Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

weitas - (jagerstas)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

weitas zn. ‘jagerstas’
Vnnl. weidtasch ‘jagerstas’ in de Weyd-tasse, ende daer in Aes [1555; iWNT], weyd-tessche, weyd-sack [1599; Kil.], Wey-tas 1653; iWNT].
Ontleend aan Duits Weidtasche ‘jagerstas’, een samenstelling van Weide ‘jacht’ en Tasche ‘tas, zak’, zie → tas 1.
Bij nhd. vero. Weide ‘jacht’ < ohd. weida ‘id.; vangst’: os. weiđa ‘jacht, jachtgebied’ (mnd. weide); oe. wāþ ‘zwerftocht; jacht’; on. veiði ‘jacht’; < pgm. *waiþi-, *waiþō-. Hierbij ook de afleidingen *waiþōn- ‘jagen, vangen’ (ohd. weidōn, mnd. weiden), *waiþinōn- (ohd. weidinōn) en *waiþijan- ‘id.’ (on. veiða, nno. veide). Zie ook het alleen continentaal West-Germaanse woord → wei(de) ‘plaats waar men dieren voedsel laat zoeken’, dat wrsch. op dezelfde stam teruggaat.
Wrsch. verwant met: Latijn vīs ‘jij wilt’; Sanskrit véti ‘achtervolgen, nastreven’; Avestisch vāiti- ‘achtervolging’, vaēiti ‘achtervolgen’; Litouws výti ‘id.’; en misschien Oudiers fiad ‘wild’, fíadach ‘jacht’; < pie. *ueih1-, *uih1-, *uoih1- ‘nastreven’ (LIV 668). Pgm. *wai-þi- is dan een afgeleid abstractum < pie. *uoih1-ti-.
Duits Weide ‘jacht’ is in de algemene taal verouderd en bestaat alleen nog in enkele samenstellingen en afleidingen, bijv. Weidmann ‘jager’, weidlich ‘flink, duchtig’. In het Nederlands is een woord weide ‘jacht’ nooit gebruikelijk geweest, maar komt wel de afleiding weidelijk ‘volgens goed jachtgebruik’ [1479; MNW] voor.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

weitas* [jagerstas] {1555} voor het eerste lid vgl. weidman, voor het tweede tas1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

weitas znw. v. sedert Kiliaen is een samenstelling van wei(de) ‘jacht’ en tas.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

weitasch znw., sedert Kil. Bewaart nog evenals de minder gebruikelijke woorden weiman, weimes (mnl. weid(e)mes) o., weispel (mnl. weid(e)spel) o. enz. de oude bet. van wei II, weide “jacht”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

weitasch v., d.i. weidtasch: z. weidman.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Weide, van den Idg. wt. wai = op voedsel uitgaan; vandaar bijv. ook weiman voor weidman = jager; vgl. weitasch = jagerstasch. Ook het woord weidsch behoort hier thuis; het bet. oorspr.: zooals bij het jagen past, dus: kloekmoedig; later: deftig, voornaam.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

weitas* jagerstas 1555 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal