Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

winkelhaak - (gereedschap)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

winkelhaak* [rechthoekige scheur, gereedschap] {wynckelhaick [gereedschap] 1477; als ‘scheur’ 1720} het eerste lid is winkel in de betekenis ‘hoek’. De betekenis ‘rechthoekige scheur’ is een overdrachtelijke toepassing.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

winkel znw., mnl. winkel m. “hoek, bergplaats, winkel”. De oude bet. “hoek” nog in winkelhaak (reeds bij Kil. en in den Teuth.). De bet. “winkel” is misschien uit “hoek van het huis, deel van het huis” ontstaan. = ohd. winchil (nhd. winkel), mnd. ofri. winkel, ags. wincel m. “hoek”. Van idg. weŋg- ”buigen”: zie bij wankel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

winkelhaak s.nw.
1. Werktuig om regte hoeke mee af te merk. 2. Reghoekige skeur, bv. in materiaal.
Uit Ndl. winkelhaak (1544 in bet. 1, 1720 in bet. 2), 'n samestelling van winkel 'hoek' en haak 'haak'. Eerste optekening in Afr. by Postma (1896).
D. Winkelhaken. Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1878 in bet. 2).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

winkelhaak bn., bw., tw., (voetbalterm, gezegd bij een raak schot op doel) in een uiterste bovenhoek. Winkelhaak! Hij heeft die bal winkelhaak geschoten! - Etym.: Een ’winkelhaak’ maakt, evenals de kruising van lat en paal van een doel, een rechte hoek. - Syn. negentig graden*.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Winkel bet. eig. hoek, vermoedelijk van den Germ. wt. wink (zie wenken), verwant met ’t Idg. wik = wijken, zijwaarts gaan, een hoek maken. Vgl. Hooft: „Ujt alle winkelen mijner heughenisse” (= geheugen). Een winkelhuis bet. dus oorspr. hoekhuis, dat zeer geschikt voor verkoophuis is; vgl. ’t Fr. cantine, van cant = kant. De bet. van hoek leeft nog voort in winkelhaak (een haak met een rechten hoek), en schuilewinkeltje spelen, waarvan ’t volk schuilevinkje maakte.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

winkelhaak ‘gereedschap met rechte hoek; rechthoekige scheur’ -> Russisch vínkel', vinkel'gak ‘gereedschap met rechte hoek’; Zuid-Afrikaans-Engels winkelhaak ‘oormerk met drie rechte hoeken’ <via Afrikaans>; Amerikaans-Engels † winkle hawk ‘rechthoekige scheur’; Papiaments wenkelhak ‘gereedschap met rechte hoek’; Sranantongo wenkraka ‘gereedschap met rechte hoek; rechthoekige scheur’; Aucaans wenkaaki ‘gereedschap met rechte hoek’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

winkelhaak* gereedschap 1477 [Teuth.]

winkelhaak* scheur 1720 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal