Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

west - bw. en (in de richting waar de zon ondergaat, het westen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

west bw. en zn. ‘in de richting waar de zon ondergaat, het westen’
Onl. west ‘west’ in de glossen northuuest ‘noordwest’ en suthuuest ‘zuidwest’ [beide 1001-50; CG II-1, 120], eerder alleen in toponiemen (west-, wester-), o.a. Uuistrachia ‘Westergo (Friesland)’ (letterlijk wester-ooi) [701-50, kopie ca. 900; Künzel], UUesteraccra (ligging onbekend, letterlijk wester-akker) [768-814, kopie 941; Gysseling 1960], en VUistkirka ‘Westkerke (West-Vlaanderen)’ [877, kopie 961; Gysseling 1960]; mnl. west (bw., zn.) ‘westen, in/naar het westen’ [1240; Bern.], in leghet west van diere hofstede ‘ligt ten westen van die hofstede’, Ende ghinc ... west toter zudside vord ‘en liep in westelijke richting door tot aan de zuidzijde’ [beide 1285; VMNW].
Mnd. west; ohd. west (nhd. west); ofr. west (nfri. west(en)); oe. west (ne. west); < pgm. *westa- ‘west’. De vorm westen gaat terug op het bijwoord *westanō- ‘uit het westen’ (ohd. westana enz.).
Wrsch. verwant met: Latijn vesper ‘avond’ (zie ook → vespers); Grieks hésperos ‘id.’;Oudkerkslavisch u- ‘vanaf, omlaag’. Dan zou de betekenis ontstaan zijn als ‘richting waar de zon omlaag gaat’, vergelijk Latijn occidens ‘westen’ bij occidere ‘neergaan’ en zie → oost.
De korte vorm west komt vooral voor in afleidingen en samenstellingen en in de specifieke geografische aanduiding de West, aanvankelijk ‘de zuidwestkust van Europa (Frankrijk, Spanje, Portugal)’ [1516-1701; iWNT], later ‘de Nederlandse koloniën in Midden- en Zuid-Amerika’ [vanaf 1672; iWNT]. Afleidingen zijn westen, oorspr. een bw. en bn., maar meestal zelfstandig gebruikt, zoals in het westen als naam van de windstreek; westelijk ‘in het westen, in of uit de richting van het westen’; en wester ‘westelijk’, dat nu alleen nog in samenstellingen voorkomt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

west* [windstreek] {in de vroegere Noord-Hollandse plaatsnaam Westerkinlosen <822-825>, west 1201-1250} middelnederduits, oudhoogduits, oudengels west, oudsaksisch westar [naar het westen], oudnoors vestr; vermoedelijk van een i.-e. stam met de betekenis ‘naar beneden gaan’ (van de zon), waarvan ook stammen latijn vesper [avond, het westen], grieks hespera, (< ∗wespera) [idem], litouws vakaras, armeens gišer [avond], oudindisch avas [naar beneden], vgl. avondland.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

west bijw., mnl. west ‘westelijk, naar of in het westen’, mnd. west bijw. bnw. znw., ohd. nhd. west, ofri. west znw. o., oe. ne. west bijw. — Men verbindt de germ. stam *u̯es met oi. avás ‘omlaag’ en verder met idg. *au-, *au̯e-, *u̯ē̆ zoals in oi. ava-, gr. au-, lat. au-, lit. au-, osl. u- ‘vanaf, omlaag’ (IEW 73). Men vergelijkt dan verder lat. vesper, gr. hésperos ‘avond’ (IEW 1173). Het Westen is dan de plaats, waar de zon omlaag gaat, — Zie ook: westen en wester-.

Fra. ouest (sedert de 12de eeuw) wordt wel afgeleid uit oe. west; het zou evengoed uit mnl. west kunnen zijn overgenomen.

wester- 1ste lid van samenst., mnl. wester-, vgl. ohd. westar-, maar os. westar, ofri. wester bijw., on. vestr bijw. znw. — Zie: west.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

west bijw. De West is ’t zelfde woord, als znw. gebruikt. Mnl. west = “westelijk, in of naar het westen”, ook als znw. o.: “het westen”. = ohd. wëst- (in Wëstfâlo m. “Westfaler”; nhd. west), mnd. wëst bnw. bijw. znw., ofri. wëst znw. o., ags. wëst bijw. (eng. west). Hiernaast on. vëstr bijw. znw. o., benevens mnl. wester- (nnl. wester-) eerste compositielid = ohd. wëstar- id., os. wëstar bijw., ofri. wëster id.; ags. wësterne, on. vëstri bnw.; ohd. wëstan o. (nhd. westen m.), mnd. wësten o. (m. = “westenwind”), mnl. westen o. (nnl. westen) “het westen”, geabstraheerd uit ohd. fon wëstana enz., in bet. = ohd. wëstana, os. wëstan(a), ags. wëstan, on. vëstan “van het westen”. Vgl. oost. Uit het Germ. fr. ouest “west, westen”. De verhouding van west tot 1. kymr. ucher, lat. vesper, gr. hésperos “avond”, 2. obg. večerŭ, lit. vãkaras “id.” (arm. gišer “nacht” < *weqhero-?) is onzeker. De afl. der sub 1 genoemde woorden uit *we-spero- (we- “naar beneden”, *spero- bij de woordfamilie van spoor; benaming naar ’t flikkerend bewegen der stralen) en die van groep 2 uit *we-qero- (*we- “naar beneden”, *qero- bij ros I?) is meer vernuftig dan overtuigend. Toch heeft deze verklaring van ’t eerste lid veel aantrekkelijks: *we- wordt dan bij ier. ô, ua “ab”, gr. o- (in ophliskánō “ik maak me schuldig, verdien”, NB. ark. wo-phlēkósi; bezwaarlijk ook in oígō “ik open”: < wo-eígō?), lat. au-, vē̆- (vgl. vooral kymr. gwychr “dapper” < *we-ḱôrd-), obg. u-, opr. au-, oi. áva “af, weg” gebracht (zie oor- II); germ. wes- kan zich dan aansluiten bij oi. aváḥ “af, omlaag”; misschien zijn de germ. vormen met formantisch -t(a)r(a)- het oudst: een comparatief-formatie.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

west. Tegen de combinatie van H.Schröder GRM. 17, 247 met gr. hústeros ‘meer naar achteren’ (voor zulk een wijze van benoeming zie noord Suppl. en vgl. opperdu. zwits. der hintere wind ‘westenwind’) bestaan ernstige formele bezwaren.
Over de sub. 1 en 2 genoemde woorden voor ‘avond’ (kymr. ucher van lat. vesper, gr. hésperos, gescheiden bij WP. I, 311) zie nog Loewenthal Ark. 33, 103 vlgg.: even poëtisch als onzeker, maar althans steun gevend aan de in het art. vermelde opvatting van het 1e lid.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

west bijw., Mnl. id. + Hgd. en Eng. id., hierbij westen, Mnl. id., Os. westan = van het westen + Ohd. id. (Mhd. westen, Nhd. id.), Ags. westan, Ofri. westa. On. vestan, en Ndl., Mnl. wester, Os. westar = naar het westen + Gr. hespéra, Lat. vesper, Oier. fescor, We.. ucher = avond: Idg. * u̯e-spero-; daarnevens Osl. večerŭ, Lit. vakaras: Idg. u̯e-qero-, alle van Idg. *u̯e = af, weg, omlaag, wijzende op de ondergaande zon. In buiten westen zijn heeft men volksetym. vervorming van Mnl. wist = kennis, waarover z. weten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1wes bw.
Uit of na die weste, ten weste.
Uit Ndl. west (1566). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. west gaan via o.a. Mnl., Oudhoogduits en Oudengels west vermoedelik terug op 'n Indo-Europese stam met die bet. 'na benede gaan' (van die son).
Eng. west (944).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

Wild West (Engels Wild West)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

West, westen. Men denkt aan ’t Gr. hespera, Lat. vesper = avond. Het woord zou dan bet.: avondkant.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

west* windstreek 0822-825 [Künzel]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1713. Oost west, thuis best.

‘Men moge de geheele wereld doorkruist en het steeds goed gehad hebben, men zal zich nergens beter bevinden dan thuis’. Zie Goedthals, 24: Oost west, thuys best, loing de cité, loing de santé; R. Visscher, Sinnepoppen, 99; Spieghel, 292; Idinau, 238:

 Het is een spreeck-woordt Oost, West: t'huys best:
 Want waer-men reyst, men vindt sijn ghemack niet.
 So bemint elck voghelken sijnen nest.
 Ist langhe daer buyten, het vindt hem swack, siet.
 Wel seyd-hy, die onruste een seer swaer pack hiet.

Sartorius III, 4, 16: Ist Oost, ist West, t'huys ist best, nusquam commodius, nusquam lautius homini vivere contingit, quam domi; Huygens, Zeestraet, 81; Halma, 453; Harrebomée I, 344 b; Joos, 166; Waasch Idiot. 479 b; Ndl. Wdb. XI, 204 en voor het Nederd. Taalgids V, 162. Vgl. ook het eng. be in east or west, home is best; home is home be it never so homely; hd. ost, süd, west, daheim das best (Wander III, 1155); eigen Nest ist stets das best'; oostfri. ôst-west, 't hûs best (Dirksen II, 42).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

au-3 (au̯e); u̯ē̆- ‘herab, weg von -’

Ai. áva ‘ab, herab’, meist Präfix von Verben und Subst., selten Präp. m. Abl., av. ap. ava Präfix ‘herab’ und (indem mehr das Ziel als der Ausgangspunkt der Bewegung zum Bewußtsein kam) ‘worauf zu, heran’ (z. B. avabar- ‘hinabbringen, wegtragen’ und ‘hinzubringen, verschaffen’), ebenso Präp. m. Akk. ‘hin-zu, hin-an’; davon ai. ávara- ‘inferior’ und av. aorā ‘nach unten, hinab’ (nach parā aus avarǝ erweitert), av. avarǝ Adv. ‘hinab, herab’= ai. avár RV. I 133, 7; ai. aváḥ (avás) ‘herab’, wovon avastād ‘unten’; ohne ausl. Vokal (vgl. av. ao-rā̆) ai. ō- z. B. in ō-gaṇá-ḥ ‘alleinstehend, erbärmlich’ (: gaṇá-ḥ ‘Schar’; Wackernagel Ai. Gr. I 54);
gr. αὐ- wohl in αὐχάττειν· ἀναχωρεῖν, ἀναχάζεσθαι Hes. (Schulze Qu. ep. 60);
illyr. au- ‘ad’ in Eigennamen? (Krahe IF. 49, 273);
lat. au- ‘fort’ in auferō (= av. áva-bharati, av. ava-bar-), aufugiō;
gall. au-tagis ‘διάταξις?’ (Vendryes BSL. 25, 36);
air. vielleicht ō, ūa ‘von, mit, durch’, als Präp. m. Dat., acymr. hou, jünger o ‘wenn’, o Präp. ‘von’;
apr. lit. lett. au- ‘weg, ab’ (z. B. lett. au-manis ‘unsinnig’), aksl. u Präfix ‘weg, ab’, z. B. u-myti ‘abwaschen’ (u-běžati ‘aufugere’), als Präp. m. Gen. ‘von’ (bei Verben des Verlangens, Empfangens, Nehmens) und, mit Verblassen des Begriffes des Ausgangspunktes, ‘bei’;
hett. Präverb u- (we-, wa-) ‘hierher’, a-wa-an ‘hinweg’ (Sturtevant Lg. 7, 1 ff.).
Davon mit t-Formans aut(i)o-: gr. αὔτως ‘vergeblich’, αὔσιος ds. und got. auþja- (N. Sg. *auþeis oder *auþs) ‘öde, verlassen’ (*’abgelegen’), auþida ‘Wüste’, ahd. ōdi, nhd. öde, anord. auđr ‘öde’; air. ūathad ‘Einzelheit, Vereinzelung’. - Geht auf die Schreckender Einöde, Wildnis auch mir. ūath ‘Schrecken, schrecklich’ (fernzuhalten sind cymr. uthr ‘schrecklich’, corn. uth, euth, bret. euz ‘Schrecken’)? Wenigstens ist deren Verbindung mit lat. pavēre ‘sich ängstigen, vor Furcht zittern’ alles eher als sicher, s. pou- ‘Angst’.
Neben aut(i)o- steht vielleicht ablautendes u-to- in alb. hut ‘vergeblich, leer, eitel’, u̯e-to- (s. unten *u̯ē̆-) in gr. οὑκ ἐτός ‘nicht umsonst, nicht ohne Grund’, ἐτώσιος (ϝ bei Homer) ‘vergeblich, ohne Erfolg, unnütz’.
*u̯ē̆̆-, mit *au̯- wohl unter *au̯e- zu vereinigen:
lat. *vĕ- in vēscor ursprüngl. ‘wovon abessen’ (: esca), woraus rückgebildet vēscus ‘gefräßig; wählerisch im Essen (*nur abknabbernd); abgezehrt’; vē- zur Bezeichnung eines fehlerhaften Zuviel oder Zuwenig, vē-cors ‘aberwitzig, verrückt, tückisch’, vē-grandis ‘nicht groß, winzig’, vēsānus ‘verrückt’, Vē-jovis, umbr. ve-purus (Abl. Pl.), wenn ‘(ἱερὰ) ἄπυρα’.
u̯o-: Gr. ϝο- in ark. ϝο-φληκόσι, att. ὀ-φλισκάνω, ὀφείλω, lesb. ὀ-είγην ‘öffnen’, att. οἴγω, jünger οἴγνυμι (Prellwitz2 345, Brugmann IF. 29, 241, BSGW. 1913, 159).
u̯es-: Mit ai. avás ‘herab’ hängt formantisch germ. wes- zusammen in nhd. West, ahd. westar ‘westwärts’, anord. vestr n. ‘Westen’, Adv. ‘im W., gegen W.’ (*u̯es-t(e)ro-, vgl. anord. nor-đr), ahd. westana ‘von W.’ usw. (Brugmann IF. 13, 157 ff.; über die Erklärung der Wisigothae als ‘West-Goten’ s. Kretschmer Gl. 27, 232).
Hierher (nach Brugmann aaO.) auch der Anlaut des Wortes für Abend, idg. u̯esperos und u̯eqeros, s. dort.
Verwandtschaft von idg. *au̯-, u̯ē̆- mit dem Pron.-St. au-, u- ‘jener’ als ‘von jenseits, von dorther’ ist denkbar.

WP. I 13 f., WH. I 79, 850, Trautmann 16.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal