Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wervel - (beentje van de ruggengraat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

wervel zn. ‘beentje van de ruggengraat’
Mnl. wervel ‘grendel, scharnier, draaikolk, schedel’ en allerlei andere dingen die kunnen draaien, in die ... met enen swerde sloech boven in den wervele ‘die met een zwaard boven op zijn schedel sloeg’ [ca. 1350; MNW]; vnnl. wervel ook ‘beentje van de ruggengraat’ in Den rugghe ... is ghemaect van vierendertich beenders, die wy heeten pater-noster beenen oft weruels ‘de rug is samengesteld uit 34 botjes, die we paternosterbotjes of -wervels noemen’ [1568; iWNT].
Mnd. wervel ‘draaiing in het water, wervelwind’ (nnd. warvel, warbel ‘wervel’); ohd. werbil, wirbil ‘wervelwind, ratel, tol’ (nhd. Wirbel ‘wervel’); ofri. hwarel, hwardel ‘draaiing’ (nfri. warrel, warle ‘draaibare grendel; haarwervel’); on. hvirfill ‘kring, ring, kruin’ (nzw. virvel ‘werveling’); < pgm. *hwirbila-. Afleiding van → werven in de oorspr. betekenis ‘draaien’, met het achtervoegsel -el dat voorwerpen of gereedschap aanduidt, zie verder → beitel. Het ne. whirl is wrsch. ontleend aan het on.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wervel* [beentje van ruggengraat] {1415} van werven [draaien]; de betekenis is dus: een draaiend iets.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wervel znw. m., mnl. wervel m. ‘grendel, scharnier; draaikruk om iets in beweging te brengen; draaikolk, wervelwind; kruin, schedel’, mnd. wervel ‘draaiing in het water, wervelwind’ ook ‘allerlei voorwerpen, die kunnen draaien’, ofri. hwar(d)lar m. mv. ‘kruin’, ohd. werbil ‘sistrum, plectrum’, wirvil m. ‘turbo’ (nhd. wirbel), on. hvirfill ‘kring, ring, kruin’ (> ne. whirl). — Afl. van werven in de oorspronkelijke bet. van ‘draaien’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wervel znw., mnl. wervel m. “wervel, kruin”. Evenals mnd. wervel m. “draaiing in ’t water, draaiende wind”, verder de naam van allerlei draaiende voorwerpen, ofri. hwar(d)lar m. mv. (*hwervlar) “kruin” òf = ohd. werbil m. “sistrum, plectrum” òf = ohd. wirvil m. “turbo” (nhd. wirbel), on. hvirfill m. “kring, ring, kruin” (> eng. whirl) òf = beide. Beide met de ospr. bet. “draaiing, draaier” bij werven.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wervel. Mnl. wervel = ‘grendel, kruk, kruin’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wervel m., Mnl. id. + Ohd. wirbil (Mhd. wirbel, Nhd. id.), On. hvirfill (Zw. hvirfvel, De. hvirvel): van denz. wortel als werven, met bet. draaiing en gedraaid voorwerp. Uit Skand. Eng. whirl.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

wervel 1, welver, kwelver, wurvel, wulver, wurmel, wirvel, wilver, zn.: wervel, draaihoutje (als sluitmiddel, molenonderdeel); beweeglijk kind, woelwater. Mnl. wervel ‘grendel’. Keuls wirvel, Rijnl. wirbel ‘grendel’. Afl. van werven ‘draaien’ (zie werf 1, 2). Welver, wulver door metathesis, de vormen met wur- door klinkerronding na w.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

wervel 1, wurfel, zn.: wervel, draaihoutje (als sluitmiddel, molenonderdeel). Mnl. wervel ‘grendel’. Afl. van werven ‘draaien’. Vgl. weddel.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

wervel 1, werfel, werpel, wurfel, wulfer zn. m.: wervel, draaihoutje (als sluitmiddel). Afl. van werven ‘draaien’, zie werf. Werpel door f/p-wisseling, wurfel door klinkerronding tussen w en f, wulfer door metathesis.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

wervel (G, zuid, ZV), warrel(e) (B, L, W), werrel (Hamme), wurfel (Groede): wervel, draaihoutje (als sluitmiddel, molenonderdeel); spil van spinnewiel (Hamme). Afl. van werven 'draaien'. Warrel < var. warvel, werrel < wervel met assimilatie rv/rr, of < werdel door ass. rd/rr. Afl. werveling (St.-Maria-Lierde, Wachtebeke). Zie ook werdel.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1werwel s.nw.
1. Draaibare grendel aan 'n kosyn waarmee 'n deur gesluit word. 2. Beentjie in die ruggraat.
Uit Ndl. wervel (1552 in bet. 1, 1568 in bet. 2).
D. Wirbel (11de eeu).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

werwel: s.nw. en ww., 1. draaibare sluitstuk v. deur; 2. ruggraatstuk; (as ww.) ronddraai; Ndl. wervel (Mnl. wervel), Hd. wirbel, Eng. whirl, as ww. nog arg. in vorm werwel v. werf II/werwe, v. Scho TWK 14, 4, p. 196.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wervel ‘beentje van ruggengraat’ -> Papiaments wèrvel ‘beentje van ruggengraat’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wervel* beentje van ruggengraat 1568 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1535. Hij loopt met molentjes,

d.w.z. hij is niet goed bij zijn verstand, hij heeft een slag van den molen weg; fri, hy rint mei moultsjes; gron. mit meulntjes loopen (Molema, 542), hetzelfde als het 18de-eeuwsche hij loopt in den rosmeulen (Halma, 550; Ndl. Wdb. XIII, 1407). Vgl. Brederoo, Moortje, 1590: U hooft gaet als een muelen: sinje met de kop equelt?; Gew. Weeuw. III, 48: Die Wijn is sterker dan ik dacht, die zou my de kop wel dol maaken, en met 't Molentje doen loopen; Halma, 358: Hij loopt met molentjes, il a un coup de hache, il a le timbre fêlé; Sewel, 496: Met molentjes loopen, to be a little crack-brained; Hoffham, Nagel-Geschrift (anno 1801), bl. 6, waar een boer, die boos is, omdat hem in het spel zulk een laffe rol is toebedeeld, uitroept:

 Ik roep nog mok; verdord! ik bin gien prul:
 Me waif speult veur prinses, en ik loop mit de meulen!

Harrebomée I, 327: Hij heeft een molentje in het hoofd, hij is gek; Nest. 108: Nu begrijp ik dat de jongen half gek is: zijn vader loopt met molentjes. Dial. 't Zijn maar molentjes, het is maar gekheid. De bedoeling zal wel zijn, dat iemands gedachten als de wieken van een molen hem in het hoofd ronddraaien, zich niet bij éen punt kunnen bepalen, dus dat het hem omloopt (no. 948). Reeds vroeg heeft men hieraan gedacht, blijkens Dboeck der Amoreusheyt (anno 1580), bl. 99, waar tot een ‘dwaes’ gezegd wordt: ‘ick sie wel dat touwent te deghe den muelen draeyt’, Kiliaen stelt molen gelijk met mallaerd, homo phantasticus, qui variis phantasmatibus et deliriis agitatur, tanquam mola ventis. Vgl. ook Cesare Ripa, Iconologia, vertaald door D.P. Pers, anno 1644, waar de ‘sotheyt’ of ‘malligheyt’ wordt afgebeeld door ‘een vrouwe die slordigh gekleet is, lacchende om een Meulentjen, dat iemand in de hand heeft, daer mede de kinderkens ommeloopen, en dat door den Wind gedraeyt wordt’; en waar iets verder de ‘Sotheyt, Geckheyt, Dwaesheyt’ wordt voorgesteld door ‘een bedaegt Man met lange swarte kleederen, lachende, en op een Rietstock te Paerde rijdende, houdende in zijn rechterhand een Meulentjen, een vermaeck daer de kinderkens mede speelen, 't welck hij met groote naerstigheyt in den Wind doet ommeloopen’; zie Noord en Zuid IV, 175-176. Hier dus reeds de verklaring, die ook Harrebomée II, 95 b geeft. Opmerking verdient, dat de sociëteit Momus te Maastricht nog een draaienden molen in haar wapen draagt en dat de molenaars oudtijds bekend stonden als lieden, die wel van een grapje hielden. Vgl. Van Zeden, 139: Ammans, muelneeren, die bedriven loosheit; Brederoo, Klucht v.d. Molenaar; Kalff, Het Lied in de Middeleeuwen, 410 vlgg.; Prick, 72: to have windmills in on's head. Syn. is: de wervel in 't hoofd hebben, half krankzinnig zijn (De Vries, 105).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ku̯erp-, auch kuerb- ‘sich drehen’

Gr. καρπός ‘Handwurzel’ (Drehpunkt der Hand), καρπάλιμος ‘behende, schnell’ (Bildung wie εἰδάλιμος; Schwund des durch Diss. gegen den ausl. Labial); daneben mit ausl. Media κύρβις ‘drehbarer Pfeiler mit Gesetztafeln’;
tiefstufig wohl mir. carr f., cymr. par m. ‘Speer’ (Stokes ZceltPh. 1, 172; vgl. etwa tela vibrāre, fulmina torquēre);
got. ƕaírban ‘περιπατεῖν’ (ƕeilaƕaírbs ‘wetterwendisch’, gaƕaírbs ‘gehorsam’), anord. hverfa ‘sich drehen, kehren, verschwinden’, ags. hweorfan ‘sich wenden, reisen, sich ändern’, as. hwerƀan ‘sich drehen, zurückkehren wandeln’, ahd. hwerban, hwerfan ‘sich wenden, zurückkehren, (um etwas herum) tätig sein’; trans. ‘in Bewegung setzen, betreiben’, nhd. werben (vgl. z. Bed. lat. ambīre), got. usw. ƕarbōn ‘wandeln’, woneben tiefstufig anord. horfa ‘sich wenden, denken, gehören’ (*hwurƀōn), Kaus. anord. hverfa, as. hwerƀian, ags. hwierfan, ahd. werban ‘wandeln’, anord. hverfr ‘schnell’, hvirfill, ahd. wirvil, wirbil ‘Wirbel’ (und ahd. werbil aus *hwarbila- ds.), as. hwarf ‘Kreis, Menschenmenge’, ahd. warb ‘Wendung, Umdrehung kreisförmiger Kampfplatz’, ags. hwearf m. ‘Austausch, Wechsel’, anord. huarf ‘das Verschwinden’;
toch. A kārp- ‘herabsteigen’, В kā̆rp- ‘sich wenden nach, gehen’.

WP. I 472 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal