Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wilg - (boom van het geslacht Salix)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

wilg zn. ‘boom van het geslacht Salix
Mnl. wilghe in na die sede dat men wilghen poten plegt ‘op de manier waarop men wilgen pleegt te planten’ [1287; VMNW]; vnnl. wilghe, willighe [1599; Kil.], nnl. wilg.
Os. wilgia (mnd. wilge); mhd. wilge; ofri. wilig (nfri. wylch); oe. welig (me. wilwe, welew, ne. willow); alle ‘wilg’, < pgm. *wil(i)giōn-.
Men kan pie. *uelVk- (V = klinker) reconstrueren. Mogelijk is Grieks helíkē ‘kraakwilg’ verwant, maar dit woord kan ook een betekenisuitbreiding zijn van helíkē ‘kronkeling’, dat is afgeleid van héliks ‘kronkeling’.
Een andere Germaanse wortel voor ‘wilg’ is pgm. *sal(V)h-, waaruit mnd. sal(e)wīde ‘waterwilg’; ohd. salaha ‘id.’ (nhd. in Salweide); oe. sealh, salig ‘wilg’ (ne. sallow); on. selja ‘waterwilg’ (nzw. sälg). Het is verwant met de Latijnse boomnaam salix ‘wilg’ < Proto-Italisch *salik- en met Oudiers sail, Welsh helyg < Proto-Keltisch *salik-. Mogelijk is dit een leenwoord uit een voor-Indo-Europese taal in West-Europa.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wilg* [boom] {wilge, willige 1287} middelnederduits wilgia, oudengels wiliga [mand], oudengels welig [wilg] (engels willow), oudsaksisch wilgia; de wilg is zo genoemd omdat de soepele twijgen als bindmateriaal werden gebruikt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wilg znw. m., mnl. wilghe, v., os. wilgia v. ‘wilg’, vgl. oe. wilige v. ‘(van wilgetwijgen gevlochten) mand’, afl. van een grondvorm *welaga- in oe. welig m. (ne. (willow). — gr. helíkē ‘wilg’ (vgl. heliks ‘gewonden, spiraal, rank’) oi. válśa-’spruit, twijg’, vallī̆- ‘slingerplant’ van de idg. wt. *u̯el ‘draaien, winden’ (waarvoor zie: walen). — Letten wij op miers fāl m. ‘heining, omheinde ruimte’, kymr. gwawl ‘muur, wal’, dan blijkt het, dat wij de naam van de wilg in verband moeten brengen met het gebruik dat men van de loten maakte voor allerlei vlechtwerk.

De oude verklaring uit welig, die W. de Vries Ts 44, 1925, 193-4 niet geheel verwerpelijk acht, is stellig niet te verkiezen; bij de naamgeving lette men zeker eerder op het praktische gebruik dat men van een boom kon maken, dan op de weligheid van zijn groei. — De boom heeft in de nl. dialecten nog andere namen, zoals in het oosten werf, warf, waarvoor zie: werf 2 en vgl. Stapelkamp NT 39, 1946, 85-6), verder vla. wiede, limb. wie, wiehe, welk woord wijst op het gebruik van de tenen als vlechtmateriaal, vgl. wisse. — In het idg. was er nog de naam, die voortleeft in ohd. sal(a)ha (nhd) salweide), oe. sealh, salig m. (ne. sallow), on. selja, vgl. oiers sail en lat. salix.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wilg znw., mnl. wilghe v. = os. wilgia v. “wilg”. Evenals ags. wilige v. “mand” (oorspr. “van wilgentwijgen gevlochten m.”) een afl. van germ. *welaʒ- of *welaʒa-, waaruit ags. wëlig m. (eng. willow) “wilg”. Dit wordt evenals gr. hélix “gewonden, spiraal, rank, klimop”, helíkē “wilg” (of met idg. s? Vgl. hieronder), oi. válc̣a- “spruit, twijg”, vallī̆- “slingerplant” van een idg. wel- “winden, draaien” afgeleid, dat wsch. met de bij walen besproken basis identisch is. Ook ier. fâl “wand, omheining” en gr. lákhnē (*ϝlakonā), obg. vlasŭ, av. varǝsa- “haar” kunnen hierbij hooren, (wsch. niet oi. vâṭa-”omheinde ruimte”), ook kan lat. vallus “paal” terecht vergeleken zijn, maar daarvoor moeten we dan evenals voor got. walus “stok” van de bet. “rond zijn” der basis wel- uitgaan. Met ’t oog op den spiritus asper van gr. hélix, -íkē is men wel van een basis swel- uitgegaan, waarvan zoowel de hier genoemde woorden met w als ook ohd. sal(a)ha v. (nhd. sal-weide, reeds ohd. samenst.), ags. sealh, salig m. (eng. sallow), on. selja v., ier. sail, lat. salix “wilg” zouden kunnen komen; men vergelijkt dan nog met anlaut sw- kymr. chwel “wending”, ier. des-sel “draaiing naar rechts”, tuath-bil “draaiing naar links”. Zie bij zwalken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wilg v., Mnl. wilghe, Onfra. wilgia + Ags. wilgia = mand; zonder jodsuff. Ags. welig (Eng. willow) = wilg: oorspr. onzeker.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

weling, wieling, zn.: wilg. Uit Mnl. willige, willege met vervanging van -ig door -ing.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

wulge (G, ZO, ZV), wolg (L), zn. v.: wilg. Mnl. wilge, met i/u-ronding na bilabiale w.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

wilg s.nw.
Sierlike boom met buigsame takke wat gewoonlik naby water groei.
Uit Ndl. wilg (Mnl. wilge). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. wilg is 'n afleiding van 'n grondvorm wat teruggaan op 'n Indo-Germaanse wortel wat 'draai, wen' beteken, so genoem n.a.v. die boom se buigsame takke wat vir vlegwerk gebruik is.
Eng. willow (750).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

wulge, zn. v.: wilg. Mnl. wilge, met i/u-ronding na bilabiale w.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

Wilg’familie (de), Wilgenfamilie, een bepaalde plantenfamilie (Salicaceae). - Etym.: Genoemd naar de madeirawilg*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wilg: – wilger-/wilker(boom) – , pln. (spp. Salix, fam. Salicaceae, ook ander Afr. en Eur. soorte, hoewel die sg. vaarlandswilg vlgs. Mar 85, 89 juis nie ’n “wilg” (spp. Salix) is nie, maar spp. Combretum, fam. Combretaceae, v. vaarlands-.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

wilg
Schietwilg | Salix alba L.
Boswilg | Salix caprea L.
Kraakwilg | Salix fragilis L.
Grauwe wilg | Salix cinerea L.
Katwilg | Salix viminalis L.
Geoorde wilg | Salix aurita L.
Kruipwilg | Salix repens L.
Amandelwilg | Salix triandra L.

De naam Wilg had vroeger vele andere vormen, zoals wilghe, willighe, wide e.a. en wellicht stamt het woord uit een voor-Indo-Europese taal in West-Europa. In het Engels is het de verwante naam Willow, in het Duits Weide, terwijl de Franse naam Saule meer aansluit bij de wetenschappelijke geslachtsnaam Salix.

De Schietwilg, de Katwilg, de Kraakwilg en de Amandelwilg werden vroeger of worden soms nu nog aangeplant voor het leveren van dunne, taaie, buigzame twijgen die wijmen, tenen of wissen genoemd worden. Ook de bastaard tussen de Schietwilg en de Kraakwilg [Salix x rubens Schrank (S. alba x S. fragilis)], in het Nederlands meestal Bindwilg genoemd, wordt vaak voor dit doel aangeplant. Twijgen van wilgen worden gebruikt voor het vervaardigen van manden, voor tuinafsluitingen en voor het opbinden van wijnranken. De wissen kennen ook een toepassing bij de dijkenbouw en oeverversterkingen. Bepaalde snelgroeiende wilgensoorten kunnen biomassa opleveren die bij vergassing tot bruikbare energie kan leiden. Grote landoppervlakken die begroeid zijn met wilgen met het doel de twijgen ervan te oogsten heten grienden.

De Schietwilg wordt zo genoemd omdat, na het snoeien of knotten van de boom, gemakkelijk weer nieuwe takken uitschieten waardoor de bekende Knotwilgen ontstaan, een naam die deze bomen ook dragen. Een Schietwilg die nog niet geknot is heet soms een Schotwilg. De Boswilg, ook soms Waterwilg genoemd, komt voor als onderhout in bossen en ook veel aan waterkanten. De Kraakwilg wordt ook Knakwilg genoemd, een vertaling van de Duitse naam Knackweide. De jonge twijgen breken aan de basis gemakkelijk af, vandaar Kraak- of Knakwilg. Bij de Grauwe wilg zijn de oudere takken bruinachtig of grauw, de knoppen zijn grijsbruin, grijs of zwartviltig en de bladeren zijn onderaan grijsviltig en die grijze tot grauwe kleuren gaven de naam aan de boom. De Katwilg heeft meestal de vorm van een hoge heester en niet van een boom. De bloemgestellen van deze plant, de mannelijke en de vrouwelijke katjes, zijn opvallend lang en zilverwit voor het opengaan en dat gaf aanleiding tot de naam Katwilg. Bij de Geoorde wilg zijn de twee oorvormige steunbladeren aan de voet van de bladeren sterk ontwikkeld, vandaar de naam. De Kruipwilg is een lage heester die een voorkeur heeft voor zandbodems, zoals die voorkomen in de Vlaamse Duinstreek, het Brugse Houtland en de Kempen. De plant heeft een onderaardse stengel die kruipend grote oppervlakken inneemt. De bladeren van de Amandelwilg hebben dezelfde vorm als die van de 109 Amandelboom (Prunus dulcis), wat Carl Linnaeus al in zijn Species plantarum (1753) opmerkte en vandaar Amandelwilg. Amandel komt van het Latijnse amandula, zelf afgeleid van het Griekse amygdale, oude namen voor een amandel.

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Wilg (schiet), Salix alba
Salix: vindt zijn oorsprong in het woord ‘helix’ oftewel ‘winding’
Alba: de plant of een onderdeel van de plant kan wit-achtig van kleur zijn.
Schietwilg: het gemakkelijk ‘uitschieten’ van deze wilg zodat er knotwilgen ontstaan bracht de naam ‘Schietwilg’. Niet alleen het Latijnse ‘salix’ is verwant met het woord ‘helix’ maar ook het Nederlandse ‘wilg’, begrijpelijk als je ziet dat sinds mensenheugenis wilgentenen worden gebruikt voor vlecht- en bindwerk.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wilg* boomsoort 1287 [CG NatBl]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1397. De lier aan de wilgen hangen,

d.w.z. de poëzie laten varen, zich niet langer met dichten ophouden. De uitdr. is ontleend aan Psalm 137, 2, waar wordt medegedeeld, dat de Israëlieten de harp aan de wilgen (salix babylonica) hingen, tijdens hunne ballingschap in Babylonië; zie Zeeman, 264. In onze uitdr. heeft de lier dus de harp vervangen ‘de vermelding van de harp was voor vrij gebruik te beperkt, want deze past bij de hymne, de lier daarentegen past bij de poëzie in 't algemeen’ (Ndl. Wdb. VIII, 2130). Vgl. no. 1078; eng. to hang one's harp on the willow(-tree); fri. de strykstok oan 'e beam hingje; hy hat syn brân (slagzwaard) oan 'e wân (wand).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

u̯el-7, u̯elǝ-, u̯lē- ‘drehen, winden, wälzen’, erweitert u̯el(e)u-, u̯l̥-ne-u-, u̯(e)lei- (diese auch ‘umwinden, einwickeln = einhüllen’), el-no-s ‘Nagel, Pfahl’, u̯eli-kā ‘Weide’, u̯elu-tro-m ‘Hülle’, u̯l(o)i-skā ‘Rute’, u̯olo-s ‘rund’, u̯olū̆-men-, u̯olu-tlo-/-tlā ‘Drehung’

A. Ai. válati, -te ‘wendet sich, dreht sich’ (?), Kaus. vā̆layati ‘macht sich wenden, rollen’, valanam ‘das sich Wenden, sich Biegen, Wallen, Wogen’, valá- m. ‘Bedeckung, Höhle’ (oder zu *u̯er-?), vala-, valaka- m. etwa ‘(runder) Balken, Stange’, dehnstufig cakra-vāla- n. ‘Reif, Ring, Kreis, Menge’, āla-vāla- n. ‘Vertiefung um die Wurzel eines Baumes’ (vgl. Mayrhofer 1, 79 f.), wohl auchvāra- m. ‘(*Wendung) Reihe, Folge, mal, Wochentag’ = npers. bār ‘mal’;
aus u̯ḹ-mi-: ai. ūrmí- m. f. ‘Woge, Welle’, av. varǝmiš ds.
von der u-Basis: ai. vr̥ṇóti, ūrṇóti ‘umhüllt, bedeckt, umschließt, umringt, hemmt, wehrt’, av. vǝrǝnavaiti ‘bedeckt hüllend’ (enthalten z. T. idg. *u̯er-5), das av. Wort auch ‘wendet (sich)’ wie ai. válati; vgl. S. 1160;
ai. varútra- (= gr. ἔλυτρον) n. ‘Überwurf, d. i. was man umlegt’ (unbelegt, úlva-, úlba- m. n. ‘Hülle des Embryo, Gebärmutter’ (vgl. lat. volva);
von der i-Basis: ai. valaya- m. n. ‘Kreis, runde Einfassung, Armband’, valitá- ‘gewendet, gebogen’, valli-, vallī ‘Rankengewächs, Schlingpflanze’, vallari-, vallarī f. ‘Ranke, Rankengewächs’;
arm. gelum (Aor. geli) ‘drehen, umdrehen, winden’, Med. ‘sich drehen, winden’ (das Präs. zur u-Basis, vgl. thematisch lat. volvo), gelumn ‘Drehung, Umwindung’ (= lat. volūmen, εἴλῡμα?), glem ‘rolle, werfe nieder’ (*gilem aus *u̯ēl- oder *gulem aus *u̯ōl-), gil (*u̯ēl-) ‘runder Wurfstein’ (vgl. gr. ὅλμος, russ. valún ‘runder Kieselstein’), vermutlich lamb (-i, -iv) ‘Ring, Kreis’ aus *u̯l̥-m-bhi- (auf Grund des n-St., vgl. lit. vilnìs, aksl. vlъna, ahd. wëlla);
gr. εἰλέω ‘drehe, winde’ (*ϝελ-ν-έω), ἴλλω ds. (wohl *ϝί-ϝλ-ω, dazu ἰλλάς ‘Strick, Seil’, ἰλλός ‘schielend’, böot. ϝίλλων, ἴλλαι· συστροφαί, δεσμοί Hes.), att. εἴλλω ds. (*ἐ-ϝέλι̯ω); von äol. ἐλλέω (*ϝελνέω): ἐλλεδανός ‘Seil, mit dem die Garben zusammengebunden werden’), εἶλιγξ undεἴλιγγος ‘Wirbel, Drehen, Schwindel’ (nach εἰλέω), ἕλμις, Pl. ἕλμεις, ἕλμιγγες, ἕλμινθες f. ‘Eingeweidewurm’, εὐλή ‘Wurm’ (*ἐ-ϝλ-ᾱ), ὑάλη· σκώληξ Hes. (d. i. ϝάλη), ἑλένη ‘geflochtener Korb’, ὅλμος ‘Walzstein, zylinderförmiger Mörser’, hom. οὖλος ‘kraus, wollig’ (*ϝόλνος), redupl.ἴουλος ‘Milchhaar, Korngarbe, ein Insekt’, οὖλος ‘Garbe’, οὖλον ‘Zahnfleisch’ (als ‘wulstig, gerundet’);
von der i-Basis: ἕλινος ‘Weinranke’, ἕλιξ ‘gewunden’, f. ‘Armband u. dgl.’, davon ἑλίσσω, att. ἑλίττω, und (nach εἰλέω) εἰλίσσω ‘wälze’, ablaut. ἀλίνδω, att. ἀλινδέω ‘drehe, wälze’; ἀλίζω ds.; über Ἦλις s. S. 1142;
von der u-Basis: ep. εἰλύω ‘umwinde; umhülle’, Med. ‘sich winden, sich fortschleppen’ (*ϝελνύω, vgl. καταείλυον), vgl. Partiz. εἰλυφόωντες; εἰλῡφάζειν ‘wirbeln, drehen, rollen’ (auf Grund von *ϝελ-νυ-ς); εἰλυός, εἰλυθμός ‘Schlupfwinkel’, εἰλεός (nach εἰλέω) ‘Darmverschlingung, Krampf der Eingeweide, Bauchgrimmen; bestimmte Art des Weinstocks (*Geranke)’; ablaut. *ϝολοϝό- ‘Wirbel, Drehung’ in ὀλ(ο)οί-τροχος ‘im Wirbel laufend’ = ‘Rollstein’; ελυ- in Aor. Pass. ἐλύσθη ‘wurde geschleift, gewälzt’, ἐλυσθείς ‘eingehüllt’, ion. att. ἔλυτρον (Hes. γέλουτρον) ‘Hülle, Behälter’, ἔλυμος ‘Hülle, Futteral’, ἐλύτης ‘Art Backwerk, etwa Brezel’ (daneben εἰλύτας, ἐλλύτας); hom. εἶλαρ n. ‘Schutzwehr’ (*ϝέλϝαρ, mit früher Dissimilation zu *ἔλϝαρ; vgl. ἔλαρ· βοήθεια Hes.; Grundbed. wohl ‘Verhau oder Geflecht aus verschlungenen Ästen’); *ϝλῡ- in πέλλῡτρον ‘um die Füße gewundener Riemen’, Perf. εἴλῡμαι, εἰλῡμένος ‘verhüllt’; sekundäres ῡ in εἴλῡμα ‘Hülle, Gewand’ (lat. volūmen, arm. gelumn);
dazu auch ἑλίκη ‘Weide’, Ἑλικών ‘*Weidenberg, Viminalis’ (ϝελικών des Korinna-Papyrus), wie ags. welig, usw. ‘Weide’, verschieden von idg. *salik- ‘Weide’;
nach Frisk 36, 42, 80 hierher αἰέλουρος m. f. ‘Kater, Katze’ oder ‘Wiesel’, auch αἴλουρος (aus αἰόλος + οὐρά ‘Schwanz’) und αἰόλος ‘schnell beweglich, schillernd, bunt’ aus *(ϝ)αι-ϝόλ-ος; ἅλυσις f. ‘Kette, Fessel’ (*ϝάλυ-τις);
alb. vjel ‘übergebe mich, erbreche’ (*u̯elu̯ō); valë f. ‘Wallen des kochenden Wassers; Welle, Woge’ (*u̯elǝnā);
lat. vola f. ‘Rundung, Höhlung der Hand oder der Fußsohle’ (vgl. aisl. valr ‘rund’, ai. vala- m. ‘Höhle’); von der u-Basis volvō, -ere, , volūtum ‘rollen, kollern, wälzen, drehen, wirbeln’ (*u̯elu̯ō), volūmen ‘Rolle’, involūcrum ‘Hülle, Futteral’, involūcre ‘Serviette’, wohl auch volva, vulva ‘Gebärmutter, Eihaut der Pilze’;
reduktionsstufig vallus ‘Pfahl, Palisade’, wozu als Kollektiv vallum ‘Pfahlwerk, Verschanzung’ [daraus entlehnt as. wal, ags. weall, mhd. wal(l) ‘Wall’]; vallēs, vallis ‘Tal’ (‘*Einbiegung’) = gr. *ϝᾶλις > Ἦλις (*u̯elnis), valvae ‘die Türflügel, Doppeltüre’, valvolae ‘Schoten’ (*u̯elu̯ā);
air. fillid ‘biegt’ (altes n-Präs.), bret. goalenn ‘virga’ (‘*biegsame Rute’); air. félmae (= fĕlmae) ‘saepes’ (vermutlich ‘*Flechtwerk’); ō-stufig mir. fāl m. ‘Zaun, Gehege’, cymr. gwawl ‘murus, vallum’;
unsicher mir. fail, foil (Gen. falach) ‘Ring’ (*u̯elik-, ablaut. mit ἕλιξ?);
aisl. vil Pl., Gen. vilja ‘Eingeweide’, ags. we(o)loc, weolc, uioloc ‘Trompeterschnecke’, ndl. welk, wulk ds. aus germ. *weluka-, wohl zur u-Basis, wie sicher got. walwjan ‘wälzen’, walwisōn ‘sich wälzen’, ags. wielwan ‘wälzen, rollen’ (*walwjan), walwian tr. intr. ‘wälzen, rollen’; aisl. valr ‘rund’, ags. walu f. ‘Strieme nach einem Schlag’ (*u̯olo-, , vgl. lat. vola), mnd. walen ‘drehen, wälzen, rollen’, ahd. wulsta f. ‘Wulst’; got. walus ‘Stab’, aisl. vǫlr ‘runder Stab’, afries. walu-berа ‘Stabträger’, ags. uyrt-wala (‘Wurzelstock’), ahd. wurzala Wurzel; n-Präsens ahd. wellan ‘runden, rollen’, as. bíwellan ‘beflecken’ (‘*im Schmutz herumwälzen’), afries. biwullen Partiz. ‘befleckt’, wozu ahd. wellaWelle’, vgl. mit Formans -mi- (wie ai. ūrmí-, av. varǝmi-) ahd. walm ‘Aufwallen, Sieden, Hitze’, ags. wielm, wylm ‘Woge, Wallung, Sieden’;
mit der Bed. ‘Wellen werfen’ (vgl. ahd. wella usw.), ‘aufwallen’ (von Quellen und bes. von siedendem Wasser, woraus z. T. auch Worte für ‘Dampf, Hitze’ entsprangen) außer ahd. walm, ags. wielm auch aisl. vella, vall ‘sprudeln, sieden, wallen’, ahd. (usw.) wallan, wiel ‘wogen, wallen, aufwallen, sieden, kochen’, Kaus. aisl. vella ‘zum Sieden oder Schmelzen bringen, zusammenschweißen’, mnd. mhd. wellen ds., aisl. vella f. ‘Sieden’, afries. walla, ags. wiell f. ‘Quelle, Sieden’, schwachstufig norw. olla f. ‘Quelle’, got. wulan ‘sieden’, aisl. ylr ‘Wärmedunst’, ylja ‘wärmen’, olmr ‘wütend’: ahd. walo Adv. ‘tepide’, walī ‘tepor’; hierher u̯el-6 S. 1140?
dehnstufig ags. wǣl m. n. ‘Strudel, Pfuhl’, wǣlan (*wōljan) ‘wälzen’, mnd. wӧ̄len ds., ahd. wuolen ‘wühlen, aufwühlen’ (vgl. zum Ablaut aksl. valiti ‘wälzen’, und zur Bed. ‘aufwühlen’ auch nhd. Wal, Wehle, Wuhle ‘vom Wasser ausgewaschene Vertiefung’);
lit. veliù, vélti (schwere Basis) ‘walken’, váltis ‘Garn, Fischernetz’ (= russ. vólotь ‘Faden, Faser’ bis auf die Intonation), lett. vel̂t ‘wälzen, walken’, lit. apvalùs, lett. apál̦š ‘rund’, apr. walis ‘Zugscheit am Wagen’, lit. volė̃ ‘hölzerner Schlägel’, pavõlai ‘Walzen’, lett. vā̀le f. ‘Waschbleuel’, vī-vala ‘der Laufstock beim Garnwinden’ (: vīvaluot ‘ausgelassen sein’); lit. vė̃lei, vė̃l ‘wiederum, noch einmal’, lett. vêl ‘noch, ferner’ (‘wiederum’ aus ‘Wendung’) und mit Bed.-Entw. ‘sich entwinden, sich winden = zögern’ vielleicht lit. vėlùs, lett. vę́ls ‘spät’, lit. valandà ‘Weile’ (daraus russ. valánda ‘Saumseliger’);
slav. *valъ m. in ksl. valъ ‘Welle’, russ. val ‘Welle, Woge, Walze’ (bsl. *u̯ō̆la-), obvál ‘Erdrutsch’, provál ‘Einsturz’; aksl. valiti sе̨ “κυλίεσθαι”, russ. valítь ‘wälzen’, Iter. serb. váljati, russ. valjátь ‘wälzen, walken’, ablaut. russ.-ksl. obьlъ ‘rund’, russ. óblyj ‘rundlich’ (*ob-vьlъ); über russ. vólotь s. oben;
bsl. *u̯ilnā- (*u̯l̥nā) f. ‘Welle’ in lit. vilnìs, vilnià, lett. vilna ‘Welle’; slav. *vьlna in aksl. vlъna, russ. volná ds.; dazu aksl. vъlati ‘in Wallung bringen’.
Toch. A walyi Pl. ‘Würmer’.
B. d-Präsens (bzw. d-Erweiterg.): aisl. velta, valt, ahd. walzan, mhd. walzen, wielz ‘sichwälzen’, ahd. auch ‘volvere animo’ (wgrm. a-Präs. zu einem Perf. mit idg. о neugebildet mit Unterstützung des Iterativs:) got. waltjan ‘sich wälzen’, uswaltjan ‘umwälzen’, aisl. velta, ags. wieltan, ahd. welzan trans. ‘wälzen, rollen, drehen’, anord. valtr, ags. wealt ‘rollend, wälzbar, unbeständig’; ags. wlatian unpers. ‘nauseare’, wlǣta, wlǣtta m. ‘Ekel’ (*wlātiþa), wlǣtan ‘foedare’, mnd. wlaten ‘ekeln’ (u̯lē-d- : u̯lǝ-d-); auch neben ahd. wal(a)gōn ‘sich wälzen, rollen’ steht mhd. die Bed. ‘Ekel empfinden’, walgunge ‘Seekrankheit’, auch norw. dial. valg ‘widerlich, übel’ (s. unten);
d-Erweit. auch in lett. velde, veldre ‘das vom Regen niedergelegte (wie gewälzte) Getreide’; vgl. von der i-Basis oben gr. ἀλίνδω, ἀλινδέω, ἀλίζω.
C. Weiterbildungen:
u̯lei-s-, u̯li-s- in: air. flesc ‘Rute’ (*u̯liskā), got. wlizjan ‘schlagen, züchtigen’ (wenn Ableitung von einem *wliza- ‘Rute’), slav. *lěska (*vloiskā), russ.-ksl. lěskovъ ‘aus dem Holz des Styraxbaumes gemacht’, serb. lijèska ‘Haselstaude’ usw.; über russ. lés ‘Wald, Holz’ (*lěsъ), lesá ‘Angelschnur, Zaun’, die vielleicht hergehören, s. Vasmer 2, 33 f. und oben S. 665.
u̯lē-ro-, u̯lō-ro-, u̯lǝ-ro-: gr. εὔληρα, dor. αὔληρα Pl. ‘Zügel’, ἄβληρα· ἡνία Hes. (*ἐ-, ἀ-ϝληρο-), lat. lōrum ‘Riemen’, lōrica ‘Kettenpanzer’ (‘Riemenpanzer’), arm. lar ‘Strick, Schnur, Bogensehne, Muskel’, vgl. oben S. 1139.
D. Gutturalerweiterungen:
u̯olg- in ai. válgati ‘(*dreht sich), hüpft, springt’, mit sam- ‘setzt sich in rollende Bewegung’, mit abhi- ‘wallt auf’, valgā ‘Zaum, Zügel’, lat. valgus ‘säbelbeinig’, ags. wealcan, wéolc ‘rollen (tr. und intr.), sich hin und her bewegen, volvere animo’, ahd. walkan, mhd. walken, wielcwalken, verfilzen, prügeln’, mhd. auch ‘sich wälzen’, aisl. valk n. ‘das Hinundhergeworfenwerden, bes. auf der See’, ags. gewealc n. ‘das Rollen’, wealca m. ‘Woge’;*walkōn in aisl. valka ‘von Ort zu Ort treiben oder ziehen, plagen, volvere animo’, ags. wealcian ‘rollen’ (intr.), engl. walk ‘wandern’, mnd. walken ‘walken, kneten’; lett. valgs ‘Strick, Schnur’;
nasaliert as. wlank ‘übermütig, kühn’, ags. wlanc ‘übermütig, stolz, stattlich’, wenn aus der Bed. ‘springend’ (: ai. válgati) entwickelt.
u̯olk-: in mnd. walgen ‘ringen, kämpfen, Übelkeitempfinden’, norw. olga ‘sich ekeln’, ahd. wal(a)gōn ‘sich wälzen, rollen’, trans. ‘wälzen, rollen’, mhd. unpers. m. Dat. ‘Ekel empfinden’, walgunge ‘Seekrankheit’.

WP. I 298 f., WH. I 822, II 728 ff., 825, 832 ff., Trautmann 349, Vasmer 1, 165 f., 234, Frisk 36, 42, 457 f., 461 f.; vgl. u̯el-3.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal