Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wijm - (wilgenteen; traliewerk)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

wijmpje, zn.: strooien huls voor flessen, hor waarop taarten gelegd werden om te koelen. Dim. van (o.m.) Ovl. wijm(e), wime ‘wis, wilgenteen; katwilg’. Mnl. wime, wijme ‘wilgentwijg’, Vnnl. wime oft wisse ‘un osier’ (Lambrecht), wijme ‘wilgentwijg’ (Kiliaan). Mnd. wîme, Ofri. wîm(e). Evt. < Lat. vimen. Of als erfwoord rechtstreeks teruggaand op Idg. *ṷei- ‘draaien, buigen’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

wijm(e) (Al, B, L, W, ZO), wime (G), zn. v.: wis, wilgenteen; katwilg. Mnl. wime, wijme 'wilgentwijg', Vnnl. wime oft wisse 'un osier' (Lambrecht), wijme 'wilgentwijg' (Kiliaan). Mnd. wîme, Ofri. wîm(e). Evt. < Lat. vimen. Of als erfwoord rechtstreeks teruggaand op Idg. *uei- 'draaien, buigen'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

wèèm wis, teen (Oost-Vlaanderen). = mnl. wime ‘wilgetwijg’. = wieme ↑.
WVD II afl. I 12.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

wijme, zn. v.: wilgenteen. Mnl. wime, wijme ‘wilgentwijg’, Vroegnnl. wime oft wisse ‘un osier’ (Lambrecht), wijme ‘pumila salix, vimen, salix viminalis’ (Kiliaan). Mnd. wime, Ofri. wim(e). Evt. < Lat. vimen. Of als erfwoord rechtstreeks teruggaand op Idg. *ṷei ‘draaien, buigen’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wijm ‘wilgenteen; traliewerk’ -> Frans † guimée ‘stok van een droogrek of drooglijn van een wasvrouw’.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal