Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wesp - (insect van de familie Vespidae)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

wesp zn. ‘insect van de familie Vespidae
Onl. uuapces ‘wespen, horzels’ [8e eeuw; ONW] (Reichenauer glossen); mnl. wespe ‘wesp, horzel’ [1240; Bern.], bien ende wespen ‘bijen en wespen’ [1480-1500; MNW-P].
Os. waspa (nnd. weps); ohd. wafsa, wefsa (nhd. Wespe, Beiers wapsn); (nfri. waps, weeps, meeps, weps); oe. wæps, wæsp, wæfs (ne. wasp); gewoonlijk reconstrueert men pgm. *wapsō-, waarbij de vormen met -sp- verklaard worden door invloed van Latijn vespa. Ook de Nederlandse en Friese klinker -e- is mogelijk onder Latijnse invloed ontstaan. Onder meer het OED reconstrueert pgm. *wabes-, vermoedelijk om het ontbreken van Primärberührung -ps- > -fs- in het pgm. te verklaren; in dat geval is de tussenliggende klinker al vroeg gesyncopeerd.
Verwant met: Latijn vespa; Avestisch vaß-žaka ‘schorpioen’ (Perzisch vawža ‘wesp’); Litouws vapsvà, Oudpruisisch wobse; Kerkslavisch osa ‘horzel’ (Russisch osá); Oudiers foich, Middelwelsh gw(y)chi, Oudbretons guohi; alle ‘wesp, horzel e.d.’, < pie. *uobh-s-eh2-, afgeleid van de wortel *uebh- van → weven, naar het nest dat de wesp bouwt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wesp* [insect] {wespe [wesp, horzel] 1201-1250} oudsaksisch waspa, oudhoogduits wafsa, oudengels wæps, wæsp; buiten het germ. latijn vespa [wesp], litouws vapsva, oudkerkslavisch osa, vosa [horzel], oudindisch ūrṇavābhi- [spin, lett.: wolspinner]; van dezelfde stam als weven, zo genoemd vanwege het karakter van het nest.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wesp znw. v., dial. ook weps(ǝ), wips(ǝ), mnl. wespe v., os. waspa, mnd. wespe, wispe, ohd. wafsa, wefsa (nhd. wespe), oe. wæps, wæfs, wœsp m. (ne. wasp) ‘wesp (ook horzel, hommel)’. Bij een zo hinderlijk insect is het begrijpelijk, dat het woord op allerlei wijzen kan veranderd worden (zoals thürings wispel, wepschen, wewetschen, wiwese of beiers webes, wewess, wèpsn, wechsl, wefzgen). De overwinning van de vorm met -sp- in de germ. talen is waarschijnlijk aan de invloed van lat. vespa toe te schrijven. — av. vaw-žaka ‘schorpioen’, maar iraans *vawža-’wesp’, lat. vespa (< *vopsā), mkymr. gw(y)chi (> oiers foich), lit. vapsvà, opr. wobse, osl. osa (< *u̯opsā); idg. grondvorm *u̯obhsā een afl. van de wt. *u̯ebh ‘weven’; het insect werd dus genoemd naar zijn als een weefsel eruitziend nest. — Zie: weven.

W. de Vries Ts 44, 1925, 192 wijst er op, dat de dialectische vormen kunnen berusten op contaminatie met andere zinverwant gevoelde woorden, zoals beiers. webes onder invloed van weben of lothr. thür. wispel onder die van wispeln ‘doelloos rondlopen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wesp znw., dial. ook weps(ǝ), wips(ǝ), mnl. wespe v. = ohd. wafsa, jonger wefsa (nhd. wespe), os. waspa, mnd. wespe, wispe v., ags. wæps, wæfs, wæsp m. (eng. wasp) “wesp” (resp. “hommel, horzel”), germ. *wafsô-, *wapsô- (voor de metathesis vgl. berispen, esp). Buiten ’t Germ. vgl. lat. vespa (*vospa), obg. osa “wesp”, lit. vapsà “brems”, baluči gvabz “bij, wesp, horzel”, obret. guohi “fucos”, okorn. guhi-en “vespa” (uit ’t Britsch oier. foich “id.”). Al deze vormen wijzen op idg. *wopsâ- (uit *wobh-sâ-; bij weven) resp. andere vormen, met wops- beginnend. Daarom is voor ’t Germ. een andere grondvorm niet wsch.: bei. webes “wesp” is eer een vervorming dan een oude bijvorm. Of we voor ohd. wefsa enz. een grondvorm met umlautsfactor moeten aannemen, is niet geheel zeker (vgl. esp, fles).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wesp. Vormen met a in saks. diall. Zaans wip, westfri. wup, zullen wel ontstaan zijn doordat wips, wups als meerv. werd opgevat.
“Obg. osa”“, lees: “ksl. osa”.
De verwantschap van baluči gvabz, alsook het verband tusschen wesp en weven is door Meillet Dial. Indo-eur. 20 ontkend; beide ten onrechte. Waarschijnlijk is het insect benoemd naar de bouw van het nest: zie bij raat en wafel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wesp v., Mnl. wespe, Os. waspa + Ohd. wefsa (Mhd. wefse), Ags. wæps (Eng. wasp) + Lat. vespa, Osl. osa, Lit. vapsà: Ug. *wap-s-, Idg. u̯op-s-, uit *u̯obh-s-. De meth. in Ndl. wesp en Eng. wasp is aan invloed van ʼt Lat. vespa te wijten, waaraan Mhd. vespe, wespe (Nhd. wespe) ontleend zijn. Omgekeerd is Fr. guêpe (Lat. vespam) door Germ. invloed gewijzigd. Het woord komt van denz. wortel als weven, wegens den vorm der wespennesten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

weps 1, zn.: wesp. Metathesis van wesp. Natuurlijk vertoont de Ndl. vorm wesp zelf metathesis, zodat we weps als een oorspronkelijke ps-vorm zouden kunnen beschouwen. Maar er komen nog meer dergelijke gevallen van metathesis sp/ps voor, b.v. heps. Mnl. wespe, Os. waspa, Oe. wæsp/wæps, E. wasp, Ohd. wafsa < Germ. *wapsô < Idg. *uobshâ ‘weefster’ bij de wortel *uebh- ‘weven’. Het wespennet ziet er nl. als een weefsel uit. Vgl. Lit. vapsà ‘brems’, Lat. vespa ‘wesp’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

wepse, wips zn. v.: wesp. Metathesis van wesp. Natuurlijk vertoont de Ndl. vorm wesp zelf metathesis, zodat we weps als een oorspronkelijke ps-vorm zouden kunnen beschouwen. Maar in het Zeeuws en Waaslands komen nog meer dergelijke gevallen van metathesis sp/ps voor, b.v. heps. Mnl. wespe, Os. waspa, Oe. wæsp/wæps, E. wasp, Ohd. wafsa < Germ. *wapsô < Idg. *uobshâ ‘weefster’ bij de wortel *uebh- ‘weven’. Het wespennet ziet er nl. als een weefsel uit. Vgl. Lit. vapsà ‘brems’, Lat. vespa ‘wesp’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

weps 1 (W), wups (B), zn. v.: wesp. Wups met klinkerronding na w. Metathesis van wesp. Natuurlijk vertoont de Ndl. vorm wesp zelf metathesis, zodat we Waas weps als een oorspronkelijke ps-vorm zouden kunnen beschouwen. Maar in het Waasland komen nog meer dergelijke gevallen van metathesis sp/ps voor, b.v. heps. Mnl. wespe, Os. waspa, Oe. wæsp/wæps, E. wasp, Ohd. wafsa < Germ. *wapsô < Idg. *uobshâ 'weefster' bij de wortel *uebh- 'weven'. Het wespennet ziet er nl. als een weefsel uit. Vgl. Lit. vapsà 'brems', Lat. vespa 'wesp'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

wesp s.nw.
Perdeby.
Uit Ndl. wesp (Mnl. wespe), afgelei van dieselfde stam as weven 'weef', en so genoem n.a.v. die geweefde voorkoms van die insek se nes. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Wespe (8ste eeu), Eng. wasp (ongeveer 725).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wesp: gevleuelde insek (spp. Vespa, fam. Vespidae); Ndl. wesp (Mnl. wespe, dial. Ndl. weps(e)/wips(e) e.a.), Hd. wespe, Eng. wasp, hou verb. m. weef (blb. n.a.v. vorm v. sy nes) en m. Lat. vespa, “wesp”.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

wesp. Godfried Bomans gebruikt een enkele keer de verwensing de wespen mogen mij halen als niet… Deze formule ter getuigenis dat men de waarheid spreekt, werd tot een soort uitroep en blufformule. De betekenis is gelijk aan die van ‘verdomd als het niet waar is’.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wesp, staat voor weps (eig. webs, d.i. de webende = de wevende), daar het nest geweven schijnt. De metathesis is ontstaan door het Lat. vespa; het volk zegt echter nog steeds weps.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wesp ‘insect’ -> Fries wesp ‘insect’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wesp* insect 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1712. Een gezicht als een oorworm,

d.i. een gemelijk, ontevreden gezicht, als een wesp, als een poelsnip, als de deur van het rasphuis (fr. avoir l'air comme une porte de prison); ook: kijken, een gezicht hebben, zetten als een oorworm, als uitdrukking van gemelijkheid, van onvergenoegdheid. Zie Molema, 44 b: hij 's zoo vrundelk as 'n oorwurm, waarvoor o.a. in Friesland ook gezegd wordt: hy sjucht as in toerre (tor), as in ûle (= norsch); Bergsma, 22: (voel) kiken as 'n oortiek. Hoogstwaarschijnlijk heeft de afschuw, dien men vanouds van den oorworm had, aanleiding gegeven tot het ironisch gebruik in deze uitdrukkingen. Naar aanleiding van er uitzien als een oorworm is men dan ook gaan zeggen: een gezicht zetten als een oorwormNieuwe Taalgids III, 10.. Vgl. Brederoo, Kl. van de Koe, vs. 154: Sy is so vriendelijck as een arm vol Katten, of as een oor-wurm; Winschooten, 367: Hij siet soo vriendelijk, als een oorwurm: hij siet nors, en als een bul, die stooten wil; Het kind van weelde of de Haagsche Lichtmis, anno 1679, I. 31: Hy zag my zoo vriendelyk als een oorwurm aan; Paffenr. 75: Sy sietter so lieffelyk uyt als eenen oor-worm; zie verder het Ndl. Wdb. XI, 194; Sewel, 969; Halma, 453; Harreb. II, 483 a; Nest, 62; Landl. 220; Leersch. 21; enz.In het nd. beteekent er ist wie ein Ohrwürmchen, hij is zeer vriendelijk, gedienstig (Reuter, 117)..

2485. Het zijn de slechtste vruchten niet, waaraan de wespen knagen,

d.w.z. degenen, die uit nijd en afgunst besproken worden, zijn dikwijls de beste en deugdzaamste menschen; eene gedachte die de Romeinen uitdrukten door summa petit livor. Zie Harrebomée II, 424; De Arbeid, 23 Januari 1915, p. 3 k. 3: Dat ‘Walden’ meer benijd dan bemind is, behoeft zeker geen betoog. Het zijn echter niet de slechtste vruchten waaraan de wespen knagen!; Antw. Idiot. 1407: 't Zijn goei vruchten, waaraan de wespen knagen, 't zijn de deugdzame menschen die belasterd worden. Vgl. hd. Dukaten werden beschnitten, Pfennige nicht.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

u̯obhsā ‘Wespe’

Av. vawžaka- ‘Skorpion’, aber iran. *vawža- ‘Wespe’ in mpers. vaβz ‘Wespe’, Baluchi gwabz ‘Biene, Wespe’;
lat. vespa f. ‘Wespe’ (aus *vopsā);
acorn. guhi-en gl. vespa, mcymr. gw(y)chi, abr. guohi gl. fucos (*u̯ops-), woraus entlehnt air. foich gl. vespa (auch ‘eruca’), nir. fotlach und puith ‘Wespe’, daraus spoch ‘heftiger Angriff’ (O’Rahilly Sc. G. St. 3, 63);
ags. wæfs, wæps, wæsp ‘Wespe’, ahd. wefsa, wafsa, waspa, bair. webes, thür. weps-chen und wewetz-chen, die auf germ. *wabi-s und *wabi-t weisen;
lit. vapsvà ‘Wespe’, apr. wobse ds.;
ksl. osa, klr. osá (aus *vopsā, baltoslav. *u̯apsā).

WP. I 257 f., WH. II 770, Trautmann 342, Vasmer 2, 280, Specht Idg. Dekl. 45 f., Szemerényi Arch. Lingu. 4, 52.deutlich zu u̯ebh- ‘weben’.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal