Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

weemoedig - (droevig gestemd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

weemoedig bn. ‘droevig gestemd’
Mnl. weemoedich ‘diep bedroefd’ in legt nu af al u weemoedeghe vreese ende doet an eenen manleken moet ‘leg nu al uw droefgeestige angst af en neem een mannelijke dapperheid aan’ [1340-60; MNW-P], wemoedich, weherttich ‘wanhopig, diep bedroefd’ [1477; Teuth.]; nnl. weemoedig, vooral ‘licht bedroefd, melancholisch’ [1784; iWNT].
Samenstellende afleiding, gevormd met het achtervoegsel → -ig uit het bijwoord mnl. wee ‘droevig, ellendig’, zie → wee, en → moed in de betekenis ‘gemoed, stemming’. Als bijwoordelijke bepaling kwam in het Middelnederlands al de verbinding wee te moede (met een persoon in de datief en eventueel een oorzaak in de genitief), bijv. in Doe was hem harde wee te moede ‘toen voelde hij zich zeer ellendig’ [1300-25; MNW-R]. De betekenis van weemoedig is later verzwakt tot ‘licht droevig gestemd, melancholisch’.
weemoed zn. ‘droevige stemming’. Mnl. weemoede ‘diepe smart, diepe droefenis’ [1400-50; MNW]; vnnl. weemoed, ook ‘lichte droefheid, melancholie’ [1814; iWNT]. Terugvorming van weemoedig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

weemoed [melancholie] {1814, vgl. weemoede, weemoe(d)t [diepe smart, teergevoeligheid] 1401-1450} van wee [onaangenaam] + middelnederlands moet [gemoedsbeweging]; in de huidige betekenis < hoogduits Wehmut.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

weemoed

In het Middelnederlands betekende weemoed: toorn, boze stemming, maar ook: diepe smart. Tegenwoordig verstaat men onder weemoed: een zachttreurige gemoedsstemming en waarschijnlijk heeft die betekenisverandering plaatsgevonden onder invloed van het Duitse Wehmut, dat oorspronkelijk ook: toorn betekende, maar al in de 17e eeuw: droefheid. Het woord weemoed is gevormd uit wee en moed. Wee is de klacht, de uitroep van smart, het Latijnse vae van vae victis: Wee de overwonnenen. Wee komt ook voor in wenen, weeklagen en zelfs in weinig dat vroeger: ongelukkig betekende. Moed, Duits Mut, Engels mood, Zweeds mod is hetzelfde als gemoed dus: innerlijke beweging, stemming, geest en vele verwante betekenissen. Weemoed is dus: smartelijke stemming. Het vrijwel synonieme weedom komt voor in Jacques Perks gedicht Iris. Het is dichterlijk en verouderd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

weemoed znw. m., mnl. weemoede v. ‘diepe smart, teergevoeligheid, lichtgeraaktheid’, mnd. wēmōd (> nhd. wehmut; eerst sedert 1691). De nnl. bet. zal wel te danken zijn aan hd. invloed.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

weemoed, weemoedig znw. resp. bnw. Reeds mnl. (’t znw. = “toorn, booze stemming”) mhd. mnd., alleen ’t bnw. in den Teuth. Dit is wellicht ouder dan ’t znw. In ’t Ags. ’t bnw. wêamôd “boos”. Zie bij wee.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

weemoedig bnw. = ook ‘kleinmoedig’. Zie weemoed.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

iemeujeteg verouderd, (bn.) wee-zoet; Middelnederlands weemoedich <1340-1360> < Duits wehmütig.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

iemeuïg, iemeuïetig, bn.: weezoet, mierzoet. Uit weemoedig.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

weemoed s.nw.
Treurige gevoel, melankolie.
Uit Ndl. weemoed (al Mnl.), 'n samestelling van wee 'onaangenaam' en Mnl. moet 'gemoedsbeweging'. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm wémoed.
Die huidige bet. van Ndl. weemoed 'melankolie' is uit Hoogduits Wehmut (1814).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

iemeujetig weezoet (Maastricht). Met suffixwijziging ‹ iemeujig↑.
Album Edgard Blancquaert 333-338.

iemeujig weezoet (Maastricht). = (met door het zinsverband veroorzaakte w-afval) weemoedig. Betekenisontwikkeling: ‘met verdrietig gemoed’ › ‘verdriet verwekkend’ › ‘onsmakelijk’.
Album Edgard Blancquaert 333-338.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

weemoed ‘droefheid’ (Duits Wehmut)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

weemoed melancholie 1814 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal