Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

weegscheet - (strontje op het oog)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

weegscheet* [strontje op het oog] {wegh-schijte 1588} het eerste lid is wel weg1; omdat volgens het volksgeloof iemand die bij de weg zijn behoefte deed, een strontje op het oog kreeg, vgl. de benaming strontje.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

weegscheet v., het eerste lid is verwant met On. vagl (Zw. vagel, De. vagl) en Eng. wall-eyed (eye = oog), ook het Mnl. adj. wei, wege, gezegd van wild vleesch; het tweede lid heeft als synon. strontje.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wegesjeet (zn.) strontje op het oog; Nuinederlands weghschijte <1588>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

weegscheet, wegescheet, -sjeet, weegschijter, wegesjieter, -schijter(d), wiegescheet, zn.: strontje, gerstekorrel, hordeolum. Vnnl. wegh-schijte ‘hordeolum, quod quidam fabulantur enasci cum quis in via publica ventrem exonerat’ (Kiliaan). Het strontje werd in het volksgeloof beschouwd als een straf voor iemand die op de openbare weg zijn gevoeg had gedaan. Ook straf voor wie tegen de kerk geplast had.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

weegscheet, wegescheet, wiegescheet, zn.: strontje, gerstekorrel, hordeolum. Vnnl. wegh-schijte ‘hordeolum, quod quidam fabulantur enasci cum quis in via publica ventrem exonerat’ (Kiliaan). Het strontje werd in het volksgeloof beschouwd als een straf voor iemand die op de openbare weg zijn gevoeg had gedaan. Ook straf voor wie tegen de kerk geplast had. Zie ook vooikak, paddescheet.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

weegscheet strontje op het oog (Limburg, Deventer, Noord-Brabant). ~ weg en schijten. Zinspeling op het geloof dat iem. dat opliep als hij op de weg zijn behoefte deed of als iemand met magische kracht op zijn weg waterde. Mogelijk ook is weeg = mnl. wei ‘wild. gez. v. vlees’.
De Bont 1960, 743, TNTL III 216.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal