Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wol - (zacht haar van dieren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

wol zn. ‘zacht haar van dieren’
Mnl. wolle ‘wol’ [1240; Bern.].
Mnd. wulle; ohd. wolla (nhd. Wolle); ofri. (w)ulle, ul (nfri. wol(le)); oe. wull (ne. wool); on. ull (nzw. ull); got. wulla; < pgm. *wullō- ‘wol’, met assimilatie uit ouder *wulnō- zoals ook bij → vol.
Verwant met: Latijn lāna (zie ook → lanoline); Grieks lẽnos; Sanskrit ū́rṇā-; Avestisch varənā-; Litouws vìlna; Oudkerkslavisch vlĭna (Russisch dial. vólná); Oudiers olann (Welsh gwlān, Bretons gloan, Cornisch gluan); Hittitisch hulana-; alle ‘wol’, < pie. *h2ulH-neh2-, -no- (IEW 1139).
Verder verband, bijv. met de wortel pie. *uelh3- ‘slaan, afrukken’ van o.a. Latijn vellere, is speculatief.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wol* [haren van sommige dieren] {wol(le), wulle 1201-1250} middelnederduits wolle, wulle, oudhoogduits wolla, oudengels wull, oudnoors ull, gotisch wulla; buiten het germ. oudindisch ūrṇā, avestisch varanā, latijn lana [wol] en vellus [vel, vlies], grieks oulos, (< ∗wolnos) [wollig], lènos [wol], oudiers olann, litouws vilna, oudkerkslavisch vlŭna, hettitisch hulana-, vermoedelijk verwant met gotisch wilwan [roven], latijn vellere [plukken, rukken], zodat de wol genoemd is naar het plukken van de dieren; mogelijk verwant met latijn volvere [draaien], in welk geval de naam van het kroezige is afgeleid (vgl. flanel, velours). De uitdrukking door de wol geverfd [totaal onbeschaamd] betekent ‘tot in de vezels geverfd’ en werd gezegd van wol die eerst werd geverfd voordat er laken van werd gemaakt. In dit geval houdt de kleur beter, is zij bestand tegen invloeden van buiten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wol znw. v., mnl. wolle, wulle v., mnd. wulle, wolle, ohd. wolla (nhd. wolle), ofri. ulle, wolle, oe. wull (ne. wool), on. ull, got. wulla. — oi. ū́rṇa, lit. vìlna, osl. vlǔna, lat. lāna, gr. lãnos (IEW 1139). — Zie wild en woud.

Men vat dit woord gewoonlijk op als afl. van de idg. wt. *u̯el ‘rukken, scheuren’ (waarvoor zie: woelen); vgl. lat. vellus ‘afgeschoren wol, vlies’; zie ook: woud (IEW 1139). Dan dus omdat de wol oudtijds uitgetrokken werd; vgl. naast lat. vellus ook vello ‘uitplukken’. — Mogelijk is het echter ook te verbinden met *u̯el ‘draaien, winden’, vgl. gr. oulos (< *u̯olno) ‘kroes’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wol znw., mnl. wolle (wulle) v. = ohd. wolla (nhd. wolle), mnd. wulle, wolle, ofri. ulle, wolle, ags. wull (eng. wool), on. ull, got. wulla v. “wol”, germ. *wullô- < idg. *welǝnâ- (*wḷ̂nâ-) = lat. lâna, oi. ū́rṇâ-, serv. vȕna (alg.-slav.) “wol”, lit. vilna “wolvlok”, mv. “wol”. Ook gr. lḗnos, dor. lānos “wol” zal wel < e hebben. Met ander vocalisme kymr. gwlan, ier. olann “id.” (uit *wlanâ-), gr. oúlos (*wolno-s) “kroes”, ags. wil-mod “colus”, lat. vellus “afgeschoren wol, vlies”, arm. gełmn “wol, vilt”. Men leidt deze woorden af van een idg. basis wel(âx)- “plukken”, waarvan ook lat. vello “ik pluk, ruk”, got. wilwan “rooven”, kymr. gwellaif “forceps, forfex” worden afgeleid: onzeker, aangezien deze woorden het bestaan van wel- “uitrukken, plukken” niet bewijzen: lat. vello wordt ook anders verklaard, en gr. heleīn “nemen” is zeker ten onrechte hierbij gebracht. Even onzeker is de combinatie met wel- “draaien, winden” (zie walen).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wol. Over de idg. basis *wel- ‘scheuren, rukken’ zie nog wolf Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wol v., Mnl. wolle en wulle + Ohd. wolla (Mhd. wolle, Nhd. id.), Ags. wull (Eng. wool), On. ull (Zw. id., De. uld), Go. wulla: Ug. *wullō, geassim. uit *wulno + Skr. ūrṇā, Gr. oũlos (d.i. * u̯olnos), Lat. lana (d.i. * u̯lana), Oier. olann, Osl. vlŭna, Lit. vilna: Idg. * u̯l̥nā enz.: z. ook lam 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

wol s.nw.
1. Sagte hare van diere, veral skape, waarvan klere gemaak word. 2. Weefsel van wol (wol 1) berei. 3. Goedere van wol (wol 2) gemaak.
Uit Ndl. wol (Mnl. wolle). Eerste optekeninge in Afr. by Pannevis (1880) in die afleiding wollerig en in Patriotwoordeboek (1902).
D. Wolle (9de eeu), Eng. wool (ongeveer 725 in bet. 1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wol: vag v. sommige diere; weefsel v. dierevag; Ndl. wol (Mnl. wolle/wulle), Hd. wolle, Eng. wool, hou verb. m. Lat. lana, Gr. lênos (Dor. lanos), “wol”, asook m. Lat. vellus, “afgeskeerde vag/vlies”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wol, Idg. welna, bet. eig.: het bedekkende.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wol ‘haren van sommige dieren’ -> Indonesisch wol ‘haren van sommige dieren’; Ambons-Maleis wol, benang wol ‘haren van sommige dieren’; Javaans wol ‘garen gemaakt van dierenharen’; Kupang-Maleis wol, benang wol ‘haren van sommige dieren’; Madoerees wol ‘haren van sommige dieren’; Menadonees wol, benang wol ‘haren van sommige dieren’; Muna wolu ‘garen gemaakt van dierenharen’; Ternataans-Maleis wol, benang wol ‘haren van sommige dieren’; Creools-Portugees (Ceylon) wol ‘haren van sommige dieren’; Negerhollands wol ‘haren van sommige dieren’; Sranantongo wol ‘haren van sommige dieren’; Arowaks wolu ‘haren van sommige dieren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wol* haren van sommige dieren 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

662. Veel geschreeuw en weinig wol,

< d.w.z. veel beweging, drukte om niets, veel arbeid en weinig voordeel, groot laweit in een klein straatje (Claes, 133), of zooals de Franschen zeggen: plus de bruit que de besogne. De spreekwijze komt in vele talen voor. In Zuid-Nederland zegt men veel wind en weinig regen (Tuerlinckx, 731), veel gescheer (of geschreeuw) en weinig (of luttel) wol (Schuermans, 150 a; Teirl. 483; Antw. Idiot. 477); bij Joos, 87; 198: veel gerucht, maar weinig munt, zei de boer, en hij danste op' nen hoop mosselschelpen; elders veel wind, maar een klein blaasken; veel wind, maar weinig te malen (Waasch Idiot. 746). In Limburg: veul beheij of gesjreij wieenig wol (Jongeneel, 89). Ook in vele Duitsche dialecten: Geschreies viel und lützel Wolle gap ein Su; gross Geschrey, wenig Wolle; viel Geschrey und wenig Wolle, sprach der Teuffel (oder: sprach jener, sprach der Narr) und beschor ein Saw, dat we ook vinden bij Harrebomée I, 156: veel geschreeuw maar weinig wol, zei de drommel en hij schoor zijne varkens; vgl. ook het ital. assai romore e poca lana, disse colui che tosava la porca; fr. grande rumeur, petite toison dit celui qui tond les cochonsLe Roux de Lincy I, 172.; het eng. great cry and little wool; zie Borchardt, 441; Wander I, 1601; Taalgids V, 177 en Eckart, 309. De oudste mij bekende plaats, waar we de uitdr. aantreffen is Poirters, Mask. 217: Veel gheschreeuws dan, Lieve Philothea, en weynigh wol, dat is, een uyt-wendigh geluydt, en een in-wendige ydelheyt. Zie verder Smetius, 82: Groot geruysch ende weinich wolle; een breet gebouw ende een enge straet; Bank. II, 104; De Brune, 229: Groot ghetier, en weinigh woll: Cats I, 502: Veel geschreeuws en luttel wol; Tuinman I, 228: Veel geschreeuws, en weinig wol; Harreb. I, 156 a; III, 170. Te vergelijken zijn o.a. het 17de-eeuwsche: veel kaecks op 't nest, en noyt een ey (Huygens VI, 88); veel vlagghen, luttel botters (Anna Roemers I, 192); het fr. beaucoup de caquet et peu d'effet, enz. Zie verder Ndl. Wdb. IV, 1740; Waasch Idiot. 251 b; mlat. bos mugiens multum dat lactis ab ubere parum (Werner, 7).

1232. Naar (de) kooi gaan,

d.w.z. naar bed gaan; hd. in die oder zu(r) Koje gehen (Schrader, 292; Kluge, Seemansspr. 469); oostfri. to kôi gân; eene zeemansuitdrukking. Onder de kooi verstaat men de slaapplaats voor scheepsgasten; vgl. Kiliaen, 310: Koye int schip, cubile nauticum, lectulus nautae; Winschooten, 118; Huygens, Scheepspraet, 17: Mouringh was te koy ekropen; vgl. Halma, 280: Gaa naar kooi, couchez vous. Synonieme uitdrukkingen zijn: in de mat kruipen (De Vries, 83Vgl. fri. matte, duivenhok, nachthok voor kippen.); te vak goan (Molema, 439); naar zijn nest naar de koetscoupé gaan (Jong, 178), naar de couché gaan, naar den koffer (fr. aller dans son nid), zijn mandje, zijn koets gaan, den poetszak ingaan, gaan (Köster Henke, 35), op den koffer kruipen; ook koffertje (zie Peet, 131), in zijne pijp kruipen (Antw. Idiot. 961; De Bo, 856) en naar de pijp gaan (in Gelderland, Gallée, 93 b en in Limburg, Welters 107), waarbij men bedenke, dat de woonplaats van wilde konijnen, dassen en vossen eene pijp genoemd wordt; naar zijne douw (wieg?), zijne schelp gaan (Schuerm. 103 a); in Limburg: tusschen de schummele (= schimmels, witte paarden) goân; in Groningen in 't vijrkant goan (Molema, 463 b); fri.: op 't fjouwerkant gean; op 'e prikke gean; naar zijnen eemer gaan (Antw. Idiot. 394); naar Bethlehem gaan (vgl. Paffenr. 70: Zijn kwartier te Bethlehem nemen), woordspeling met bed (Antw. Idiot. 221; 't Daghet, XII, 142); naar Betje van Veeren (in de Lakenstraat) of naar Kaatje in de Wolstraat gaan; naar Betje Bultzak gaan (Harreb. II, LXXXII); in (of onder) de wol kruipen (Onze Volkstaal II, 120); naar de Vierhoekstraat gaan; de klossebak ingaan (Boekenoogen, 458). In Zuid-Nederland: naar zijn bak (vgl. hd. Penne), zijn kooi, zijn keet, zijn pier (zie Ndl. Wdb. XII, 1564), zijn kevie, zijn sjees gaan; in zijnen polder kruipen; dodo gaan; vgl. hd. in die Federallee spazieren, in die Federredoute gehen, ins Federfeld springen, sich nach Federhausen verfügen, nach Lagerhausen oder Bethlehem gegen, nach Posen umsehen (Schrader, 313); in die Falle oder die Klappe gehen, nach Interlaken reisen; fr. se mettre entre deux draps, dans les toiles; aller au pieu; se coller dans le pieu; eng. to get between the blankets (or sheets); to go to the land of Nod; to go to Bedfordshire; to fluke.

2599. In de wol geverfd,

d.w.z. van iets goed op de hoogte zijn, meestal in ongunstigen zin; doortrapt zijn, onbeschaamd zijn; eig. er van doortrokken zijn, zooals de wol van eene kleurstof doortrokken is; vgl. het lat. imbutus, dat door Hooft wordt weergeven door doorverft. In eigenlijken zin gebruikt van wol, die eerst geverfd en dan tot laken bereid wordt; de kleur is dan standvastiger, het laken zal minder verschieten, dan wanneer eerst het laken bereid wordt en daarna geverfd, omdat in dit geval de kleurstof niet zoo goed doortrektN.W. Posthumus, Leidsche Lakenindustrie, bl. 50-51; De Brune, Bank. I, 13: Dat in de Wol geverwt is, zal altijt zijn couleur behouden.. De uitdr. komt in de 16de eeuw voor bij Goedthals, 56: t Is al oudt vuyl, in de wulle gheverwt, les plus taincts sont les plus noirsVgl. Tuinman I, 356.; Sartorius I, 9, 16: Homo perfrictae frontis, die een houten voorhooft heeftVgl. no. 317., die in de wol geverft is, impudentem atque effrontem significat, ut cui frons sit lignea, et erubescere nescia; Smetius, 109: Hij is in de wolle geferft, hij en verschiet niet, qui est d'une face effrontée, sans changer couleur ou visage; Idinau, 169:

 In de wolle gheverwet, dat seght men van sulcken,
 Die niet licht en ver-anderen van koleure:
 Noch licht om iet en booghen of bulcken,
 Maer gaen stout met den haeren deure.
 Niemandt en kan hebben s' doods ure tot keure.

Volgens deze citaten is de ontwikkeling der bet. kleurvast zijn, en daarna niet licht van kleur verschieten, kwaad doen zonder te blikken of te blozen, doortrapt, geslepen zijn. Huygens VI, 33 gebruikt eene eenigszins andere uitdr. nl. tot in de wol geverwt zijn, waarnaast in de 18de eeuw evenals thans ook voorkomt door de wol geverfd zijn (zie het Leydze Bierhuys, anno 1758, bl. 30: Hij is zo door de wol geverft, daar schynt geen schaamt in te steeken), dat wellicht moet worden verklaard als eene samensmelting van in de wol geverfd zijn en doortrokken zijn van ietsNoord en Zuid XXI, 425.. Zie verder Tuinman I, 356; Goeree en Overflakkee: door de wol heen zijn (N. Taalgids XIII, 136); Antw. Idiot. 1457: in de(n) wol geverfd zijn, listig, zeer slim zijn; vgl. onze uitdr. doortrapt zijn, dat in de 17de eeuw in gunstigen zin gebruikt werd; hel Westvl. doordrenken zijn in iets (De Bo, 253) en Tuerlinckx, 130: doorgedaan zijn. In het Land van Aalst: doortrokken zijn gelijk een smoutkan, doortrapt zijn (zie no 466). Ook in het hd. zegt men in der Wolle gefärbt sein; ein in der Wolle gefärbter Spitzbube; nd. hä es en der Woll gefärv (Eckart, 574); ook mnd. ein dorchdrevener, drehariger schalck, so in de wulle gefarvet. Evenzoo in het Friesch: hy is yn 'e wol ferwe, door en door ondeugend; in Groningen: in de wol verfd wezen, er warm inzitten, vermogend zijn (Molema 579 b). Vgl. nog het eng. an ass, a fool in grain, dyed in (the) grain, in (the) wool; Harreb. II, 476; B.B. 339: Al wat daar achter de coulissen van daan komt is slim en in de wol geverfd; De Amsterdammer, 8 Nov. 1914 p. 4 k. 3: Langzamerhand door de wol geverfd; De Arbeid, 1 April 1914 p. 3 k. 2: Ik voer dit alleen maar aan om te doen zien, dat de modernen door de wol geverfde opscheppers zijn; Groot-Nederland, 1914 (Oct.) bl. 456: 'n Zoo door de wol geverfde Judas Iskariot as jij! Kmz. 187.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

u̯el-4, u̯elǝ- in Worten für ‘Haar, Wolle’, auch ‘Gras, Ähre, Wald’, Beziehung zu *u̯el- ‘drehen’ (‘Kraushaar’ u. dgl.) oder *u̯el- ‘reißen, rupfen’ ist möglich, u̯l̥̄-nā ‘Wolle’, u̯ol-ko-, u̯ol-k̑o- ‘Faser’; u̯(o)l-to- ‘Haar’

A. Ai. ū́rṇā f. (vgl. ai. ū́rṇā-vábhi- ‘Spinne’, oben S. 1114) ‘Wolle’, av. varǝnā ds., gr. λῆνος, dor. λᾶνος n. ‘Wolle’, lat. lāna ds., lānūgō ‘Flaum des Bartes, Milchhaare’, got. wulla, ahd. wolla usw. ‘Wolle’, lit. vìlna ‘Wollfaser’, Pl. ‘Wolle’, lett. vilna ‘Wolle’, apr. wilna ‘Rock’, r.-ksl. vlъna, serb. vȕna ‘Wolle’; schwächere Ablautform *u̯lǝnā in cymr. gwlan, corn. gluan, bret. gloan (brit. Lw. ist mir. olann) ‘Wolle’;
andere Vokalstufe in lat. vellus, -eris ‘Vlies’ (villus ‘das zottige, wollige Haar der Tiere’) = ags. wil-mod ‘colus’ (d. i. ‘Wollstange’, wie wul-mod), wohl auch arm. gełmn ‘Wolle, Vlies’; Beziehung zu lat. vellere (u̯el-8) aus *u̯el-s-ō liegt nahe; *u̯lō- in gr. λῶμα n. ‘Saum, Gespint’, germ. *wlōha- (unter B) und idg. *u̯lō-ro- (u̯el-7) S. 1143.
B. Gutturalerweiterungen:
Ai. valká- m. ‘Bast, Splint’, valkala- ‘Bastgewand’, vr̥kala- n. ‘Bastgewand; ein bestimmtes Eingeweide’; isl. f., dän. lu ‘Tuchflocke, das Rauhe an Kleidern’, ags. as. wlōh ‘Faser, Franse, Flocke’ (germ. *wlōha-); aisl. lagðr ‘Büschel Wolle oder Нааг’ (*wlagaþa-); aksl. vlakno, russ. voloknó ‘Faser, Faden’; mit idg. k̑: ai. válśa- m. ‘Schößling, Zweig’ (dies weist auf ‘biegsame Rute’) und av. varǝsa-, npers. gurs = aksl. vlasъ, russ. volos ‘Haar’; zu einer von beiden Wzf. gehört gr. λάχνη f. ‘krauses Haar’ (*u̯l̥ksnā), λάχνος m. ‘Wolle’;
vgl. unter *u̯el- ‘drehen’ die ebenfalls auf *u̯olk- weisenden ags. wielgan ‘rollen’, ahd. wal(a)gōn.
C. Dentalerweiterungen:
Gr. λάσιος (*ϝλατιος, idg. *u̯l̥t-ii̯os) ‘dicht mit Wolle oder Haaren, auch Gestrüpp bewachsen’; air. folt ‘Haar’, cymr. gwallt, acorn. gols, abret. guolt ds., davon abret. guiltiat, guiliat, guoliat, mbret. guilchat ‘Schur, Tonsur’ und cymr. gwellaif, acorn. guillihim ‘Schere’, vielleicht auch cymr. gwellt, corn. gwels ‘Gras’, abret. gueltiocion ‘fenosa’ (oder zu mir. geltboth ‘pābulum’, gelid ‘grast’ S. 365, mit gw nach gwallt?);
ahd. as. wald ‘Wald’, ags. weald ds., aisl. vǫllr ‘Wiese’; nach E. Lewy (KZ. 40, 422) und Holthausen (KZ. 46, 178) würde Wald als *(s)u̯altus zu lat. saltus ‘Engpaß, Bergwald’, gehören, das dann von saltus ‘Sprung’ zu trennen wäre (oben S. 899), während Ernout-Meillet 2889 beide vereinigen (vgl. Pas de Calais usw); andere stellen Wald zu got. wilþeis ‘wild’, aisl. villr ‘wild, verrückt’, ags. wilde, as. ahd. wildiwild, unbebaut’ (*u̯eltii̯o-), nhd. Wild (*u̯eltos), wozu ferner cymr. gwyllt ‘wild, wahnsinnig, schnell’ (*ueltī-), corn. guyls ‘wild, unbebaut’, abret. gueld-enes ‘insula indomita’ (mir. geilt ‘Wahnsinniger’ ist wohl brit. Lw.);
lit. váltis ‘Haferrispe, Haferspelte’ (auch ‘Garn’), apr. wolti ‘Ähre’, ukr. volótь ‘Rispe’, serb. usw. vlȃt ‘Ähre’;
mit Media (aspir.?) aksl. vladь, aruss. volodь ‘Haar’.
D. Ai. vāla-, vāra- m. ‘Schweif(haar), Haarsieb’, ablaut. lit. valaĩ ‘Schweifhaar des Pferdes’.

WP. I 296 ff., WH. I 756, II 745, Trautmann 341, 359, Vasmer 1, 220 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal