Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

woekeren - (onmatig hoge rente vorderen)

Etymologische (standaard)werken

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

woekeren ww. Reeds mnl. ohd. (wuocherôn) mnd.; os. wôkrian = “zich verwerven”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

oekeren, hoekeren, ww.: welig tieren, zich vermenigvuldigen; in ontucht leven. Vlaams woekeren, oekeren ‘welig tieren, zich snel vermenigvuldigen’, Wvl. ook ‘omgang hebben met (pej.), frequenteren, vreemdgaan met, blijven hangen, rondhangen’. Mnl. woekeren ‘toenemen, voortwoekeren’, woeker ‘woeker, interest’, Vnnl. woukeren, vermeerderen ‘augmenter’ (Lambrecht). Ohd. wuohhar ‘oogst, opbrengst, winst’, Mhd. wuocher, Mdd. wûcher, wôcher ‘opbrengst, interest’, Mnd. wôker, wûker ‘interest’, Oe. wôcor ‘interest’, Ofri. wôker ‘rente, woeker’, Got. wôkrs ‘interest’, On. okr ‘interest, woeker’. Oekeren door assimilatie van de w aan de velare klinker oe, maar kan eventueel op Mnl. oken(en) ‘vermeerderen, vergroten, toenemen’ teruggaan, Oe. êacian, On. auka, Got. aukan ‘toenemen, vermeerderen’. Afl. met Germ. -ra-, Idg. -ro-suffix van Idg. *ṷeg-/-ṷog uit Idg. wortel *(a)ueg, -aug-, die ook schuilt in Lat. augere ‘vermeerderen’, Ndl. wassen ‘toenemen’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

oekeren, oetelen ww.: samenhokken (in kleine ruimte); zich ergens ophouden, stilletjes zitten, in het verborgene scharrelen, knutselen. Vlaams woekeren, oekeren ‘welig tieren, zich snel vermenigvuldigen’, Wvl. ook ‘omgang hebben met (pej.), frequenteren, vreemdgaan met, blijven hangen, rondhangen’. De Zeeuwse betekenisverschuiving is duidelijk beïnvloed door hoek. Ghijsen spelt daarom hypercorrect en volksetymologisch ‘oekeren, alsof het hoekeren was. Mnl. woekeren ‘toenemen, voortwoekeren’, woeker ‘woeker, interest’, Vnnl. woukeren, vermeerderen ‘augmenter’ (Lambrecht). Ohd. wuohhar ‘oogst, opbrengst, winst’, Mhd. wuocher, Mdd. wûcher, wôcher ‘opbrengst, interest’, Mnd. wôker, wûker ‘interest’, Oe. wôcor ‘interest’, Ofri. wôker ‘rente, woeker’, Got. wôkrs ‘interest’, On. okr ‘interest, woeker’. Oekeren door assimilatie van de w aan de velare klinker oe, maar kan eventueel op Mnl. oken(en) ‘vermeerderen, vergroten, toenemen’ teruggaan, Oe. êacian, On. auka, Got. aukan ‘toenemen, vermeerderen’. Afl. met Germ. -ra-, Idg. -ro-suffix van Idg. *u̯eg-/-u̯og uit Idg. wortel *(a)ueg, -aug-, die ook schuilt in Lat. augere ‘vermeerderen’, Ndl. wassen ‘toenemen’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

woekeren, oekeren (Al, W, ZO), ww.: welig tieren, zich snel vermenigvuldigen. Mnl. woekeren 'toenemen, voortwoekeren', woeker 'woeker, interest', Vnnl. woukeren, vermeerderen 'augmenter' (Lambrecht). Ohd. wuohhar 'oogst, opbrengst, winst', Mhd. wuocher, Mdd. wûcher, wôcher 'opbrengst , interest', Mnd. wôker, wûker 'interest', Oe. wôcor 'interest', Ofri. wôker 'rente, woeker', Got. wôkrs 'interest', On. okr 'interest, woeker'. Oekeren door assimilatie van de w aan de velare klinker oe, maar kan eventueel op Mnl. oken(en) 'vermeerderen, vergroten, toenemen' teruggaan, Oe. êacian, On. auka, Got. aukan 'toenemen, vermeerderen'. Afl. met Germ. -ra-, Idg. -ro-suffix van Idg. *ueg-/-uog uit Idg. wortel *(a)ueg, -aug-, die ook schuilt in Lat. augere 'vermeerderen', Ndl. wassen 'toenemen'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2woeker ww.
1. Woeker (1woeker) neem. 2. Voordeel trek uit iets. 3. Vinnig groei.
Uit Ndl. woekeren (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. in bet. 1 en 2 in Patriotwoordeboek (1902).
D. wuchern.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

okeren, okkeren woekeren (Veluwe). Iteratief bij mnl. ooken ‘vermeerderen’ (= got. aukan ‘vermeerderen’ = lat. augēre ‘vermeerderen’) ~ oind ôjas ‘kracht’.
TNTL XXXVIII 269, Van Schothorst 40.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

woekeren (DB, K, O), oekeren (B, R, GG: Passendale), hoekeren, noekeren (DB), ww.: omgang hebben met (pej.), frequenteren, vreemdgaan met, nestelen, blijven hangen, rondhangen; welig tieren. Hoekeren is alleen maar een hypercorrecte spelling voor oekeren. Mnl. woekeren ‘toenemen, voortwoekeren’, woeker ‘woeker, interest’, Vroegnnl. woukeren, vermeerderen ‘augmenter’ (Lambrecht). Ohd. wuohhar ‘oogst, opbrengst, winst’, Mhd. wuocher, Mdd. wacher, wacher ‘opbrengst, interest’, Mnd. wôker, waker ‘interest’, Oe. wôcor ‘interest’, Ofri. wôker ‘rente, woeker’, Got. wôkrs ‘interest’, On. okr ‘interest, woeker’. De var. oekeren door assimilatie van de w aan de volgende velare vocaal oe, maar kan eventueel op Mnl. oken(en) ‘vermeerderen, vergroten, toenemen’ teruggaan: Os. ôkian, Ohd. ouhhôn ‘vermeerderen’, Oe. êacian, On. auka, Got. aukan ‘toenemen, vermeerderen’ Afl. met Germ, -ra-, Idg. -ro-suffix van Idg. *ṷeg-/-ṷôg uit Idg. wortel *(a)ueg, -aug-, die ook schuilt in Lat. augere ‘vermeerderen’, Ndl. wassen ‘toenemen’. De grondbetekenis is dus ‘vermeerderen, toenemen’, vandaar ‘in groot getal aanwezig zijn, omgaan met’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

woeker: s.nw. en ww., onbillike wins; (as ww.) voordeel trek uit; vinnig groei (bv. onkruid); Ndl. woeker (Mnl. woeker), Hd. wucher, Got. wokrs, “rente; wins”, hierby ww. Ndl. woekeren, Hd. wuchern, wat ook verb. hou m. wuchs, “groeikrag, wasdom”; herk. hoërop onseker.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Woekeren, frequ. van woeken („door het woeken om rijkdom”), van den Germ. wt. wak = ontstaan, dragen, voortbrengen; verwant met den Idg. wt. wog = bedrijvig zijn (zie Wekken), en daardoor: iets verkrijgen, zijn bezitting vermeerderen; verwant is dan ook den Idg. wt. aug = vermeerderen, zie Oogst, Ook. Het woord woeker w.d.z.: vermeerdering, verdienste, winst, vgl. woekeren (van onkruid), voortwoekeren. Thans heeft woeker het bijbegrip: te groote winst.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

woekeren ‘onmatig hoge rente vorderen’ -> Papiaments † woeker ‘onmatig hoge rente vorderen’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2231. Met zijn talenten woekeren,

zijn gaven productief maken, ze zoo goed mogelijk besteden, er zooveel mogelijk voordeel van trekken, is evenals zijn talenten niet begraven, d.i. zijn kennis en bekwaamheden niet ongebruikt laten, ontleend aan de gelijkenis, die staat opgeteekend in Matth. XXV, 14-30.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal