Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

winden - (wikkelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

winden ww. ‘wikkelen’
Mnl. winden ‘wikkelen’ in in enen dieren pellen. dat men den doeden want ‘men wikkelde de dode in een dierenhuid’ [1260-80; VMNW], in sindale Gewonden ‘in neteldoek gewikkeld’ [1265-70; VMNW].
Os. windan (mnd. winden); ohd. wintan (nhd. winden); ofri. winda (nfri. wine); oe. windan (ne. wind) on. vinda (nzw. vinda); got. -windan; alle ‘winden, wikkelen, draaien e.d.’, < pgm. *windan-.
Verwant met: Umbrisch -uendu ‘draaien’; Sanskrit vandhúr(a)- ‘onderstel of bak van een wagen’ (< ‘gevlochten voorwerp’?); Tochaars B wänt- ‘omhullen’; < pie. *uendh- ‘omwikkelen’ (LIV 681). In de Germaanse talen bestaan diverse al dan niet ablautende afleidingen van dezelfde wortel, met uiteenlopende betekenissen, zie → wand, → want 2, → wenden, → bewind en → ingewanden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

winden* [wikkelen] {1265-1270} oudsaksisch, oudengels windan, oudhoogduits wintan, oudfries winda, gotisch windan; buiten het germ. armeens gind [ring], oudindisch vandhura- [gevlochten wagenbak]; vgl. wenden, het causatief van winden, en wand.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

winden ww., mnl. winden, os. windan, ohd. wintan (nhd. winden) ‘winden, draaien, zich voortbewegen’, owfri. -winda (in samenst.), oe. windan ‘winden, draaien’ (ne. wind), on. vinda ‘winden’, got. biwindan ‘omwinden’. — umbr. aha- vendu ‘wend af’, toch. AB want ‘omhullen’, oi. vandhúram ‘wagenbak van gevlochten twijgen’ van idg. wt. *u̯endh, wel beschouwd als genasaleerde vorm van *u̯edh ‘knopen, binden’ (IEW 1148). — Zie: wand, wenden en ingewanden.

Uit mnl. winden is afgeleid fra. guinder (sedert de 12de eeuw, vgl. Valkhoff 156).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

winden ww., mnl. winden = ohd. wintan “winden, draaien, zich wenden, zich voortbewegen” (nhd. winden), os. ags. windan “id.” (eng. to wind), (owfri. winda in samenst.), on. vinda “winden”, got. bi-windan “omwinden, inwikkelen”. Met ablaut ingewand, wand, wandel(en), wenden. Van een idg. basis wendh-, waarvan ook umbr. aha-uendu “avertito”, pre-uendu “advertito”, arm. gind “ring, oor- of neusring” (formeel = winde; voor de bet. vgl. nog arm. gndak “rank”), oi. vandhúra- “gevlochten wagenbak”. Ook obg. *ąda (russ. udá enz.), ądica “ vischhaak” is nog gecombineerd. Idg. wendh- is de genasaleerde vorm van wedh- (zie gewaad).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

winden (slot) “Idg. wendh- is de genasaleerde vorm van wedh- (zie gewaad)”; lees: “idg. *wendh- wordt wel beschouwd als de genasaleerde vorm van de bij gewaad besproken basis *wedh-

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

winden o.w., Mnl. id., Os. windan + Ohd. wintan (Mhd. winden, Nhd. id.), Ags. windan (Eng. to wind), On. vinda (Zw. id., De. vinde), Go. windan + Skr. vandhuram = gevlochten wagenbak, Arm. gind = ring, Umbr. ahauendae = keer af: nasaleering van den wortel van gewaad. Van hier het Fr. guinder.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

wingen, ww.: waaien. Door velarisering nd > ng uit winden, afl. van wind.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2wind ww. (verhewe)
Omwikkel.
Uit Ndl. winden (1526).
Eng. wind (1303).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

winge II waaien (Kerkrade). Afl. van kerkr. wink (= wind).
Amkreutz e.a. 311.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

winden (DB), ww.: wannen. Oe. windwian, E. winnow ‘wannen’, windwigsife ‘wan(zeef)’, Ohd. wintôn, Mhd. winten, winden ‘draaien, wenden’, On. vinza, ‘*windisôjan ‘wannen’. Got. diswinþjan ‘uit elkaar gooien’. Zoals waaien, wind, Lat. vannus, wan bij Idg. *(a)wê. Winden of winnen is dus eigenlijk ‘het graan zuiveren door het kaf met de wind te laten wegwaaien’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wen III: ww., draai (bv. ’n oorlosie (op)wen, – win – , senuweeagtig maak/word (bv. jou opwen/opwin); Ndl winden (Mnl. winden), Hd. winden, Eng. wind, eint. kous. v. Ndl. wenden, “gaan” (vgl. Eng. wend), hou verb. m. Ndl./Afr. wandel(en), m. veroud. Eng. s.nw. went, “pad”, asook m. Eng. ww. went as verl. tyd v. go (vroeër ’n vorm v. Oeng. wendan, “gaan; verander”).

wind II: – win – , “omwikkel”, hou verb. m. Ndl. winden, v. wen III.

Thematische woordenboeken

A. Moortgat (1925), Germanismen in het Nederlandsch, Gent

zich winden. ― Van wegen, beken, kanalen, rivieren en stroomen zegt men niet dat ze zich winden – want dat is Nederlandsch in een Duitsch kleedje –, maar dat ze slingeren, kronkelen of kronkelend loopen (1). Der stattlich sich windende Kanal beteekent derhalve de statig kronkelende vaart. Zie slangeren.
|| De “Brug bij Noorden” geeft het breede waterland onder een tweemaal zoo hoogen, wijd uitwerkenden hemel, door een statig zich windende vaart middendoor gedeeld, Max Eisler in Els. Maandschr., 12, 420.

(1) Van Dale’s Wdb. teekent ook zich kringelen op: de rivier kringelt zich door de vlakte. Bij Gerard van Eckeren, Annie Hada, 111, heet het verslingeren: “voor haar uit verslingerde het pad blank in ’t maanlicht te midden der bloembedden”.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Winden, van den Germ. wt. wind = draaien.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

winden ‘wikkelen’ -> Fries wine ‘wikkelen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

winden* wikkelen 1265-1270 [CG Lut.K]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2409. Iemand om den vinger kunnen winden,

d.i. iemand geheel in zijne macht hebben en met hem kunnen handelen naar welgevallen, evenals men een doekje om den vinger windt (Harreb. II, 381 b). De uitdrukking komt in het mnl. voor in de Ovl. Ged. I, 83 vs. 749: Al dustenege wijf machtu leren ende om dine vingher keren; vgl. verder Sart. I, 8, 3: Auricula infima mollior est, ghy soudt hem om u vinger winden; nostrates a sic lenta re sumunt paroemiam, ut vel circum digitos inflecti possit; II, 9, 17; III, 3, 11; De Brune, 464; Van Moerk. 286: Zy worden zoo gedwee, omje vinger kenjeze winden; Van Effen, Spect. VI, 152: Een beroemd overvlieger, die hem om de vinger kon winden en daar hy banger voor was als voor den drommel; Tuinman, I, 328: Hy kan hem om zyn vinger winden, dat is, hy heeft hem 't eenemaal onder zyn gezag en geweld, en kan met hem handelen naar zyn welgevallen, zonder eenigen wederstand; gelijk men een doekje om den vinger wind; Adagia, 26: Gij soudt hem om u vinger winden, auricula infima mollior est; Harreb. II, 381; Twee W.B. 15; Groot-Nederland, 1914, bl. 395: Met 'n flesch wijn, 'n mep gebraje worst en wat zuurkool, kan je me om je pink winden; fri. immen om 'e (lytse) finger wine of woelje kinne hetzelfde als min kin hem wol yn in fodtsje biteare; oostfri.: hê kan hum um sîn lütje finger wikkeln (Ten Doornk. Koolm. I, 484 b); hd. jemand um den (kleinen) Finger wicklen können; Joos, 78 en Antw. Idiot. 1377: ik kan hem rond (of om) mijnen vinger winden; Rutten, 58 b: iemand rond zijnen duim kunnen draaien gelijk men wil; vgl. ook het fr. comme des crêpes sur la poêle, homme est tourné par femme (De Cock2, 61); eng. to twist or turn a person round one's (little) finger; afrik. iemand om jou pinkie of vinger draai.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

udero-, u̯ēdero- ‘Bauch’, und gleichbedeutende Worte ähnlichen Anlautes

1. Ai. udára-m ‘Bauch, Anschwellung des Leibes, der dicke Teil eines Dinges, Höhlung, Inneres’, anūdara- ‘bauchlos’, av. udara- ds.; gr. ὅδερος· γαστήρ Hes. (wegen des Asper eher für *ὕδερος); lat. uterus ‘Unterleib, Bauch, bes. Mutterleib, Gebärmutter’ (t für d am ehesten zugleich mit dem Lautwandel von *udris ‘Schlauch’ zu *utris, uter eingetreten); apr. weders ‘Bauch, Magen’, lit. vė́daras ‘Eingeweide der Fische, Eingeweide; Wurstmagen’, lett. vêders, vêdars ‘Bauch, Magen’;
zur Präposition ud gehören vielleicht gr. ὕστος· γαστήρ Hes. (*ud-sto-s ‘vor-stehend’) und ὑστέρα ‘Mutterleib, Gebärmutter’ (ud + Komp.-Suffix tero-).
2. Lat. venter, -tris ‘Bauch’ (kann *u̯end-ri- sein).
3. Lat. vē(n)sīca f. ‘die Blase’, ai. vastí- m. ‘Blase, Harnblase’ (*u̯n̥d-ti-?); vaniṣṭhú- ‘Mastdarm, oder ein in der Nähe des Netzes liegender Körperteil’; vgl. ἤνυστρον ‘Labmagen’, ahd. wan(a)st, węnist ‘Wanst’, nhd. Wanst auch ‘Blättermagen’, ablaut. isl. vinstr f. ‘Blättermagen’, norw. dial. vinstr f. ‘Labmagen’ (*u̯enistrō); vgl. auch Lidén KZ 61, 19 ff.
4. Germ. *wanþa- in mnd. ingewāt, ingewant, ingewende ds., ndl. ingewand; das -ge- von ingewāt ist von Eingeweide, ndl. geweide (S. 1122) herübergenommen.

WP. I 190 f., WH. II 750 f., 846, Trautmann 343 f., Vasmer 1, 177, Liebert Nominalsuffix -ti- 196 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal