Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wetten - (scherpen)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2014-), etymologische artikelen, gepubliceerd op Neerlandistiek.nl

Etymologie: wetten

wetten ww. ‘scherpen’
Vroegmiddelnederlands wetten (1240), zwak ww., wetsteen ‘slijpsteen’ (1240), Mnl. wetten, Nnl. wetten (1506) ‘slijpen’. Wetten en slijpen worden in het Middelnederlands als synoniemen gebruikt, maar slijpen betekende oorspronkelijk ‘glijden’ en is via ‘afslijten’ tot transitief ‘slijpen’ geworden, terwijl wetten vanaf het begin ‘scherp maken’ betekende.
Verwante vormen: Middelnederduits wetten, Oudhoogduits (h)wezzen, Nhd. wetzen, WFri. hottje (17e e.), hotsje ‘slijpen’, hotte ‘wetsteen’, Oudengels hwettan, MoE to whet, OIJsl. hvetja. Het in de woordenboeken genoemde Gotische ww. gahvatjan is een waarschijnlijk onterechte conjectuur voor geattesteerd gahvotjan ‘bedriegen’.
waat zn. ‘scherp, snede’
MNl. wate (1351–1400) ‘scherp of snede van een wapen of werktuig’, Nnl. wate (1526), waet (1588), waat (1669), modern waat ‘snede’ (van een mes, zeis) in zuidoostelijke dialecten. Verwante vormen: Mnd. wate.
watig bn. ‘uitgelaten’
Mnl. watich ‘puntig, scherp’ (1490), Nnl. waetich ‘scherp’ (1599), ook Nnl. dial. watig ‘uitgelaten, rumoerig’ (Hageland, Haspengouw). Verwante vormen: OS mēn-hwat ‘misdadig’, nīth-hwat ‘vijandig’, Ohd. (h)waz, OE hwæt, OIJsl. hvatr ‘scherp’.
Watig, waat en wetten zijn alle drie afgeleid van het PGm. bn. *hwata- ‘heftig, snel, scherp’. Watig is een uitbreiding van het bn. met -ig, het zn. waat gaat terug op WGm. *hwatan- of *hwatō(n) ‘scherpe kant, scherp voorwerp’, en wetten op een PGm. werkwoord *hwatjan- ‘scherp maken’.
PGm. *hwata- is afgeleid van het ww. *hwētan- ‘steken, stoten’, waarvan het voltooid deelwoord nog in Mnl. verwaten ‘vervloekt’, Nnl. ‘hoogmoedig, trots’ bewaard is. Daarnaast bestond een ouder bn. *hwassa- ‘scherp’, te zien onder andere in Gotisch hvassaba bw. ‘scherp’, hvassei f. ‘scherpte’, Oudsaksisch wass bn. ‘ruw, scherp’. Mogelijk zit de Oudnl. pendant van dit bn. in de plaatsnaam Wassenaar indien uit *hwassan-haru- ‘scherpe rand’.
Het ww. *hwētan- wordt door Kroonen (2013: 264, 266) uit een Proto-Indo-Europese stam *kweh1d-verklaard, waarvan het deelwoord PIE *kwh1d-to- Germaans *hwassa- kon opleveren. Het woord is tot nu toe niet met verwanten buiten het Germaans verbonden, maar kan in theorie PIE *kueh1-d- voortzetten, dat (afgezien van het suffix -d-) identiek kan zijn met de PIE wortel *ḱueH- waarop Proto-Iraans *śwaH- ‘werpen’ teruggaat (Avestisch spaiia- ‘werpen’, spāta- ‘geworpen’, Oud-Perzisch frasa- ‘oprichten, bouwen’).
[Michiel de Vaan, gepubliceerd op 16-06-2016]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wetten* [scherpen] {1201-1250} middelnederduits wetten, oudhoogduits hwezzan (hoogduits wetzen), oudengels hwettan (engels to whet), oudnoors hvetja, gotisch gahwatjan [aansporen], van een woord oudsaksisch hwat, oudhoogduits (h)waz, oudengels hwæt, oudnoors hvatr [scherp]; etymologie onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wetten ww., mnl. wetten, mnd. wetten, ohd. hwezzen, wezzen (nhd. wetzen) ‘scherpen’, nwfri. hotsje (< hwetsje), oe. hwettan (ne. whet) on. hvetja ‘scherpen, aansporen’, got. hwatjan ‘aansporen’. Een afl. van germ. bnw. *hwata- ‘scherp’, vgl. os. hwat-, ohd. hwaʒ, waʒ ‘scherp, heftig’, oe. hwæt, on. hvatr ‘snel, moedig’, vgl. het daarvan afgeleide znw. mnl. wāte o. v.? (nnl. dial. kempens waat v.) ‘snede van een wapen’. Een afleiding met een dentaal suffix is os. hwass, ohd. (h)was, oe. hwæs(s), on. hvass ‘scherp’, got. bijw. hwassaba. — lat. triquetrus ‘driehoekig’, eig. ‘met drie punten’ uit idg. *ku̯ed, ku̯od ‘boren, scherpen; aanzetten’ (IEW 636).

Hiertoe behoort ook verwaten. Uit de bet. ‘scherp aanvallen’ of ‘verdrijven’ kon zich die van ‘dreigen’ zowel als van ‘vervloeken’ ontwikkelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wetten ww., mnl. wetten. — ohd. (h)wezzen (nhd. wetzen), mnd. wetten “scherpen”, ags. hwettan (eng. to whet), on. hvetja “id., aansporen”, got. ga-hwatjan “aansporen”. Van ohd. (h)waʒ “scherp, heftig”, os. hwat (in samenst.), ags. hwæt, on. hvatr “snel, moedig”, germ. *χwata- “scherp”, mnl. nog in wāte o. (v.?) “het scherp, de snede van een wapen”, nnl. dial. (Kemp.) waat v. “id.”. Hierbij ohd. (h)was, os. hwass, ags. hwæs(s), on. hvass “scherp” (resp. “hevig, streng”), got. hwassaba bijw. “id.” (idg. *qwod-to- of *qod-to-), wsch. ook verwaten. Men houdt gr. kúndalos “houten pin”, kudázō “ik hoon”, ksl. kydati “werpen”, oi. códati, codáyati “hij spoort aan” wel voor verwant, van een idg. basis qewed- uitgaande. Als we deze combinaties en de bij hotsen meegedeelde willen vereenigen, komen we op al te onzeker terrein. Wat de woorden voor “hoonen” e.dgl. aangaat, ’t is ’t veiligst deze alleen onderling en met eenige andere woorden van dgl. bet. zooals ksl. kuditi “hoonen, berispen”, in ’t Obg. “te gronde richten”, te combineeren.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wetten. Wsch. hierbij lat. tri-quetrus (uit *-quadros?) ‘spits, scherp’; ook lett. skadrs ‘scherp, opgewekt’ (Endzelin KZ. 51, 290)?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wetten o.w., Mnl. id., Os. *hwattian + Ohd. wezzen (Mhd. wetzen, Nhd. id.), Ags. hwettan (Eng. to whet), On. hvetja (Zw. vättja), Go. ga-hwatjan (= aansporen): met e = ä, denomin. van *wat, Os. hwat = scherp + Ohd. wat, Ags. hwæt, On. hvatr: oorspr. onzeker.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wet II: ww., skerp maak, slyp (ook fig.); Ndl. wetten (Mnl. wetten), Hd. wetzen, Eng. whet, On. hvetja en Got. (ga)hwatjan, “aanspoor”, hou verb. m. Os. hwat, Oeng. hwaet, Ohd. hwaz, On. hvatr, almal “skerp”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wetten ‘scherpen’ -> Sranantongo wèt ‘scherpen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wetten* scherpen 1240 [Bern.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

kē̆d-, kō̆d- etwa ‘stacheln (Stachel, Spitz), bohren, wetzen, schärfen; antreiben, anreizen’, (älter keu̯ed-?)

Aisl. hvatr ‘schnell, mutig, scharf’, hvǫt f. ‘Anreizung’, hvata, -aða ‘antreiben, beschleunigen’, ags. hwæt ‘schnell, mutig’, as. hwat ds., ahd. (h)waz ‘scharf, heftig’, got. gaƕatjan ‘antreiben, wetzen’, aisl. hvetja ‘schärfen, anreizen’, ags. hwettan ds., mnd. wetten ‘wetzen’, ahd. (h)wezzen, mhd. wetzen ‘reizen, anfeuern, wetzen’; to-Partiz. got. ƕassaba Adv. ‘scharf, streng’ (ƕassei ‘Heftigkeit, Strenge’), aisl. hvass ‘scharf, rasch’, ags. hwæss ‘scharf’, ahd. (h)was, mhd.was(ser) ‘scharf, spitzig, heftig, streng’; ablaut. aisl. hvāta ‘durchstoßen’; aschwed. hø̄ta ‘Löcher bohren’; mit einer übertragenen Bed. as. for-hwātan, ahd. far-hwāzan ‘verfluchen’ und got. ƕōta f. ‘Drohung’, ƕōtjan ‘drohen’, aisl. hōt n. ‘Drohung’, hōta ‘drohen’;
wahrscheinlich lat. tri-quetrus ‘dreieckig’ (‘dreispitzig’; wohl aus *tri-quedros); möglicherweise auch ai. cṓdati, cōdáyati ‘treibt an, drängt’ (*keud-).

WP. I 513, II 554, Wissmann Postverbalia 64 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal