Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

winde - (windas; slingerplant)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

winde* [windas, slingerplant] {1477 in beide betekenissen} afgeleid van winden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

winde znw. v. ‘windas; convolvulus’, mnl. winde v. ‘takel; klimop; zwachtel’, mnd. winde v. ‘windas; convolvulus’, ohd. winta, winda v. ‘windwerktuig; wingerdrank’, oe. winde v. in plantnamen (zoals wuduwinde), on. vinda v. ‘boordplank aan de steven; garenkluwen’; daarnaast nog oe. gewind o. ‘winding, wingerdrank’, os. windila, ohd. wintila (nhd. windel) ‘omwindsel’, oe. windel m. — Afl. van winden.

Uit mnl. winde is ontleend fra. guinde (sedert 1659; Valkhoff 156). — Voor de namen van de convolvulus zie Pauwels, Bloemnamen 1933, 74 vlgg.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

wing, win, zn.: windas. Uit winde van het ww. winden, met velarisering nd > ng.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

winde zn. v.: haspel, windas. Mnl. winde ‘windas’. Van het ww. winden ‘opwinden’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3wen s.nw.
Windas.
Uit Ndl. winde, win(d) (al Mnl.), met oorgang van i na e.
D. Winde (10de eeu), Eng. wind (1399).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

win’de (de), ingevoerde tropisch Amerikaanse sierheester met grote, paarse bloemen (Ipomoea carnea, Dagoeblatfamilie*). - Etym.: De bloemen lijken in vorm op die van AN w. , d.i. de naam van enige windende soorten van de Dagoeblatfamilie* in Ned. (Convolvulus- en Calystegia-soorten). - Zie ook: abia*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wen IV: s.nw., toestel om water in emmer uit put op te trek, ook bek. as wenas/windas, hou verb. m. wen III.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

winde
Haagwinde | Calystegia sepium (L.) R. Brown
Akkerwinde | Convolvulus arvensis L.

De Haagwinde heeft een snelgroeiende, lange stengel die zich vasthecht en zich windt rondom de stengels en de bladeren van andere planten of die klimt in haagvormende planten. De stengel is moeilijk los te maken van de planten waarrond ze gewonden is.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

winde ‘windas; slingerplant’ -> Engels † wind ‘windas; slingerplant’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

winde* windas 1390-1460 [MNW]

winde* slingerplant 1477 [Teuth.]

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal