Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

weinig - (niet veel); (zelden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

weinig telw. ‘niet veel’; bw. ‘zelden’
Mnl. weinich, wenich ‘in geringe mate’ in saken der hi wenih conste ‘zaken waarvan hij weinig wist’ [1260-80; VMNW]; vanaf vnnl. ook ‘zelden’, zoals in het plach seer weynich te gheschieden [1595; iWNT].
Mnd. wēnich, weinich ‘klein, zwak, gering’; ohd. wēnag ‘ongelukig, rampzalig’ (mhd. wēnec ‘gering’, nhd. wenig ‘id.’); got. wainahs ‘rampzalig’; < pgm. *wainaga-, waarbij in het Nederlands het suffix wrsch. is vervangen door -iga-. Gewoonlijk beschouwd als een afleiding van → wenen. De Tollenaere meent daarentegen dat het woord direct van *wai-, zie → wee, is afgeleid met de -n- ofwel uit → wenen, ofwel naar analogie met woorden als stenig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

weinig* [niet veel] {we(i)nich 1260-1280} oudhoogduits wenag, gotisch wainahs [beklagenswaardig, bewenenswaardig, zwak, gering]; van wee en wenen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

weinig bnw., mnl. weinich, wênich, mnd. weinich, wēnich ‘klein, zwak, gering’, ohd. wēnag (met ē van ?) ‘beklagenswaardig, ongelukkig’ (nhd. wenig ‘gering’), got. wainahs ‘rampzalig’. — Een afl. van wenen, dus grondbet. ‘beklagenswaardig, ellendig’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

weinig bnw., mnl. weinich (wênich) (gh). = ohd. wênag (met opvallende ê; aan invloed van “wee” toegeschreven) “beklagenswaard, ongelukkig” (nhd. wenig, de bet. “gering” reeds mhd.), mnd. weinich, wênich “klein, zwak, gering”, got. wainahs “rampzalig”. Sedert ’t Mnl. Mhd. Mnd. ook als o. znw. = “weinig”. Bij wenen. Minder wsch. bij ier. fine “zonden”, lett. waine “schuld”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

weinig bijv., Mnl. we(i)nich + Ohd. wênag (Mhd. wenec, Nhd. wenig), Go. wainags = beklagenswaardig, zwak, gering, bij weenen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wieneg (bn.) weinig; Vreugmiddelnederlands weinich <1260-1280>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

weinig b.nw.
Bietjie, min.
Uit verouderde Ndl. weinig (1583), 'n afleiding van wenen 'ween' en het dus 'n grondbetekenis 'beklaenswaardig, ellendig'.
D. wenig (9de eeu).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Weinig, van ’t Germ. weinon = weenen (z. d. w.); het bet. dus: beklagenswaard, en verder: hulpbehoevend, zwak, gering.

M. Siegenbeek (1847), Lijst van woorden en uitdrukkingen met het Nederlandsch taaleigen strijdende, Leiden

weinigen, in het zeggen ik zal over de zaak met weinigen spreken, is eene verkeerde navolging van het Latijnsche: de hac re paucis dicam, waar ieder bij paucis het woord verbis voegt. Doch, volgens ons taalgebruik, kan met weinigen spreken niet anders beteekenen, dan met weinige menschen spreken. Zie verder het door mij hierover aangemerkte in het Magazijn van den Heer De Jager, II D. bl. 42 en 43.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

weinig ‘onbepaald telwoord’ -> Fries weinich ‘onbepaald telwoord’; Negerhollands wenig, weinig ‘onbepaald telwoord’; Sranantongo weinig ‘niet veel voorstellen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

weinig* onbepaald telwoord 1260-1280 [CG II1 Rein. G]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

u̯ai Interjektion ‘wehe!’, u̯ai-lo-s ‘Wolf’

Av. vayōi, avōi, āvōya ‘wehe’! (voya- ‘Wehruf’): arm. vay ‘Wehe, Unglück’ (v- statt g- aus idg. u̯- durch nebenherlaufende Neuschöpfung); ähnlich gr. ὀά (wie lat. vah!) und seit alexandrinischer Zeit οὐά, οὐᾶ, οὐαί, ngr. βάι (Neuschöpfungen); alb. vaj ‘Leid, Klage’;
lat. vae; mir. fāe, cymr. gwae ‘weh!’; mit einem vielleicht mit lett. vaĩdi zusammenhängenden d(h)-Suffix vermutlich mir. fāed, fōid ‘Schrei, Ton’, cymr. gwaedd ‘clamor, eiulatus’;
hierher als ‘Heuler’: arm. gail, gall. *u̯ai-lo-s im PN Vailo, Vailico, abrit. Gen. Vailathi, air. Faílán, mir. fáel, fáel-chú ‘Wolf’ = cymr. gweil-gi ‘Ozean’;
got. wai, aisl. vei, vǣ, ahd. as. ; ags. ‘wehe!’, got. wai-nei ‘wenn doch!’ (eig. ‘wehe, daß nicht!’) in Kompositis des schlechten, fehlerhaften Zustandes, z. B. got. wajamērjan ‘lästern’, waidēdja ‘Übeltäter’, aisl. veill ‘locker, schwach’ (*wai-haila-), vǣla, vāla, vēla, veila ‘jammern’; ags. wǣlan ‘peinigen’ (‘*krank machen’, von einem *wā-hāl = aisl. veill); ahd. wēwo, wēwa ‘Wehe, Schmerz, Leid’, as. , Gen. wēwes, ags. wāwa, wēa, aisl. vǣ, ds., finn. (Lw.) vaiva ‘Plage, Elend’; ahd. weinōn ‘weinen’, ags. wānian, aisl. veina ‘jammern’, wovon wohl als ‘bejammernswert’ got. wainags ‘elend, unglücklich’, ahd. wēnag ‘elend, unglücklich’, mhd. auch ‘schwach, klein, gering’, nhd. wenig;
lett. vaĩ ‘wehe, ach’, vaijāt trans. ‘wehe tun’, waĩdêt ‘wehklagen, jammern’, vaĩdi Pl. ‘Wehklage, Jammer, Not’ (s. oben); serb. vȃj ‘wehe!’ ist Neuschöpfung.

WP. I 212 f., WH. II 724, Trautmann 338.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal