Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wielewaal - (zangvogel (Oriolus oriolus))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

wielewaal zn. ‘zangvogel (Oriolus oriolus)’
Mnl. wedewale ‘wielewaal’ [1287; VMNW], wedewal ‘id.’ [1462; MNW-P]; vnnl. wewael, wedewael ‘wielewaal’ [1556; iWNT], widewael ‘id.’ [1605; iWNT]; nnl. wielewaal [1762; iWNT].
Herkomst onduidelijk. Het woord lijkt een oude samenstelling, waarvan het eerste lid Proto-Germaans *widu- ‘bos’ zou kunnen zijn. Het tweede lid brengt men wel in verband met Oudnederlands galan ‘zingen’ (zie → nachtegaal) of met een oude (klanknabootsende?) wortel voor ‘roepen’ zoals in Tsjechisch volat ‘id.’ en Litouws volungė ‘wielewaal’.
In het Nederlands verdween de intervocalische -d-, maar de verdere aanpassing van het eerste lid tot wiele- (afstandsassimilatie -d-l > -l-l) is onregelmatig.
Mnd. wedewal, weddewale; mhd. witewal (nhd. dial Wiedewal, Wittewal); me. wudewale ‘wielewaal’ (ne. dial. witwall ‘groene specht’).
Bij het eerste lid pgm. *widu- ‘bos’ horen: mnd. wede ‘bos’; ohd. witu ‘hout’; oe. widu, wudu ‘bos’ (ne. wood); on. viðr ‘bos, boom’ (nzw. ved ‘hout’). Zie ook → hop 2 en → juni.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

weduwaal* [wielewaal] {1872} nevenvorm van wielewaal.

wiedewaal* [goudmerel] {1605} nevenvorm van wielewaal.

wielewaal* [goudmerel] {wedewale 1287} middelnederduits wedewale, middelhoogduits witewale, oudengels wudewale; het eerste lid is oudhoogduits witu- [hout] (vgl. hop1), het tweede is mogelijk een nabootsing van het geluid van de vogel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wielewaal znw. m., mnl. wēdewāle, mnd. wēdewāle, mhd. witewale, oe. wudewale heeft als 1ste lid germ. *wiðu ‘hout, bos’ (zie daarvoor: hop 1). Het 2de lid is onverklaard. — De vorm wielewaal is als een vervorming te beschouwen, nadat men het 1ste lid niet meer verstond (vgl. ook munsters wiegelwagel).

Voor de verdeling der namen voor deze vogel vgl. P. J. Meertens, Taalatlas Afl. 6, 6. — Misschien is het 2de deel wāle een nabootsing van het vogelgeluid; vgl. lett. valuodze, lit. volunge ‘wielewaal’, te verbinden met tsjech. volati ‘roepen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wielewaal znw. De oudste ndl. vorm is Kil. mnl. wēdewāle, welks klankwettige voortzetting nog vla. Antw. hagelandsch bestaat. = mhd. witewale, mnd. wēdewāle, meng. wudewale “wielewaal”. ’t Eerste lid is germ. *wiðu- “hout, bosch” (zie hop I), ’t tweede is onverklaard; vgl. eng. hich-wall “groene specht”. Een dgl. vervorming als ndl. ndd. dial. wielewā̆l is Munstersch wiegelwagel.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wielewaal. De voortzetting van mnl. wēdewāle ook limb. (Hasselt).
Het tweede lid kan met lett. valuôdze, vāluodze ‘wielewaal’, lit. volungė̄ ‘id.’ kleinruss. ívolga ‘id.’ verwant zijn, welke woorden misschien bij pools wołać, čech. volati ‘roepen’ behoren: Endzelin KZ. 52, 123. Hierbij is verder gebracht oi. vā́ṇî- ‘klank, muziek, taal’, vâṇá-’muziek(instrument)’, wellicht terecht; het is echter niet gewenst met Scheftelowitz KZ. 53, 249 verder te combineren met woorden als on. ŷla ‘huilen’, ier. ulach ‘lawaai’, lit. ulóti ‘roepen’, die zich aansluiten bij de onder ui1 besproken klanknabootsingen. — Eng. hick-wall ‘groene specht’ is een moeilijk te beoordelen vorm, die hier beter buiten beschouwing blijft.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wielewaal m., Mnl. wedewale + Hgd. wiedewal, Eng. witwall, wittol, woodwale: het eerste lid is *wede = hout (z. wedewinde) ; het tweede is niet klaar.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

wiewaal 1, weewaal, zn.: wielewaal, Oriolus oriolus. Ook Br. en Vl. weewaal. Door d-syncope < Mnl. wedewale ‘wielewaal’, Vnnl. weedewael, geelgorse ‘oriolus, widewallus’ (Kiliaan). Mnd. wedewale, Oe. wudewale, Mhd. witewale, Vroegnhd. witwol > E. witwol, witwall. Wgerm. *widuwalo. Het eerste lid is Germ. wiðu ‘hout, bos’, Ohd. witu ‘hout, boom, bos’ (in b.v. D. Weide ‘wilg’, ook in D. Wiedehopf ‘hop’). Het tweede lid wordt meestal klanknabootsend verklaard; vgl. Kleinrussisch volga ‘wielewaal’, Pools wolac, Tsjechisch volati ‘roepen’. Een wielewaal is dan een ‘bosroeper’. – Bibl.: P.J. Meertens, De wielewaal. TT 2 (1950), 23-27.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

pievollion, piewageilant, pielewageilaat, zn.: wielewaal. Verhaspelingen, misschien van Fr. pie volante ‘stelende ekster’?

wielewaai, wielewouw, wielewouter, wielewuiten, wiewaal, wiewaai, wiewouw, wiewuit, zn.: wielewaal. Vervormingen van wielewaal. Wouw werd geherinterpreteerd als Wouter, vandaar ­wuiten. Zie ook weewaal.

weewaal, weewaard, wever, zn.: wielewaal, Oriolus oriolus. Ook Vlaams. Door d-syncope < Mnl. wedewale ‘wielewaal’, Vnnl. weedewael, geelgorse ‘oriolus, widewallus’ (Kiliaan). Mnd. wedewale, Oe. wudewale, Mhd. witewale, Vroegnhd. witwol > E. witwol, witwall. Wgerm. *widuwalo. Het eerste lid is Germ. wiðu ‘hout, bos’, Ohd. witu ‘hout, boom, bos’ (in b.v. D. Weide ‘wilg’, ook in D. Wiedehopf ‘hop’). Het tweede lid wordt meestal klanknabootsend verklaard; vgl. Kleinrussisch volga ‘wielewaal’, Pools wolac, Tsjechisch volati ‘roepen’. Een wielewaal is dan een ‘bosroeper’. – Bibl.: P.J. Meertens, De wielewaal. TT 2 (1950), 23-27.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

wielewaal s.nw.
Groot geelswart sangvoël.
Uit Ndl. wielewaal (Mnl. wedewale, wedewael, weduwale, weduale).
Die eerste lid van Ndl. wielewaal gaan terug op Germ. *widu- 'hout, bos' en die tweede lid is mntl. deur klanknabootsing gevorm uit die geluid wat die voël maak, of daar is mntl. 'n verband met Litaus volunge 'wielewaal' waarvan die eerste lid verwant is aan Pools wolac, Tsjeggies volati 'roep'; wielewaal sou dan lett. 'woudroeper' beteken.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

wiewouw, zn. m.: wielewaal, Oriolus oriolus. Var. van Ovl. wiewaal, weewaal. Door d-syncope < Mnl. wedewale ‘wielewaal’, Vnnl. weedewael, geelgorse ‘oriolus, widewallus’ (Kiliaan). Mnd. wedewale, Oe. wudewale, Mhd. witewale, Vroegnhd. witwol > E. witwol, witwall. Wgerm. *widuwalo. Het eerste lid is Germ. wiðu ‘hout, bos’ (in b.v. in D. Wiedehopf ‘hop’). Het tweede lid wordt meestal klanknabootsend verklaard; vgl. Kleinrussisch volga ‘wielewaal’, Pools wolac, Tsjechisch volati ‘roepen’. Een wielewaal is dan een ‘bosroeper’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

weewaal (NO, W), wiewaal (L, NO, W), wiewale (G), wiewaan (Moezeke), wiewouw (A, H, Waasmunster), zn. m.: wielewaal, Oriolus oriolus. Wiewaan door contaminatie met sperwaan, meerlaan. Door d-syncope < Mnl. wedewale 'wielewaal', Vnnl. weedewael, geelgorse 'oriolus, widewallus' (Kiliaan). Mnd. wedewale, Oe. wudewale, Mhd. witewale, Vroegnhd. witwol > E. witwol, witwall. Wgerm. *widuwalo. Het eerste lid is Germ. wiðu 'hout, bos' (in b.v. D. Weide 'wilg', ook in D. Wiedehopf 'hop'). Het tweede lid wordt meestal klanknabootsend verklaard; vgl. Kleinrussisch volga 'wielewaal', Pools wolac, Tsjechisch volati 'roepen'. Een wielewaal is dan een 'bosroeper'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

wiedelewaddele wielewaal (Varsevelds, Heelweg). Onomatopeïsche variant van wielewaal (= oeng. wudewale). Het eerste deel = oiers. fid ‘boom’, ohgd. witu ‘hout’. Het laatste deel is klanknabootsend: vgl. Lets vãluōdze ‘id.’.
TT II 27, NEW 835.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

weewale (DB), zn. m.: wielewaal. Door (d-syncope < Mnl. wedewale ‘wielewaal’, Vroegnnl. weedewael, geelgorse ‘galgulus, galbula, chlorion, icterus, ales luridus, avis lurida, oriolus, widewallus’ (Kiliaan). Mnd. wedewale, Oe. wudewale, Mhd. witewale, Vroegnhd. witwol. Het eerste lid is Germ. widu ‘hout, bos’. Het tweede lid wordt meestal klanknabootsend verklaard; vgl. Kleinrussisch volga ‘wielewaal’, Pools wolac, Tsjechisch volati roepen’. Een wielwaal is dan een ‘bosroeper’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wielewaal: voëls. (spp. Oriolus, fam. Oriolidae); Ndl. wielewaal (Mnl., Kil en dial. wēdewāle), Mhd. witewale, dial. wiegelwagel, eerste lid wsk. uit Germ. wd. wat “bos/hout” bet., maar die tweede lid onverkl., misk. kn., vgl. Eng. (hick)wall.

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

WIELEWAALOriolus oriolus
Duits Pirol
Engels Golden Oriole
Frans Loriot
Fries Gielegou
Betekenis wetenschappelijke naam de goudgele (vogel). Wielewaal, in het Middelhoogduits Witewale en in het Germaans Wuduwal-ôn, is samengesteld uit de elementen woud en galmen of kwelen, zodat de Nederlandse vogelnaam de betekenis van ‘boszanger’ heeft. Een populair wandelliedje in de dertiger jaren luidt: “Komt mee naar buiten allemaal, dan zoeken wij de wielewaal en horen wij dien muzikant, dan is zomer weer in ‘t land! Dudeldjo klinkt zijn lied, dudeldjo klinkt zijn lied, dudeldjo en anders niet.” Zoals we al eerder schreven blijkt het vaak moeilijk een vogelgeluid exact in woorden weer te geven. Zo ook bij de Wielewaal. Een aantal volksnamen is, evenals verschillende buitenlandse namen, (deels) een geluidsnabootsing van zijn zang. Om te beginnen zijn er de gewestelijke varianten op de Wielewaal als Wielke (Ens), Wiewaal (Lb), Wielewaa (Riv), Widevvaal (Ach), Wedewaal (Ens), Werrewaal en Weddewah (Ach). Een oudere klank dan ‘waal’ is ‘wouw’, een element dat we aantreffen in Wiewouw, Gèle Wiewauw (ONB), Gèle Wiewouw (Kem) en Hjèle Wiwou (ZVl). De kleuraanduiding heeft betrekking op de goudgele kleur van het mannetje. Het is onduidelijk of het element gou(w) in de volgende namen verband houdt met de kleur, dan wel een verbastering is van ‘wouw’. We noteerden Giel(e)gou (Fr), Gelgouw (Ens) en Gouw(e) (Tex). Een gielegou was vroeger een goudstuk. De opvallende kleur komt, samen met de lijsterachtige zang van de Wielewaal tot uitdrukking in Goudlijster, Goud(s)merel, Goudmeerle, Goudmäle (Lb), Goudmaerel (Sco) of Houdmaerel (Sco), Goujemaerlink (Lb), Goldmerel (Gr) en Gouwe Marelaer (Zl). In Friesland komt de naam Pierewyt voor en elders in het land de volksnaam Oliemerel. De laatste naam kan zijn ingegeven door het Oudfranse Oriol of het Franse Loriot en is dan eveneens klanknabootsend gevormd. De in ons land vrij algemene broedvogel arriveert doorgaans begin mei vanuit zijn winterverblijf. Omdat deze gebeurtenis omstreeks de Pinksterdagen plaats heeft wordt hij soms Pinkstervogel (Lb) genoemd. De naam Boonnpoter (Ens), die hij met de Koekoek deelt, houdt eveneens verband met zijn aankomst in ons land. Het is op die tijd dat de boeren hun bonen poten. Omdat werd aangenomen dat zijn roep regen of onweer aankondigt, wordt hij zowel Regenvogel als Dondervogel (Goe) genoemd. De Wielewaal heet Watervogel (ZLb) omdat hij nogal eens in de nabijheid van beken nestelt. Zijn naam Brike Liuw (Fr) betekent misschien ‘guitige leeuwerik’. Hoewel een echte rupsenverdelger eet hij zo nu en dan ook graag kersen hetgeen blijkt uit de namen Karsefûgel (Fr) en Kersevogel. Op verschillende plaatsen troffen wij enkele komische namen aan, die geen diepere betekenis hebben dan dat ze woordspelingen zijn op de jodelfluit van de vogel. Wat te denken van Schèle Wiewouw, Schèle van Mierlo (ONB), Grete van Gluurne (Ach), Piet van Ruurle (Ach, Ov), Dubbele Bagijnhof en Hannik van ‘t eeknloof (Twe). Een aantal Vlaamse namen laten we hier zonder commentaar volgen: Gele Kersendief, Kersenrijp, Koekeliereloe, Gele Wever, Gele Spreeuw, Goudvogel, Populierelouw, Olijmerel, Wronglawei en Verwrongen Weiten.

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Wielewaal Oriolus oriolus (Linnaeus: Coracias) 1758. De Wielewaal is een in de Lage Landen broedende goudgele trekvogel ter grootte van een Spreeuw. Hij was goed bij de gewone mensen bekend, evenals bij de ‘vaklui’ en in de literatuur, hoewel Van Maerlant (c.1266) wel wat eigenaardige gegevens over de Wielewaal aan Thomas van Cantimpré en eerdere klassieke schrijvers ontleende: vs.2873 “Oriolus es een voghel, ghenoemt1 / Na den sanghe die van hem coemt, / Ende es van plumen openbare / Scone als hi gouden ware. / In boemen broet hi, ende singhet2 / Sulc luut als sine name bringhet. / Ic wane dat meent die wedewale. / Al es oriolus gheplumet wale3, / Sijn drec heeft so sware lucht, / Dat hi dat selve so sere vrucht, / Dat hi sere scuwet sijn smelt; / Want begaeten die ghewelt / Van den stanke, hi es so groet, / Hi macher lichte of bliven doet. / Verheft ju niet, stervelike keytive4, / Op die scoenheit van uwen live. / Wilde u lieven wel bekinnen, / Ghi vint al in u herte binnen / Ghenoech dies ghi u moghet scamen: / Alle sijn wi aerde te samen.”
ETYMOLOGIE N Wielewaal (o.a. bij Houttuyn 1762) en als nauwelijks nog bekende nevenvorm Wiedewaal [vD 1970] <N Weede-wael [VK c.1618; als synoniem voert deze op: GEEL-GORSE (!); tevens staan in diens tekst vermeld: vvidevvallus, vvidewallus en vviddevvol] <mnl wedewale (JvM c.1266), weduwale; mnd wedewale; mhd witewale; de oude E naam Witwall <E Witwol (Turner 1544, waarschijnlijk rechtstreeks aan D Witwol ontleend; Turner had regelmatig contact met Gesner en is ook zelf in Duitsland geweest, op zoek naar de vogel ‘Geitenmelker’) (E volksnaam Woodwall ‘Groene Specht!’ is voortgekomen uit middelengels Wodewale ‘Wielewaal’ (c.1325; het woord is ook c.1250 en c.1310 geregistreerd gevonden). Wielewaal is een zgn. ezelwoord (geworden); dat verklaart de rijmende (secundaire) eerste l.
Als prototype voor alle genoemde namen geldt westgermaans *widuwalo, waarin het eerste lid widu- ‘bos, hout’ betekent (vgl. D Wiedehopf sub Hop), misschien specifiek ‘Wilgenbos’ (D Weide ‘Wilg’ <mhd wide <ohd wida, verwant met Lat vitis ‘(wijn)rank’). Dit zou mooi overeenstemmen met R Иволга Iwolga ‘Wielewaal’, waarin ook de naam van deze boomsoort opgesloten zit (R и́ва íwa ‘Wilg’). De Wielewaal heeft bij ons echter een voorliefde voor Populieren (Populus).
Het tweede lid -walo wordt vergeleken met lets valuôdze [nu Vālodze] en litouws Volunge ‘Wielewaal’ en is mogelijk te verbinden met het tsjechisch ww. volati ‘roepen’ [FWH 1936; Meertens 1950]. De D volksnaam Veidevuali [Wüst 1970] lijkt hier tussenin te staan.
Misschien komen de elementen -waal in Wielewaal en -gaal in Nachtegaal wel met elkaar overeen; men ziet wel vaker dat de g en de w uitwisselbaar zijn. Ook bij de onderhavige vogelnaam is er bijv. fries Gielegou ↑, ondersteund door de zinvolle betekenissen giel ‘geel’ en ‘gou(d)’. Zie ook Goudvogel. (Er is ook fries Gulp als naam voor de Wulp).
Oriolus is geen onomatopee, zoals Van Maerlant misschien denkt: oriolus komt via oudpro- vençaals Auriol van Lat aureolus ‘sierlijk van goud gemaakt’ <Lat aurum ‘goud’ <sabijns ausum <Gr *ausṓs (>Gr héōs ‘dageraad’). [Robert 1993]

==

1 Oriolus is een vogel, die genoemd is naar zijn zang [zie echter sub ETYMOLOGIE] Hij is stellig mooi van pluimage, alsof hij van goud was.

2 Hij broedt in de bomen, en zingt net zo als zijn naam luidt1. Volgens mij wordt de Wielewaal bedoeld.

3 Ook al heeft hij mooie veren, Zijn drek heeft zo’n slechte lucht, Dat hij er zelf zo bang voor is, Dat hij zorgt het nooit te ruiken; Want bereikt hem de enorme stank dan kan hij er gemakkelijk dood aan gaan.

4 Verhef u niet, ellendige sterveling, Op de schoonheid van uw lichaam. Als u de hand in eigen boezem wilt steken, vindt u voldoende om u voor te schamen. Wij allen, wij zijn slechts stof.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wielewaal* zangvogel 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal