Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

winter - (koudste jaargetijde)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

winter zn. ‘koudste jaargetijde’
Onl. wintar ‘winter’ als glosse uinter [8e-9e eeuw; ONW], in de samenstelling uuintarmanoth ‘wintermaand’ [ca. 1050; CG II-1, 122]; mnl. winter [1240; Bern.].
Os. wintar (mnd. winter); ohd. wintar (nhd. Winter); ofri. winter (nfri. winter); oe. winter (ne. winter); on. vetr (nzw. vinter); got. wintrus; < pgm. *wintru-.
Verdere herkomst onbekend. Er zijn geen zekere verwante woorden buiten het Germaans. Er bestaan vele hypothesen, onder andere: verband met de wortel van → water, met nasaal als in de met water verwante woorden Latijn unda ‘golf’ en Litouws vanduõ ‘water’, Oudpruisisch wundan ‘id.’, en waarbij winter = ‘het natte jaargetijde’; of verband met Oudiers find ‘wit’, vanwege de kleur van de sneeuw. Geen ervan is morfologisch en semantisch overtuigend.
Het Indo-Europese woord voor ‘winter’ luidt pie. heim-, him-, hiem-, waaruit: Latijn hiems ‘winter; storm’; Grieks kheĩma, kheimṓn; Sanskrit hímā-; Avestisch zyā-; Litouws žiemà; Oudkerkslavisch zima (Russisch zimá); Albanees dimën; Armeens jiwn ‘sneeuw’. De bijbehorende Germaanse stam pgm. *gima- ‘winter, jaar’ is nog herkenbaar in on. gymbr ‘eenjarige zeug’ en nde. gimmer ‘schaap dat nog niet gelammerd heeft’; nzw. (dial.) gimra ‘id.’; nde. gimmerlam ‘eenjarig lam’ en misschien in de glosse ingimus (*ein-gim-) ‘eenjarig varken, kalf of schaap’ [8e eeuw; LS].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

winter* [jaargetijde] {1236} oudfries, oudengels winter, oudsaksisch, oudhoogduits wintar, oudnoors vetr, gotisch wintrus; de etymologie is onzeker; vermoed is dat het gaat om de genasaleerde vorm van de stam waarvan ook water stamt, maar ook is verband gelegd met iers find [wit], in welk geval winter het witte jaargetijde zal zijn.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

winter znw. m., mnl. winter m., os. ohd. wintar (nhd. winter), ofri. oe. winter, on. vetr, got. wintrus.

De verklaring is onzeker. 1. bij lit. vanduõ ‘water’, lat. unda ‘golf’ en dan dus eigenlijk ‘het natte jaargetijde’ (Lidén PBB 15, 1889, 522) en dus verder samenhangend met water. — 2. uit een grondvorm *u̯endrus ‘de stormachtige periode’, dus verder te verbinden met wind 1 (E. A. Wood, Lang. 8, 1932, 214). — 3. Bij gall. vindo-, oiers find ‘wit’ en dan dus ‘sneeuw-, tijd’ (Uhlenbeck PBB 30, 1905, 326).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

winter znw., mnl. winter m. = ohd. os. wintar (nhd. winter), ofri. ags. (eng.) winter, on. vetr, got. wintrus m. “winter”. Oorsprong onzeker. De afl. van idg. wend-, den genasaleerden vorm van de bij water besproken basis, is semantisch mogelijk, maar niet overtuigend (“winter” < “nat jaargetijde”), nog minder is dat de combinatie met ier. find “wit” (“winter” < “witte sneeuwtijd”?).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

winter m., Mnl. id., Os. wintar + Ohd. id. (Mhd. winter, Nhd. id.), Ags. id. (Eng. id.), Ofri. id., On. vetr (Zw. en De. vinter), Go. wintrus: wellicht van den genasaleerden bijvorm (normalen toestand) van den wortel van water, Idg. wrt. ṷend , Germ. wrt. wint, dus winter = het waterseizoen (z. water). Die naam gaat niet buiten het Germ.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

winter (zn.) winter; Aajdnederlands wintar <801-900>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

winter s.nw.
1. Koue jaargety tussen herfs en lente. 2. Koue van die winter (winter 1). 3. Jaar soos gemeet aan die verbygaan van winters (winter 1).
Uit Ndl. winter (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1642 in bet. 3). Ndl. winter hou mntl. verband met wind en beteken dan lett. 'stormtyd'. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. winter hou mntl. verband met Litaus vanduo 'water', Latyn unda 'golf' en beteken dan lett. 'reëntyd', of met Kelties vindo, Oudiers find 'wit' en beteken dan lett. 'sneeutyd'.
D. Winter (8ste eeu), Eng. winter (voor 1100).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

winter: koue jaargety; (fig.) ouderdom; Ndl. winter (Mnl. winter), Hd. en Eng. winter, Got. wintrus, herk. onseker.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Winter brengt men in verband met een Oudgallisch vindo = wit, Oud-iersch = find; het woord zou dus bet.: de witte tijd (sneeuw).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

winter ‘jaargetijde’ -> Negerhollands winter ‘jaargetijde’; Papiaments wenter (ouder: winter) ‘jaargetijde’; Sranantongo wenter ‘jaargetijde’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

winter* jaargetijde 1050 [CG II1, 122]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1265. Eén bonte kraai maakt nog geen winter,

hetzelfde als één zwaluw (of één ooievaar) maakt nog geen zomer (Harreb. II, 146), d.w.z. men kan geen algemeene gevolgtrekking maken uit een enkel voorkomend geval, evenals men uit het verschijnen van een enkele bonte kraai kan besluiten, dat de winter in aantocht is of zeer koud zal zijn. Sedert de 16de eeuw is dit spreekwoord bekend; zie Servilius, 49*: een bonte craye en maect geenen winter; zoo ook bij Campen, 101: eene kreye can ghien colt winter maecken; bij Sart. I, 8, 61: een bonte kray maeckt geen koude winter; Spieghel, 286; Brederoo II, 369, 666: Een kray geen winter maakt; Sewel, 415; Tuinman I, 369; Rutten, 279; enz. De Franschen zeggen une hirondelle ne fait pas le printemps; de Eng. one swallow does not make the spring; hd. ein bunte Krähe macht kein Winter (Wander II, 1563); eine Schwalbe macht keinen Sommer (Wander IV, 412-413); mlat. una hirundo non facit ver; ver non una dies, non una reducit hirundo; gri. μια χελιδων ου ποιει εαρ (Aristoph.).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

au̯(e)-9, au̯ed-, au̯er- ‘benetzen, befeuchten, fließen’

a) au̯(е)-, au̯ent-:
Hisp. FlN Avo[s] > span. Ave, ON A[v]o-briga; gall. FlN Aveda > prov. Avèze (Gard), Avisio portus (Alpes-mar.);
ai. avatá-ḥ m. ‘Brunnen’ (*au̯n̥tos), avaṭá-ḥ ‘Zisterne’ (mit prakrit. aus t), ital. FlN Avēns im Sabinerland (davon Aventīnus m. Hügel Roms?), Aventia (Etrurien), gall. Aventia, Quellnymphe von Aventicum > frz. Avenches (Schweiz), zahlreiche FlN Avantia (*au̯n̥tiā) > frz. Avance, La Vence, abrit. *Avantīsā > cymr. Ewenni; alit. FlNAvantà, lett. avuõts (*au̯ontos) ‘Quelle’.

b) au̯ed-, aud-, ū̆d-; heteroklit. r/n-St. u̯édōr, u̯ódōr (Nom. Sg.), udén(i) (Lok.Sg.), udnés (Gen. Sg.) ‘Wasser’, vgl. J. Schmidt Pl. 172 ft., Pedersen KZ. 32, 240 ff., Bartholomae PBrB. 41, 273.
Ai. ōdatī ‘die Quellende, Wallende’, ōdman- n. ‘das Wogen, Fluten’, ōda-ná-m ‘Brei in Milch gekocht’, av. aoδa- m. ‘Quelle’.
Ai. unátti (*u-n-ed-ti), 3. Pl. undáti ‘quellt, benetzt’; av. vaiδi- f. ‘Wasserlauf, Bewässerungskanal’.
Ai. udán(i) Lok., udnáḥ Gen., udā́ Nom. Akk. Pl. ‘Wasser’ (Nom. Akk. Sg. udaká-m); vom r-St. abgeleitet samudra-ḥ ‘Meer’, anudra-ḥ ‘wasserlos’ (= gr. ἄνυδρος);
udro-s ‘Wassertier’: ai. udrá-ḥ ‘ein Wassertier’ = av. udra- m. ‘Otter, Fischotter’ (= gr. ὕδρος, ahd. usw. ottar, vgl. auch lat. lutra und mit ū lit. údra, aksl. vydra ds.);
von einem -(e)s-St. ai. utsa-ḥ ‘Quelle, Brunnen’, vgl. air. uisce (*udeski̯o-) ‘Wasser’;
arm. get ‘Fluß’ (Gdf. *u̯edō, Sandhiform zu u̯edōr, vgl. unten slav. voda; ihr entspricht auch phryg. βεδυ ‘Wasser’, d. i. *vedū aus *u̯edō, Kretschmer Einl. 225).
Gr. ὕδωρ, ὕδατος (*υδ-n̥-τος) ‘Wasser’ (mit metr. Dehnung ῡδωρ); vom r-St. abgeleitet ἄνυδρος ‘wasserlos’, ὕδρος, ὕδρᾱ ‘Wasserschlange’, ἐνυδρίς f. ‘Fischotter’, ὑδαρής, ὑδαρός ‘wässerig’ (ὑδαλέος ds. mit Suffixtausch; ähnlich ὕλλος ‘Wasserschlange, Ichneumon’ : ὕδρος = lak. ἑλλά̄ : ἕδρα), ὕδερος ‘Wassersucht’, ὑδρία ‘Wassereimer’ (: lat. uter); vom n-St. (vgl. ὕδνης ‘wässerig’) abgeleitet ̔Αλοσύδνη eig. ‘Meereswoge’ (?), Beiname der Amphitrite und Thetis (Johansson Beitr. 117; ob auch ὑδνον ‘Trüffel’ als ‘saftig’??), sowie wahrscheinlich Καλ-υδών, -ύδνα (-ύμνᾱ), Καλύδνιοι, -ύμνιοι (s. Boisacq 998 a)?
es-St. τὸ ὕδος ‘Wasser’ ist erst spät poet. Nom. Akk. zum Dat. ὕδει.
Maked. ON ῎Εδεσσα aus *u̯edesi̯ā, Kretschmer RIEt Balc. 1, 383.
Alb. ujë ‘Wasser’ (nach Pedersen KZ. 34, 286; 36, 339 nicht aus *ud-ni̯ā, sondern aus *ud-; oder doch aus *udō?).
Lat. unda, f. ‘Welle, Woge’ (mit n-Infix aus dem Präsens; vgl. apr. wundan n., unds m. ‘Wasser’ und ai. unátti, undáti sowie lit. vanduõ, -eñs, vándenį, žem. unduo, lett. ûdens m. f. ‘Wasser’, und dazu Schulze EN. 243, Brugmann Grdr. II2 3, 281, 283, Trautmann 337); uter, utris ‘Schlauch’ (*udri-s ‘*Wasserschlauch’, vgl. gr. ὑδρία), lutra ‘Fischotter’ (l- nach lutum ‘Pfütze’).
Umbr. utur n. ‘Wasser’ (= ὕδωρ), Abl. une (*udni).
Air. u(i)sce ‘Wasser’ (*udeski̯o-), odar ‘braun’ (*udaros), coin fodorne ‘Ottern’ (‘Wasserhunde’).
Got. watō (n-St.), Dat. Pl. watnam ‘Wasser’; aschwed. vætur (æ = idg. e? eher Umlaut von germ. a in den -in-Kasus, s. Bartolomae aaO.), aisl. vatn n. (o-St. geworden, vgl. got. Dat. Pl. watnam), vatr, nord. Seename Vättern; ahd. wazzar, as. watar, ags. wæter (*u̯odōr) ‘Wasser’; aisl. otr, ags. otor, ahd. ottar m. ‘Otter’, dazu FlN Otter, alt Uterna; mit Binnennasalierung (vgl. oben zu lat. unda) wahrscheinlich got. wintrus, aisl.vetr, ags. winter, ahd. as. wintar ‘Winter’ als ‘nasse Jahreszeit’ (Lidén PBrB. 15, 522, Falk-Тоrp unter vinter; nicht besser zu ir. find ‘weiß’, s. unter su̯eid- ‘glänzen’);
vielleicht zu Wasser auch ahd. ags. wascan, aisl. vaska, nhd. waschen, wusch (*wat-sk-); mit Dehnstufe ē von der Wz. aus gebildet aisl. vātr, ags. wǣt, engl. wet ‘naß, durchnäßt’.
Im Germ. auch mit þ ags. wađum m. ‘Woge’, schwundstuf. aisl. unnr, uđr, Pl. unnir ‘unda’, as. ūthia, ūđia, ags. ȳđ, ahd. undea ‘Woge, Welle, Flut’, wie von einer Wzvariante *u̯et-, die aber sonst nirgends gefunden ist; Johansson Beitr. 117 f. sieht darin das t des Typus ai. yakr̥-t.
Lit. vanduõ usw. (s. oben); lit. údra, аpr. udro f., ostlit. údras, lett. ûdris m. ‘Fischotter’; aksl. vydra, skr. vīdra (bsl. ūd- : lit. vánd-eni; s. zuletzt Trautmann 334 m. Lit.; zum ū vgl. Pedersen Ét. Lit. 54 f.);
aksl. voda ‘Wasser’ (Fem. geworden wegen des Ausganges -a, der hier für idg. [r]); dehnstufig aksl. vědro ‘κάδος, σταμνος’ (mit ὑδρία in der Bed. gut stimmend, s. Meillet MSL. 14, 342, Trautmann 337);
hett. wa-a-tar (wātar) ‘Wasser’, Gen. úе-te-na-aś (e-Stufe wie phryg. βεδυ, das a des Nom. aus e?). Nom. Pl. ú-wi-ta-ar, mit ungeklärtem Vokalismus trotz Pedersen Hitt. 167.

c) au̯er- ‘Wasser, Regen, Fluß’ (u̯ēr- : ūr-; zum Ablaut Persson Beitr. 604, Anm. 2).
1. u̯ēr-, u̯er-: Ai. vā́r, vā́ri n. ‘Wasser’, av. vār n. ‘Regen’ (mit themat. Flexion iran. av. vār ‘regnen’, med. ‘regnen lassen’), ai. vārī f. ‘Wasser’, av. vairi- m. ‘See’;
toch. A wär, В war ‘Wasser’;
arm. gayṙ ‘Sumpf, Schlamm’ (*u̯eri̯o-);
gr. vielleicht in ἀρύω ‘schöpfe’, wenn *ὰρ ὔ[σ]ω (s. *aus- ‘schöpfen’);
alb. (nach Jokl SBAk. Wien 168 I 30, 89, 97) vrëndë ‘leichter Regen’ (nt-Partiz.); hur-dë ‘Teich, Zisterne, Sumpf’ (*ūr-), shure ‘harne’, shurë (postverbal) f. ‘Harn’ (Präfix sh aus lat. ex oder idg. *sm̥ + ūr-në; oder + gr. οὐρέω?);
cymr. gwer m. ‘Talg’;
anord. vari m. ‘Flüssigkeit, Wasser’.
2. ūr-, au̯er-: Lat. ūrīna ‘Harn’ (in der Bed. durch οὖρον beeinflußt?), ūrīnor, -ārī ‘untertauchen’, ūrīnātor ‘Taucher’;
anord. ūr ‘feiner Regen’, ȳra ‘fein regnen’, ūrigr ‘betaut’, ags. ūrig ds.; vielleicht anord. ūrr, Gen. ūrar (u-St.), ags. ūr, ahd. ūro, ūrohso, lat. Lw. ūrus ‘Auerochs’, schwed. mdartl. ure ‘stößiger Stier’ (‘*Beträufler, Besamer’ wie ai. vr̥šan- usw., s. unten); Wzf. au̯er- in thrak. FlN Αὔρας, gr. (Persson IF. 35, 199) *αὔρα ‘Wasser, Quell’ in ἄναυρος ‘wasserlos, von Bächen’ u. dgl. (über gr. θησαυρός und Κένταυρος vgl. Schwyzer Gr.Gr. I 267, 444);
in FlN: ital. Met-aurus (Bruttium), Pisaurus (Umbrien), gall. Avara > frz. Avre, Aura > frz. Eure, Aurana > nhd. Ohrn (Württemb.), Ar-auris > frz. Hérault, Vi-aurus > frz. Le Viaur; аpr. Aure, lit. Aur-ytė; anord. aurigr ‘naß’, aurr ‘Naß, Wasser’, FlN Aura, ags. ēar ‘Meer’;
аpr. wurs (*ūras) ‘Teich’, iūrin Akk. Sg., iuriay Pl. fem. ‘Meer’, alett. jūri- m., lett. jũ’ra, lit. jū́rės, jū́rios Pl. fem. ‘Meer, bes. die Ostsee’ (s. oben zu lat. ūrīna; j- vermutlich Vorschlag nach J. Schmidt PL 204);
lit. jaurùs ‘moorig, sumpfig’, jáura, jáuras ‘sumpfige Stelle, Moorgrund’ aus *eu̯ǝr- (s. Berneker IF. 10, 162, Trautmann 335 m. Lit.).
3. Verbum: Lit. vérdu, vìrti ‘sprudeln, wallen, kochen’, versmě ‘Quelle’, vỹrius ‘Strudel’, atvyrs ‘Gegenstrom am Ufer’, lett. ver̂du, vir̂t ‘quellen, sprudeln, sieden, kochen’, atvars ‘Wirbel’, aksl. vьrjǫ, vьrěti ‘quellen, sprudeln, wallen, sieden, kochen’, virъ ‘Strudel’, izvorъ ‘Quelle’, wozu mit aus ‘kochen’ entwickelter Bed. ‘Hitze’, lett.wersme ‘Glut’, aksl. varъ ‘Hitze’.
Über allfällige Zugehörigkeit von *u̯er(e) ‘Еrlе’ s. dort.
4. Erweiterung u̯er-s- ‘Regen, Таu’: ai. varśá- n. ‘Regen, Regenzeit, Jahr’ (varšati ‘es regnet’), gr. οὖρον ‘Harn’; ἔρση, ἐέρση ‘Tau’, ion. att. οὐρέω ‘harne’ (kausativ *u̯orseiō, - erwiesen durch die Augmentierung ἐούρησα), οὐρία ‘ein Wasservogel’; mir. frass ‘Regen’ ist älter fross (u̯ros-tā, trotz Pedersen KG. I 44); hett. wa-ar-ša-aš ‘Regen’(?) scheint ai. Lw.
u̯r̥sen- ‘semen emittens = männlich’, ai. vr̥šán- ‘männlich’, m. ‘Männchen, Mann, Hengst’.
Davon abgeleitet av. varǝšna- ‘männlich’, ai. vŕ̥ṣ̣a-, vr̥ṣabhá- ‘Stier’, vŕ̥ṣṇi- ‘männlich’, m. ‘Widder’ (= av. varǝšni- ds.), vŕ̥šaṇa- m. ‘Hoden’;
Specht (Dekl. 156) stellt hierher (aus germ. *wrai-njan-) ohne s-Erweiterung ahd. reineo ‘Hengst’, as. wrênio ds., ags. wrǣne ‘geil’; ahd. wrenno ‘Hengst’ ist aus dem Mlat. rückentlehnt.
u̯ersē/i-: lat. verrēs, -is ‘Eber’, lit. ver̃šis ‘Kalb’, lett. versis ‘Ochs, Rind’.

Vgl. im allgemeinen Persson Wzerw. 47, 85 f., Johansson KZ. 30, 418, IF. 2, 60 ff., Persson Beitr. 604 f., 845 (auch gegen Verknüpfung von u̯ers- mit ers-). Über finn. vesi, St. vete ‘Wasser’ s. Mikkola Mél. van Ginneken 137.
WP. I 252 f., 268 f., WH. I 81 f., Pokorny Urillyrier 93, 105, 159, 169, Specht Dekl. 18 f., Trautmann 20, 334, 337, Schwyzer Gr. Gr. I 519, 548, 838.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal