ‘Hals’ (wohl als ‘*Dreher’), mit expressiver Konsonantendehnung der Intensivität mengl. nd. ndl. wrikken ‘hin und her drehen, rütteln, wackeln’, mnd. vor-wrikken ‘verrenken’, norw. (v)rikka, schwed. vrikka ‘verrenken, wriggeln’; ndl. gewricht ‘Gelenk’; mnd. wrist, ags. wrist, wyrst, aschw. vrist, aisl. rist ‘Fußgelenk’, mhd. rist ‘Hand-, Fußgelenk’ (*wrihst-); ahd. rīho m. ‘sura, poples, locus corrigiae’, mhd. rīhe ‘Rist des Fußes’, nhd. Reihen ds., mndl. wrīghe, ndl. wreeg ‘Fußbiege’; mit der Bed. ‘umwickeln’ (: lat. rīca): ags. wrīon, wrēon (*wrīhan) ‘einhüllen, bedecken, schützen’, wrigels ‘Hülle’, ahd. int-rīhhen, -rīhan, Partiz. intrigan ‘enthüllen’, mhd. rigel m. ‘eine Kopfbedeckung, die man umwindet’;
lit. rišù, rìšti ‘binden’, ryšỹs m. ‘Bündel’, raišaũ ‘binde’, raĩštis ‘Band, Binde, Kopfbinde’, auch raĩkštis mit k-Einschub, wie rýkštė ‘Gerte’, iš-si-rýkšti ‘sich in Fäden auflösen’ (etwa ‘sich ausringeln, kräuseln’), ráišas und raĩšas ‘lahm’ (‘*verrenkt, verkrümmt’), ráištu, -šau, -šti ‘lahm werden’, ríešas ‘Fußknöchel’, lett. risu, rist ‘binden’, riešu rist ds., ristu, rīstu (*u̯rī̆k-stō, kaum nasaliert) ‘füge mich an’; apr. senrists ‘verbunden’, perrēist ‘verbinden’.

WP. I 278 f., WH. II 433, Trautmann 236, 246, Holthausen Aengl. etym. Wb. 408.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal