Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wreed - (meedogenloos)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

wreed bn. ‘meedogenloos’
Mnl. wreet ‘meedogenloos, woest’ [1240; Bern.], in die quene wreet Die mi beraedt wel menech leet ‘die meedogenloze vrouw die mij veel leed berokkent’ [1265-70; VMNW], die esel wreet diemen onager dar eet ‘de woeste ezel, die men daar onager noemt’ [1287; VMNW].
Os. wrēth (mnd. wrēt); ohd. reid; ofri. wrēth (nfri. wreed); oe. wrāð (ne. wroth); on. (v)reiðr (nzw. vred); alle ‘boosaardig, toornig, vijandig e.d.’, < pgm. *wraiþa-.
Ablautende afleiding van de wortel van het sterke werkwoord *wrīþan- (< ouder *wreiþan-) ‘buigen, verdraaien, vlechten’, waaruit: ohd. rīdan; oe. wrīðan (ne. writhe); on. (v)ríða (nzw. vrida). Het bn. betekende dan oorspr. zoveel als ‘met een verdraaid gemoed, buitenzinnig’.
Herkomst onduidelijk. Misschien verwant met Litouws riẽsti ‘winden, rollen’; < pie. *ureit- ‘draaien, winden’ (LIV 700).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wreed* [meedogenloos] {wreet 1201-1250} oudsaksisch, oudfries wrēth [boos, vijandig], oudengels wrāð [boos, wreed] (engels wroth), oudnoors reiðr [toornig]; verwant met wrijten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wreed bnw., mnl. wreet ‘wreed, ruw, boos, snood’, os. wrēth, ‘bekommerd, toornig, boos, vijandig’, ofri. wrēth, nfri. wrea(d) ‘wreed, vijandig’, oe. wrāð ‘toornig, vijandig, wreed’ (ne. wroth), on. reiðr ‘toornig’. — Dit staat naast ohd. rīdan, oe. wrīðan (ne. writhe), on. rīða ‘draaien, winden, wringen’. — lit. riečiū, riēsti ‘winden, rollen’, ritù, rìsti ‘rollen, wentelen’ van idg. wt. *u̯reit ‘draaien’ (IEW 1159), afl. van *u̯er, waarvoor zie: weer 4. — Zie ook: wrijten.

De oorspr. bet. van ‘gedraaid’ komt nog duidelijk uit in oe. wræð v. ‘band, bundel’, on. riðull ‘bundel, tros’, nijsl. riðill ‘rond houtstuk voor het binden van het net’, ohd. reid, reidi ‘gelokt, kroes’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wreed bnw., mnl. wreet (d) “wreed, ruw, boos, snood”. = os. wrêth “bekommerd, toornig, boos, vijandig”, ofri. wrêth, *wrâth (> fri. wrea(d)) “wreed, vijandig”, ags. wrâð “toornig, boos, vijandig, wreed” (eng. wroth), on. reiðr “toornig”, germ. *wraiþa-. Verwant met ohd. rîdan, ags. wrîðan (eng. to writhe), on. rîða “draaien, winden, wringen”, verder wellicht met lit. rëczù, rë̃sti “winden, wikkelen, rollen”, lat. ir-rito “ik prikkel, maak boos”. De idg. basis wreit- is een verlenging van w(e)rei- (zie nog wreef), deze weer van wer- (zie bij worstelen). Wij moeten voor *wraiþa- wsch. van een bet. “(door hartstochten, aandoeningen) gewrongen, gekneld, geprangd” uitgaan; aangezien de bet. “gewonden, gedraaid” van mnd. wrêt niet in oudgerm. teksten en niet over een groot deel van ’t germ. gebied voorkomt, is ’t niet raadzaam, alle bett. hierop terug te voeren, zooals wel gedaan is.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wreed. Lat. ir-rîto ‘ik maak boos’ behoort wsch. niet in dit verband.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wreed bijv., Mnl. wreet, Os. wrêth (= toornig) + Ohd. reid, Ags. wráđ (Eng. wroth), Ofri. wráth, On. reiđr (Zw. en De. vred): van denz. stam als ’t enk. imp. van een werkw. *wrijden = draaien, wringen + Ohd. rîdan, Ags. wriđan (Eng. to writhe), On. rída + Lat. ir-ritare = prikkelen, Lit. rėsti = wikkelen. Van hier Fr. ride en rideau (geplooid gordijn).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

vree 2, bn.: ruw (van oppervlak). Verschoven betekenis van Ndl. wreed.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

freed, bn.: trots, hoogmoedig. Met verscherping v/f uit wreed, dat ‘hardvochtig, meedogenloos’ betekent, maar Mnl. ook ‘dapper, flink’ (VMW) heeft betekend en vandaaruit de bet. ‘trots’ kan hebben ontwikkeld.

wreed, bn., bw. van graad: erg, zeer, heel, vgl. verschrikkelijk mooi.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

wreed bn., bw. van graad: erg, zeer, heel, vgl. verschrikkelijk mooi. Ook Vlaams.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

wreed (G, L, W, ZO, ZV), bn., bw. van graad: erg, zeer, heel, vgl. verschrikkelijk mooi.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

wreed b.nw.
1. Barbaars, onbarmhartig, onmenslik. 2. Wat blyke gee van 'n wrede (wreed 1) benadering of geaardheid.
Uit Ndl. wreed (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

vrijt opgetogen (Mierlo), gretig (Helmond) (Mierlo, Helmond). = wreed = os. wrēth ‘bekommerd’, ono. reiđr ‘toornig’. ~ lit. rijsti ‘winden’. Betekenisontwikkeling: ‘gewonden’ › ‘opgewonden’ › ‘opgetogen’ en ‘gretig’ en ‘wreed’.
Van der Vleuten 116, Ceelen e.a. 53, NEW 849.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

wreed, bw. van graad: erg, zeer, heel, vgl. verschrikkelijk mooi. Maar het bn. wreed wordt in het Brugs nl. met eind-t uitgesproken, maar in wree schone ‘erg mooi’ zonder t. In het Kortrijks veroorzaakt dit bw. wree geen progressieve assimilatie, hoewel de geapocopeerde t normaal de volgende medeklinker verscherpt, dus wree diere, wree verre (en niet het te verwachten tiere, ferre). Vermoedelijk gaat het hier om een bijwoordelijke vorm van wreed, nl. wrede, door d-syncope wree.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wreed: barbaars; onmenslik, sonder genade of gevoel; Ndl. wreed (Mnl. wreet), Eng. wroth, hou mntl. verb. m. Eng. writhe, v. ook wraak I.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wreed bet. vroeger toornig, boosaardig, en daaruit: meedoogenloos, wreed; afl. van den Germ. wt. wreith = winden, draaien; oorspr. is wreed dus: opgewonden, driftig.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wreed ‘meedogenloos’ -> Surinaams-Javaans writ ‘meedogenloos’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wreed* meedogenloos 1240 [Bern.]

wreed* tof, leuk 1987 [Kuitenbrouwer]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

wreed, informele jeugdtaal voor ‘tof, leuk, fijn’. In deze betekenis mogelijk afkomstig uit Vlaanderen en populair gemaakt door humorist Urbanus. Kuitenbrouwer (1987) oppert evenwel dat wreed, net als strak*, in sommige betekenissen uit Surinaamse kringen komt. In het Surinaams-Nederlands wordt wreed niet alleen gebruikt voor ‘pijnlijk, vervelend’, maar ook in de zin van ‘net goed; lekker’ en ‘goed, mooi’.

Hoewel het wreedste duo van België niet uit Brussel komt... (Vinyl, september 1987)
‘Do it Fluid’ is een van de allerwreedste danstracks die ik ken. (Oor, 14/11/87)
Ik wil wel zo’n jas met een bontkraag. Ik vind ze wreed. (Haagse Post, 21/11/87)
Hip Hop is wreed, echt wel. (Popfoto, februari 1988)
Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

u̯er-3: I. u̯r-ei-: δ) u̯reik̑- ‘drehen; umwickeln, binden’

Av. urvisyeiti (*vriśyati) ‘wendet sich, dreht sich’, Kaus. urvaēsayeiti ‘wendet, dreht’, urvaēsa- m. ‘Drehung’ (= gr. ῥοικός, ndl. wreeg); ai. vréśī- ‘Wasserwirbel’;
gr. ῥοικός ‘gekrümmt, gebogen’, ῥικνός ds.; ῥίσκος ‘Koffer, Kiste’ vielleicht aus *u̯rik̑-skos;
lat. rīca ‘Kopftuch’, rīcinium, ursprüngl. dial. rēcinium ‘kleines Kopftuch’ (*u̯reikā);
mnd. wrīch (wrīg-) ‘verbogen, verdreht, (davon) steif; verrückt, eigensinnig, heimtückisch’, engl. wry ‘schief’, ags. wrīgian ‘tendere, conari, niti’, (‘*sich winden, wonach ringen’), afries. wrīgia ‘sich beugen’ (?), ags. urīxl f. ‘Wechsel, Tausch, Lohn’, aisl. rǣxn m. ‘Knoten’, daher wohl auch ags. wrāsen, wrǣsen f., ahd. reisan n. ds. mengl. wrāh ‘verkehrt, halsstarrig’, ndl. wreeg ‘steif’, Subst. ‘Fußbeuge’, aisl. reigiask ‘den Kopf zurückwerfen, heftig werden’, aisl. riga f. ‘Biegung’, riga ‘bewegen’, nisl. rig n, rigr m. ‘Steifheit in den Gliedern’ (aus ‘*verrenkt’), mhd. rigen, widerrigen ‘wogegen ankämpfen, widerstreben’, nd. wrigge(le)n ‘seitwärts oder hin- und her drehen’, engl. wriggle ‘sich krümmen’, nd. uriggel ‘Eigensinn’, norw. rigga ‘verbinden, umwickeln; erschüttern; unsicher gehen’, rigla ‘wackeln, unsicher gehen’; mhd. ric, rickes ‘Band, Fessel, Knoten; Geschlinge der Eingeweide, enger Weg’, schweiz. rikch ‘Heftel von Faden’, mhd. ric ‘Hals’ (wohl als ‘*Dreher’), mit expressiver Konsonantendehnung der Intensivität mengl. nd. ndl. wrikken ‘hin und her drehen, rütteln, wackeln’, mnd. vor-wrikken ‘verrenken’, norw. (v)rikka, schwed. vrikka ‘verrenken, wriggeln’; ndl. gewricht ‘Gelenk’; mnd. wrist, ags. wrist, wyrst, aschw. vrist, aisl. rist ‘Fußgelenk’, mhd. rist ‘Hand-, Fußgelenk’ (*wrihst-); ahd. rīho m. ‘sura, poples, locus corrigiae’, mhd. rīhe ‘Rist des Fußes’, nhd. Reihen ds., mndl. wrīghe, ndl. wreeg ‘Fußbiege’; mit der Bed. ‘umwickeln’ (: lat. rīca): ags. wrīon, wrēon (*wrīhan) ‘einhüllen, bedecken, schützen’, wrigels ‘Hülle’, ahd. int-rīhhen, -rīhan, Partiz. intrigan ‘enthüllen’, mhd. rigel m. ‘eine Kopfbedeckung, die man umwindet’;
lit. rišù, rìšti ‘binden’, ryšỹs m. ‘Bündel’, raišaũ ‘binde’, raĩštis ‘Band, Binde, Kopfbinde’, auch raĩkštis mit k-Einschub, wie rýkštė ‘Gerte’, iš-si-rýkšti ‘sich in Fäden auflösen’ (etwa ‘sich ausringeln, kräuseln’), ráišas und raĩšas ‘lahm’ (‘*verrenkt, verkrümmt’), ráištu, -šau, -šti ‘lahm werden’, ríešas ‘Fußknöchel’, lett. risu, rist ‘binden’, riešu rist ds., ristu, rīstu (*u̯rī̆k-stō, kaum nasaliert) ‘füge mich an’; apr. senrists ‘verbunden’, perrēist ‘verbinden’.

WP. I 278 f., WH. II 433, Trautmann 236, 246, Holthausen Aengl. etym. Wb. 408.

u̯er-3: I. u̯r-ei-: ζ) u̯reit- ‘drehen’

Aschwed. vrīþa, aisl. rīða ‘drehen, wringen, winden, knüpfen’, ags. wrī-ðan, ahd. rīdan ‘drehen, winden, binden’, ags. wriða m. ‘Zügel, Ring’; aisl. riðull ‘Büschel’, isl. riðill ‘walziges Holzstück zum Netzbinden’, ahd. ridil m. ‘Haarband, Kopfband’; ags. wrǣð, wrǣð f. ‘Band, Bündel’, mnd. wrēden ‘zusammendrehen’, ahd. reid, reidi ‘lockig, kraus’; mit der Bed. ‘zornrunzelnd’ aisl. reiðr ‘zornig’, ags. wrāð ‘zornig, feindlich, heftig’, as. wrēth, mnd. wrēt ds.;
lit. riečiù (*reiti̯ō), riẽsti ‘winden, wickeln, rollen’, lett. riešu, riest ‘abfallen, sich abtrennen’, davon lit. rietė́ti ‘auskriechen’, ablautend ritù, -aũ, rìsti ‘rollen, wälzen’, lett. ritu, rist ds., Iterativ lit. ráičioti ‘hin- und herrollen’;
eine Nebenform mit germ. t (lautlich beeinflußt von wrītan ‘reißen’?) in älter ndrhein. wrīten ‘drehen, verdrehen, wringen’, ndl. wrijten ‘drehen’.

WP. I 279 f., Trautmann 242.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal