Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

worst - (vleeswaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

worst zn. ‘vleeswaar’
Mnl. worst [1240; Bern.], in arnoude den vleschouwer van worsten .ii1/2. sol ‘(betaald aan) Arnoud de Vleeshouwer tweeënhalve schelling voor worsten’ [1285-86; VMNW].
Os. worst (mnd. worst); ohd. wurst (nhd. Wurst); nfri. woarst; alle ‘worst’, < pgm. *wursti-.
Herkomst onduidelijk. Wrsch. een afleiding met het achtervoegsel pgm. *-s-ti-, waarvoor zie → last. Mogelijk door vereenvoudiging ontstaan uit pgm. *wurþ-sti-, bij de wortel *werþ- < pie. *uert- ‘draaien’, zie → worden (FvW, Toll., Pfeifer). De worst zou dan als ‘het ineengedraaide’ te beschouwen zijn. Een andere mogelijkheid is afleiding van de wortel pie. *uers- ‘wegvegen’, die misschien ten grondslag ligt aan pgm. *wersan- > *werran- ‘onrust veroorzaken, in verwarring brengen’, zie → war. Hierbij is het betekenisverband met worst echter zeer zwak; om dit sterker te maken, neemt men voor deze wortel pgm. *uers- wel een oorspr. betekenis ‘dooreenmengen’ aan, wijzend op de ruimtelijke betekenis van verwarren (Duits verwirren enz.), maar dat lijkt minder wrsch.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

worst* [met vleeswaar gevulde darm] {1201-1250} oudsaksisch worst, oudhoogduits wurst; van een i.-e. stam met de betekenis ‘draaien’, waarvan ook worden is afgeleid.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

worst znw. v., mnl. worst v., os. worst, ohd. nhd. wurst. — Indien men uitgaat van een bet. ‘het gedraaide’, dan kan kan men een idg. grondvorm *u̯ṛt-s-ti aannemen, van de wt. *u̯ert, waarvoor zie: worden. Vat men het woord als ‘dooreenmenging van soorten vlees’, dan hangt het samen met de groep van warren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

worst znw., mnl. worst v. = ohd. (nhd.) wurst, os. worst v. “worst”. De bet. verklaart zich ’t best, als we van idg. *wert-s-ti- (*wṛt-s-ti-) uitgaan, van de basis wert- “draaien” (zie worden), minder goed, als we een met warrelen verwant *wers-ti- (*wṛs-ti-) aannemen; ten onrechte bij werken gebracht.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

worst n., Mnl., Os. id. + Ohd. wurst (Mhd. en Nhd. id.): Ug. *wurþ-ti-, van denz. wortel als worden, dus worst = wat gewrongen is.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

weurs (zn.) worst; Vreugmiddelnederlands worst <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

wors s.nw.
1. Gemaalde vleis in 'n derm, of namaaksel daarvan, gestop. 2. Iets wat aan 'n wors (wors 1) herinner, gewoonlik iets lank en dun.
Uit Ndl. worst (al Mnl. in bet. 1, 1511 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884).
Ndl. worst is 'n afleiding van 'n Indo-Germaanse wortel wat 'draai' beteken.
D. Wurst (11de eeu), Eng. wurst (1855 in bet. 1). Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1936 in bet. 1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wors: derm m. gemaalde vleis; Ndl. worst (Mnl. worst), Hd. wurst, hou mntl., net soos word, verb. m. Lat. vertere, “draai”, v. ook hanswors, en oor idiom. uitdr.: “wors in ’n hondestal soek” Scho TWK 14, 1, p. 37-8; v. word.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Wors snw. Segsw.: Wors soek in ’n hondehok, vergeefse werk verrig (Mansvelt 185). – N. T. XII (Sprw. en sprw. Uitdr. voorn. uit Goeree en Overflakkee): “Men moet geen spek in een hondenhok zoeken, zoek niet naar gestolen voorwerpen in de woning van gauwdieven;” Corn. en Vervl. 1153: Het spek in den hondsnest zuken, iets zoeken waar ’t niet verloren is.” Ook nog by Joos 294 en Dijkstra III, 495. Die spreekwyse was in vroeër Nederlands baie gewoon en kom in allerlei vorme in talryke ou spreekwoordeversamelinge voor. Sien Harreb. III, 228. Vgl. ook Eckart 115: Find’ man im Hun’nstall ôk Brôd? Ha.; en 119: Is der ôk Flêsk in ’t Hunnenüst?

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

worst, worst-op-pootjes: (jeugdtaal) dik, onaantrekkelijk persoon. Syn.: boerenmetworst*, bolle*, boterberg*, dikke*, fatso*

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

worst (dat is me --) (Duits das ist mir Wurscht/Wurst?)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

worst. In Josephs Droef en Bly-eind Spel [1639] van J. Tonnis komt de bastaardvloek “O duysent duycker, o ganse bloet inde Worst, Dat ick nu eens rasen en parl’menteren dorst voor. Hertaald wil dat zeggen: ‘Wel alle duivels, wel alle bloed van God in de worst, als ik nu eens razend te keer dorst te gaan.’ Misschien is bloed van God in de worst het best te parafraseren als ‘wel verdraaid, God nog aan toe’. Het blijft gissen. In Vlaanderen kent men de verwensing ik schijt u een worst met een pin! Zij drukt afkeer, haat, minachting en weerzin uit. Voor de goede orde vermeld ik dat een worst met een pin letterlijk betekent ‘een drol die op een puntje uitloopt’. → schijten.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Worst, van den Germ. wt. wers = dooreenmengen; zie War.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

worst ‘met vleeswaar gevulde darm; worstvormig voorwerp: afgehakt stuk touw’ -> Russisch vórsa, vorst ‘afgehakt stuk touw’; Amerikaans-Engels dialect † wurst, wust ‘met vleeswaar gevulde darm’ (uit Nederlands of Duits); Papiaments wòrs (ouder: worst) ‘met vleeswaar gevulde darm’; Sranantongo worst ‘soort bloedworst’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

worst* met vleeswaar gevulde darm 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal