Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wouw - (plantengeslacht)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2014-), etymologische artikelen, gepubliceerd op Neerlandistiek.nl

wouw (plant)

wouw ‘reseda luteola’, plant waaruit gele verfstof wordt gewonnen
Middelnederlands woude v. (1288–1301) ‘wouw, plant gebruikt voor het verven van textiel’, wouwe (1498, Leiden), Nieuwnederlands woude (nog sporadisch in de 16e eeuw), wouwe (1554), wauwe (1562), wou (1531, Leiden), wouw (1696) ‘reseda, geelvervende plant’. Afleiding: Mnl. wouden ww. (1296-1298) ‘verven met wouw’, wolden (1451–1460), Nnl. wouden (1531), wouwen (1793).
Verwante vormen: Middelnederduits wolde (1262, in een Latijnse tollijst); Middelengels wolde, welde, Nieuwengels weld ‘wouw; kleurstof uit wouw’. Deze vormen veronderstellen Oudengels *wealde. Frans gaude kan uit een Oudnederlandse of Westfrankische vorm *walda stammen. Mnd. waude en Nieuwhoogduits Wau (sinds de 18e eeuw) zijn met de lakenhandel uit het Nederlands ontleend.
Nederlands en Engels wijzen samen op Westgermaans *waldō(n)- v. ‘wouw’. De verdere etymologie is omstreden. Polomé’s reconstructie als PIE *gwhol-tā- ‘de gele’ (uit 1948 in Revue Belge de Philologie et d’Histoire 26, p. 541–568 ) is niet meer houdbaar omdat de wortel van geel niet meer met initiële *gwh- wordt gereconstrueerd.
Kroonen (2013: 569–570) pakt het oudere voorstel van een verbinding met het Latijnse lūtum ‘reseda luteola’ weer op. Vanwege de identieke betekenis is dat inderdaad aantrekkelijk. Maar aangezien Germaans *waldō- uit pre-Germaans *wolt- zou moeten komen, terwijl het Latijnse woord op *(w)lout-, *(w)loit- of *(w)lūt- moet teruggaan (zonder dat de aanwezigheid van *w- zeker is), zouden beide talen de plant dan van een onbekende derde (substraat)taal hebben ontleend waarin het woord in elk geval w, l en t bevatte. Bij een cultuurplant als de reseda luteola, die waarschijnlijk vanuit het Middellandse Zeegebied en Klein-Azië over Europa is verspreid, hoeft een dergelijk scenario niet te verrassen.
Daarnaast bestaat nog de alternatieve, in het Oxford English Dictionary genoemde verbinding met PGm. *walϸu-woud’, Duits Wald, uit PIE *wólH-tu- ‘het haar’ (vgl. Keltisch *wolto- ‘haar’ zoals in Oud-Iers folt, Welsh gwallt). Indien het daaraan verwant is, komt WGm. *waldō(n)- uit een PIE voorouder *wolH-téh2- ‘haren, bos haar’, die dan overdrachtelijk voor de plant reseda luteola gebruikt is. Gezien de recht opgaande bloemstengels en de weinige vertakkingen van de wouw is dat niet geheel ondenkbaar; in het algemeen is een verbinding tussen ‘haar’ en hoog opschietend gewas wel vaker te vinden, vergelijk bijvoorbeeld Avestisch varǝsa- ‘haar’ maar Sanskrit válśa- ‘twijg, scheut, spriet’, beide uit PIE *wolḱo-. Uiteraard zijn er wel meer planten die recht omhoog groeien, maar dat kan geen argument zijn tegen het daadwerkelijk voorkomen als benamingsmotief in een concreet geval.
[Michiel de Vaan, gepubliceerd op 25-01-2018]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wouw2* [plantengeslacht] {wolde, woude, wou(we) [de naam van diverse planten, o.a. reseda, die gele verfstof opleveren] 1306} middelnederduits wolde, middelengels welde, wolde, mogelijk verwant met latijn lutum, ( < ∗vlutum?) [wouw, gele kleur].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wouw 2 znw. v., ‘reseda luteola’, vroeger als gele verfstof gebruikt’, mnl. woude v. (> nhd. wau), nnd. woude, me. wolde, welde (ne. weld). Uit het germ. (waarschijnlijk uit het gotisch) ontleend zijn fra. gaude, ital. spa. gualda. Maar fra. waude ‘hoeveelheid voor een verfbad’ (sedert de 13de eeuw in Noord-Frankrijk) is ontleend aan mnl. woude (Valkhoff 241). Daar de plant uit de grond getrokken wordt en daarna in bundels gedroogd, is de samenhang met de idg. wt. *u̯el ‘rukken, plukken’ aannemelijk (vgl. J. Trier, Venus, 1963, 47 noot). — Zie verder: wild en woud.

De verbinding met lat. lutum ‘wouw’ (Wood JGPh 2, 213 vlgg.) hangt in de lucht, daar de etymologie van dit woord omstreden is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wouw II (reseda luteola). Kil. wouwe, mnl. woude v. Een ook ndd. woord; verder meng. wolde, welde (eng. weld). Uit het Ndl.-Ndd. nhd. wau m., fr. gaude, spa. gualda “wouw, reseda”. Oorsprong onzeker. Alleen naar den vorm oordeelend, zou men ’t als een afl. van woud beschouwen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wouw II (reseda luteola). Fr. gaude, spa. gualda zijn oude ontll. uit het Germ., wsch. uit het Got. Is het germ. woord verwant met lat. lûtum (*wl-) ‘wouw’?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wouw 1 v. (plant), Mnl. woude = walde + Eng. weld: oorspr. onbek. Uit het Ndl. komt Hgd. wau. Van hier ook Fr. gaude.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

reseda
Wilde reseda | Reseda lutea L.
Wouw | Reseda luteola L.

De Nederlandse naam Reseda is dezelfde als de Latijnse geslachtsnaam. Reseda is afgeleid van het Latijnse werkwoord sedare, wat tot rust brengen betekent. Resedare is dan opnieuw tot rust brengen, kalmeren. Plinius de Oudere (23-79) verhaalt in zijn boek Naturalis Historiae dat men de volgende bezweringsformule gebruikte: “Reseda, morbos reseda!”“Kalmeer, zieke, kalmeer!”, terwijl men een Reseda-plant op een gezwel of zweer legde.

De Wilde reseda werd met wild betiteld om ze te onderscheiden van de hierna vermelde Wouw die vroeger als cultuurplant gekweekt werd, maar weliswaar nu ook in het wild voorkomt.

Over de verklaring en de oorsprong van de Nederlandse naam Wouw en de Duitse naam Färberwau werd al heel wat etymologisch onderzoek gedaan, zonder een bevredigend resultaat op te leveren. Interessant om weten is dat deze plant al in de Oudheid en tot de jaren 1700 gekweekt werd om er een gele kleurstof uit te extraheren. Daarop wijzen niet alleen de Duitse naam Färberwau – wouw om te kleuren – , maar ook de Engelse naam Dyer’s Rocket – raketachtige plant voor de stoffenverver – en de Franse naam Herbe à jaunir – plant om geel te kleuren. De bovenste bladeren werden afgekookt wat dan een gele kleurstof opleverde, waarmee zijde, wol en linnen gekleurd werden. In combinatie met een blauwe kleurstof kon ook een groene kleur bereikt worden. Volgens Dodoens (1618) werd de plant vroeger gekweekt in het Leuvense en het Brusselse.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wouw ‘plant’ -> Duits Wau ‘plant’; Deens † vav ‘plant’ <via Duits>; Noors vau ‘plant’ <via Duits>.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal