Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wet - (geheel van rechtsregels)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

wet zn. ‘geheel van rechtsregels’
Onl. witut ‘wet’ in in fan hendi uuither uuitut uuirkindes ‘en van de hand van wie tegen de wet ingaat’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. wet(te), wit, weet in bi der wet ‘bij wet’ [1236; VMNW].
Mnd. wit, wet(te) (ndd. wet); ohd. wizzōd; ofri. witat ‘hostie’; got. witō. Nfri. wet ‘wet’ is ontleend aan het Nederlands.
Afleiding van het werkwoord got. witan ‘beschouwen, bepalen’; os. witon ‘bepalen’; ohd. giwizzēn ‘acht geven op’; oe. bewitian ‘acht geven op, zorgen voor, bepalen’, on. vita ‘beschouwen, waarnemen’; alle afgeleid van de wortel van → weten.
In het Middelnederlands kwamen daarnaast met de betekenis ‘wet’ nog de woorden loy (uit het Frans) en ewe voor, zie ook → echt 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wet* [rechtsregel] {oudnederlands witat, witut 901-1000, middelnederlands wet(te), wit} middelnederduits wit, oudhoogduits wizzōd, gotisch witōþ, oorspr. verl. deelw. van een ww. oudsaksisch witon [bepalen], oudengels bewitian [beschouwen, bepalen], oudnoors vita [beschouwen]; verwant met weten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wet znw. v., mnl. wet, wit, weet v. o., onfrank. witat, witut, mnd. wit o.v., wette, wet v., ohd. wiʒʒōd m. o., got. witōþ o. — Vgl. os. oe. witod ‘bepaald, zeker’, deelw. van os. witon ‘bepalen, vaststellen’. Daarnaast ook ohd. giwiʒʒēn ‘acht geven op’, oe. bewitian ‘beschouwen, bepalen’, on. vita ‘beschouwen, waarnemen’, got. witan ‘beschouwen’. — Alle behorende tot de groep van weten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wet znw., mnl. wet (wit, weet) o., gew. v. = onfr. witat, witut (d), ohd. wiʒʒôd m. o., mnd. wit o. v., wët(te) v., got. witoþ o. “wet”. Andere bett. – vgl. o.a. ohd. wiʒʒôd, ofri. witat, witad m. “hostie” – zijn secundair. Deelwoordformatie van een met weten verwant germ. -ôn-ww.; NB. ags. be-witian “acht geven op, zorgen voor, regelen” is een jonger -ôn-ww., naast ouder got. witan (praet. witaida), ohd. gi-wiʒʒên “id.”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wet v., Mnl. id., Onfra. witat + Ohd. wiʒʒôd, Go. witoþ, bij een ww. *witôn = letten op, regelen, verwant met weten en wijten. — In korte wetten maken hebben we een vervorming van korte metten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wèt (zn.) wet; Aajdnederlands witut <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

wet s.nw.
1. Goddelike reëls. 2. Reëls deur die Parlement of ander bevoegde gesag gemaak. 3. Vaste reëls waarvolgens bepaalde gebeure verloop. 4. Formulering van 'n reëlmatige taalverandering.
Uit Ndl. wet (1526 in bet. 1, 1532 in bet. 2, 1581 in bet. 3, 1805 in bet. 4). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1936).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wet I: besondere verordening (in teëstelling m. d. alg. reg); vaste reël; Ndl. wet (Mnl. we(e)t/wit), Mned. wit/wet(te), Got. witōths, “wet”, hou verb. m. weet (q.v.), verder met wis III, wys I, II en III, wyt.

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

Wet: Tora; vier ellen Wet, de omheining van de Wet: begrip uit de Misjna, dat verwijst naar voorschriften om elke - ook onbedoelde - inbreuk op de Wet te voorkomen; bruidegom der Wet; Vreugde der Wet; Wetgeving (Matten Toure, Mattan Tora): het geven van de Stenen Tafelen aan Mozes en het joodse volk op de Sinaï; Wetschrijver (geloofsschrijver, soufer): schrijver van Wetsrollen, Estherrollen, en van de teksten in gebedsriemen en deurpostkokers; Wetsrol (Wetboek): Torarol; schriftelijke Wet: Tora, Tenach (het Oude Testament); mondelinge Wet: Talmoed, aanvankelijk mondeling overgeleverde commentaren en discussies met illustratieve verhalen over de schriftelijke Wet, ook vaak aangeduid als ‘overlevering’ of ‘traditie’; wettisch: volgens (de letter van) de Wet; Wet van zeven | vert. v. Hebr. touro (tora).
Een terugkerend onderwerp in onze vooroorlogse joodse literatuur vormen misverstanden over de Wet. Joden denken aan de Sinaïtische, niet-joden aan Haagse of Amsterdamse wetten.

— Op 14 October [1603] weder de novo gehoort wordende, bekent [Philip Joosten, anders genaamd Uri ben Joseph Halevi, de eerste rabbijn der Amsterdamse Marranen-gemeenschap] zijn Religi op de “Joodsche maniere alhier ter stede geëxerceert te hebben in sijn huys, zulcx de Wet medebrenght...” (A.M. VAZ DIAS, 1938)
— Un’ über die krenk hat er [Machmed] kein wein getrunken un’ ach kein chazzerfleisch gegessen, den das is um gesund vur die krenk, un’ darum hat er ach in sein wet verboten wein zu trinken un’ ach kein chazzerfleisch zu essen an ale die an im globen.
[Menachem Man Amelander: Sjeiris Jisroeil, 1743] (JAC. VAN GINNEKEN S.J., 1914)
— “Veelmin zal iemand ter vergadering onder de dienst, wanneer de rolle der Wet openligt of gelezen wordt, een ander mogen scheldwoorden toevoegen, bij verbeurte van 18 stuivers, de helfte voor de armen der stad en de andere helft voor die der Joden.”
[Reglement Joodse gemeente Groningen, 1744] (I. MENDELS, 1907)
— Waar zou ik eindigen, o Israëlieten, indien ik vers voor vers die beide titels uit uw Wetboek vergeleek met wat ge verricht en nalaat? Doet het zelf eens - en sla de viezigheden maar over - en antwoordt mij: vanwaar al deze verkeerdheden in Israël? En vooral, zegt mij waarom gij de christenen niet bestrijdt? Hun leer is de vernietiging van de uwe. Of hun God, of de uwe is de ware niet. Het kan u bekend zijn dat ik noch voor de een noch voor de ander partijtrek, doch gij moest hierover anders denken, dunkt me. Het jongetje in de amsterdamse Jodenhoek dat de prediker Schwartz trachtte te vermoorden, is de enige consequente Israëliet van wie ik sedert jaren gehoord heb. Geen aanhanger van Mozes mag afkeuren dat die knaap iemand wilde uit de weg ruimen, die vertellen kwam dat ‘de Wet’ ontbonden was, en dat men voortaan z’n God zou hebben te dienen volgens een nieuw reglement. (MULTATULI, 1877)
— “U hebt uw wagen onbeheerd laten staan op de publieke weg en dat verbiedt de wet.” “Neem me niet kwalijk, meneer, ik heb juist de wet opgevolgd... (verbaasd oog van ’t koper)... ja zeker, vraag u ’t maar aan meneer, die ’t gezien heeft (dat ging op mij) - meneer, heb ik de wet niet goed gedaan?” Ah, ik snapte, waar die seigel-Jid heen wou. “Wat bedoelt die man, meneer?” vroeg mij Hermandad. “Och ja, agent, ziet-u, de Joodse wet schrijft voor, dat iedere Jood een lijkwagen enige passen moet volgen, die man moest dus zijn plicht doen. Och, laat ‘m nu maar lopen, ’t kost hem een hele dag om de schade van een bekeuring in te halen.” (M. DE HOND, 1909)
— Twijfel
Zijn handen houden hoog de Wet geheven.
Wat hebben zij vannacht tastend gedaan?
O, God, red mij van dit twijfelend leven.
Laat mij bezwijken of weerstaan.
[1924] (JACOB ISRAËL DE HAAN, 1982)
— Jaren geleden, vóór de eerste wereldoorlog, kwam een gezelschap Poolse landverhuizers in Amsterdam. Op doortocht naar Amerika. Ze wilden bij de Joodse gemeente op het Meyerplein een Heilige Wetsrol lenen. Aan boord moesten ze toch godsdienstoefeningen kunnen houden. Maar een bedachtzame Amsterdammer overwoog: stel je voor, dat het schip vergaat, dan is de Heilige Wetsrol ook verloren, stel je zo’n ramp voor. De landverhuizers konden wel een Heilige Wetsrol lenen, maar tegen statiegeld. Dat wilden ze echter niet betalen. Het werd een eindeloos gekibbel. Geen statiegeld, geen wetsrol. Totdat een man, even slim als vroom, het verlossende, het vredestichtende woord sprak: “Als de Heilige Wetsrol aan boord is, kàn het schip toch niet vergaan!” (MEYER SLUYSER, 1958)
— Het land Israël is wel genoemd een wettisch land. Met ons is het heel anders dan met andere volken. Wij zijn niet uit Israël afkomstig. We zijn uit Egypte getogen. Uit een vreemd land. We hebben onze wetten niet in Israël gekregen, maar op de Sinaï. In een vreemd land. We hebben Israël gekregen om er de wet naar de maximale mogelijkheden uit te oefenen. Aan dat land zijn wetten verbonden, die buiten dat land niet bestaan. We zijn een volk van de wet. (W.F. KLEIN & M. KOPUIT, 1969)
— omheining
vier ellen wet
vier regels lied
vier hoge muren
maar je ziet ze niet (SAUL VAN MESSEL, 1971)

Zie ook Tora, Toure

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Wet van Meden en Perzen, een onaantastbare regel; regel zonder uitzonderingen.

De profeet Daniël werd zeer geëerd door koning Darius van de Meden, maar Darius' rijksbestuurders waren jaloers op hem. Daarom drongen zij er bij Darius op aan om eenieder die tot zijn eigen God zou bidden in plaats van een verzoek aan Darius te richten, in de leeuwenkuil te laten gooien: 'Vaardig dan nu, o koning, dat verbod uit en schrijf een bevelschrift, dat onveranderlijk is, naar de wet der Meden en Perzen, die niet kan worden herroepen' (Daniël 6:9, NBG-vertaling). De uitdrukking is nog zeer bekend.

Statenvertaling (1637), Daniël 6:9. Nu, ô Koninck, ghy sult een gebodt bevestigen, ende een schrift teeckenen, dat niet verandert en worde, nae de wet der Meden ende der Persen, die niet en mach weder-roepen worden.
Onderwerpen op het land lenen zich vaak beter voor aquarel, terwijl zeegezichten beter uitkomen in olieverf. Maar dat is geen wet van Meden en Perzen, dat verschilt van keer tot keer. (Waterkampioen, 1994, nr. 11)
Het is geen wet van Meden en Perzen dat de nieuwe stafchef van de Landmacht een Franstalige moet zijn. (De Standaard, nov. 1995)
Waar komt die 65 [de leeftijd waarop men met pensioen gaat] vandaan? Een wet? Van Meden en Perzen? (NRC, 21-1-1999, p. 8)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

wet. Men deed in de Middeleeuwen regelmatig een eed op zijn geloof, en men deed dat o.a. door een eedformule waarin het zelfstandig naamwoord wet voorkwam in de betekenis ‘godsdienstig gebod, betrekking hebbend op hetgeen men gehouden is te geloven of op hoe men in overeenstemming met dat geloof moet handelen, en opgelegd door God in de Heilige Schrift, of door de Kerk’. Uit het Middelnederlands kennen wij sem mine wet; bi mire wet ‘bij mijn geloof’. In de West-Vlaamse Rijmbijbel [1285] bijvoorbeeld zweert men bi sire wet. In het WNT komen deze formules niet meer voor. Zij zijn uitgestorven tegelijk met de ridderromans en de ridderstand, zegt De Baere (1940: 164). Als men een meineed pleegde, ontaardde de eed in een zelfvervloeking met de betekenis ‘God moge mij straffen als ik mijn geloof verzaak door on- waarheid te spreken’. Later werd deze vervloeking, als zoveel andere, tot een gewone exclamatie. Dezelfde ontwikkeling zien wij bij kerstenheid, vromicheit en weerdicheit.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Wet (Een) van Meden en Perzen, een regel, waarvan geen afwijken mogelijk is; waarschijnl. ontleend aan den Bijbel, o.a. Esther 1, 19 en 8, 8: “Indien het den koning goeddunkt, dat een koninklijk gebod van hem uitga, hetwelk geschreven worde in de wetten der Perzen en Meden, en dat men het niet overtrede.. . Schrijft dan gijlieden voor de Joden, zooals het goed is in uwe oogen, in des konings naam en verzegelt het met des konings ring; want het schrift, dat in des konings naam geschreven, en met des konings ring verzegeld is, is niet te wederroepen”.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wet, verwant met weten, en dit van den Idg. wt. wid = zien (vgl. Lat. videre = zien): wat men ziet, weet men. Zie ook Wijten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wet ‘rechtsregel’ -> Zuid-Afrikaans-Engels wet ‘geschreven rechtsregel in de Boerenrepublieken’ <via Afrikaans>; Indonesisch wét ‘rechtsregel’; Jakartaans-Maleis wèt ‘rechtsregel’; Javaans dialect wèt ‘rechtsregel’; Madoerees wet, uwet, buku uwet ‘wet, wetboek’; Menadonees wèt ‘rechtsregel’; Soendanees wet ‘rechtsregel’; Negerhollands wet ‘rechtsregel’; Sranantongo wèt ‘rechtsregel’; Saramakkaans weti ‘rechtsregel’ <via Sranantongo>; Surinaams-Javaans wèt ‘(rechts)regel, voorschrift’.

Dateringen of neologismen

R. Schutz (2007), Brekend nieuws, Nijmegen

wet breken. Letterlijke vertaling van Engels break te law = de wet overtreden; Ach broeders! terwijl wij thans bezig zijn er over te spreken, breken wij de wet; terwijl wij voorgeven, dat wij haar letter kunnen vervullen, schenden wij haar geest; want hoogmoed breekt de wet evenzeer als moord. (1998); De smeris breekt de wet, moordt, verkoopt, en jij wordt gepakt als je 's nachts over straat loopt.

wet en orde. Letterlijke vertaling van Engels law and order = recht en orde; Wat zegt het CDA over "wet en orde" en "abortus" en "euthanasie", etc.? (1996); Rechtse politici maken van wet en orde een hoofdpunt in de verkiezingen waarbij ‘streng optreden tegen de misdaad’ automatisch gelijk staat met harder optreden tegen de zwarte en gekleurde gemeenschap; Verdonk in de race voor de wet- en orde-kiezers, ook van PvdA-huize, en Balkenende als de nieuwe beschermheilige van pensioentrekkers en huizenbezitters.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wet* rechtsregel 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

870. Nieuwe heeren, nieuwe wetten,

d.w.z. nieuwe heeren maken nieuwe wetten (of keuren), verordeningen enz.; bij wisseling van bestuur, komen er dikwijls allerlei veranderingen. Lat. novus rex, nova lex of zooals men in Groningen zegt: nei boer, nei wark; fri. nije hearen, nije wetten. Zie Spieghel, 288; Tuinman I, 251; Harreb. I, 296 a; Jongeneel, 90; Antw. Idiot. 1892: nieuwe meesters, nieuwe wetten; Wander, II, 562; Taalgids, V, 157; hd. neue Herren, neue Gesetze; neue Herrschaft, neue hehrzeit; fr. nouveau roi, nouvelle loi; eng. new kings, new laws.

2561. Een stalen wet,

d.w.z. een vaste regel; een wet, die niet verbroken kan worden. Vgl. Huygens, Zeestraet, vs. 672; Van Effen, Spect. III, 10; 169; Halma, 783: Eene staalen wet, een vaste regel, règle ou loi immuable, loi fondée, maxime inébranlable; Sewel, 957; Antw. Idiot. 1173; Friesch: in stielen wet.

1641. Nood breekt wet,

d.w.z. de nood dwingt somtijds de wet te schenden; gezegd ‘ter verklaring en verontschuldiging van iets, dat eigenlijk ongeoorloofd is of tegen de gewoonte indruischt, doch alleen door de bijzondere omstandigheden als gewettigd wordt’; Ndl. Wdb. III, 1238; lat. necessitas ante rationem est (Otto, 241). In de middeleeuwen: noot breect ewe (wet, zedewet); men breect die wet dor noot; die noot gheen wet en heeft of nootsin breket al belof; Campen, 90: nood breeckt Ee; Vondel, Gijsbr. v. Aemstel, vs. 571:

 De wetten zwijgen stil voor wapens en trompetten.
 De nood breeckt wet: gy mooght op geene wetten staen.

Vgl. verder C. Wildsch. I, 52; het hd. Not kennt kein Gebot; nd. Not holt gên Gebot; fr. nécessité n'a point de loi; eng. necessity has no law; zie Wander III, 1051; Harrebomée I, 440 b; Villiers, 87; Joos, 159; Waasch Idiot. 461 a: nood breekt wetten; Antw. Idiot. 1918: nood breekt wet.

2559. Een wet van Perzen en Meden (of Meden en Perzen),

d.i. een vaste regel, waarvan nooit afgeweken wordt. ‘Het spreekwoord is gegrond op de onveranderlijkheid van de eenmaal uitgevaardigde wetten der Meden en Perzen’; zie Esther I, 19; Daniel VI, 9, 13, 16; Harreb. II, 70; Ndl. Wdb. IX, 356; Zeeman, 374; Laurillard, 26; Zondagsblad van Het Volk, 1905 p. 218: Het is een natuurwet, even onwrikbaar als de wet van Meden en Perzen, dat op den eersten Januari van ieder jaar de Gijsbrecht van Aemstel in den Stadsschouwburg ten tooneele wordt gesleept; Nkr. II, 26 Juli p. 5: Een wet van Meden en Perzen, waarvoor zij buigen als 't riet; Het Volk, 27 Maart 1914 p. 5 k. 1: Een uittreksel er van ('t leerplan) hing als een wet van Meden en Perzen in elk klasselokaal; Lvl. 217: Tijdens je verloving moet je heel erg kuisch blijven, dat is een wet van Meden en Perzen; Schoolblad, 11 Mei 1917 p. 1 k. 4: Ik wil die regels niet tot wetten van Meden en Perzen verheven of liever verlaagd zien. De onderwijzer hebbe de volle vrijheid om in bijzondere gevallen er van af te wijken; afrik. dis 'n wet van Mede en Perse; eng. a law of Medes and Persians; fr. une loi des Perses et des Mèdes.

2560. Iemand de wet stellen (of voorschrijven),

d.w.z. iemand bevelen, den baas spelen over iemand. Vgl. Plantijn: Hem selven eenen wet stellen, se faire une loy, legem sibi statuere; Winschooten, 290: Iemand de wet stellen, iemand naa sijn hand setten; Interest van Holl. 159; Pers, 211 b; Vondel, Salomon, 794; Coster, 228 vs. 18; 19: iemand een wet stellen; Pers, 210 a; 514 a: iemand wetten stellen; 831 a: iemand wetten voorschrijven; 755 b: iemand een wet voorschrijven; Tuinman I, nal. 29 met de verklaring: hem noodzaaken, en als voorschryven wat hy doen moet, als ware dat eene wet, die hy niet mag overtreden; Sewel, 957: Iemand de wet stellen, to prescribe one a law, to limit one; Halma, 783: Iemand de wet stellen, onafhangkelijk gebieden, faire la loi à quelqu'un; V. Janus, 168; Harreb. II, 456 a: Iemand de wetten stellen (of oplezen); Kippev. II, 127. In Zuid-Nederland: iemand wetten stellen; afrik. iemand die wet voorskrijwe; eng. to lay down the law.

2562. Korte wetten maken

behoeft geen verbastering te zijn van ‘korte metten maken’, fri. koarte metten meitsje (no. 1511Zie Vercoullie, 324 b.). Het kan in eigenlijken zin zeer goed beteekenen: niet lang procedeeren of, zooals de Duitschers het uitdrukken, kurzen Procesz machen. Ook het Zuidnederl. met iets kort recht spelen, dat seffens doen veranderen; kort recht met iemand spelen, hem tot rede brengen, hem dooden of ten onder brengen (Rutten, 185 a) pleit voor deze verklaring. Vgl. Kippev. II, 156; S.M. 55: Als ze een moordenaar te pakken krijgen en zijn schuld bewezen wordt, dan asjeblieft korte wetten! In de 17de eeuw: Korte mijlen (met iem. of iets) maken; mnd. korthe wedde makenSchiller und Lübben V, 622..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal