Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wedde - (bezoldiging)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

wedde zn. ‘bezoldiging’
Onl. *weddi, in Latijnse context eerst wadio ‘onderpand’ [601-25; ONW], ook waddio ‘id.’ [692; ONW], dan in gelatiniseerde vorm: uuadius ‘id.’ [750, kopie eind 8e eeuw; ONW]; mnl. gi su[let] ... míjn wedde untfaen ‘u zult mijn onderpand ontvangen’ [1220-40; VMNW], metten wedde tebbene ‘als bezoldiging te hebben’ [1299; VMNW], wedden der officieren (‘ambtenarensalarissen’) van der stadt [1457; MNW].
Os. weddi; ohd. wetti (nhd. Wette ‘weddenschap’); ofri. wed; oe. wedd; on. veð (nzw. vad ‘weddenschap; (hoger) beroep’; nno. vedd ‘(onder)pand; weddenschap’); got. wadi ‘pand, onderpand’; < pgm. *wadja- ‘inzet’. Een Frankische vorm zonder umlaut *waddi is door het Frans ontleend, zie → gage.
Verwant met: Latijn vas (genitief vadis) ‘borg’; Litouws vãdas ‘pand, borg’, vadúoti ‘een pand inlossen’; < pie. *uodh-. Wrsch. houden deze betekenissen verband met ‘voor het gerecht binden’ en is *uodh- dezelfde wortel (met o-trap) als *uedh- ‘binden’ (LIV 659). Hierbij hoort ook pgm. *wedan- ‘verbinden’ (ohd. wetan, got. gawidan); en buiten het Germaans: Oudkerkslavisch vesti ‘leiden’; Welsh gwedd ‘tuig, juk’; Oudiers fedan ‘juk’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wedde* [bezoldiging] {wed(de) [pand, verdrag, huwelijksgift, bezoldiging, wedstrijd] 1237} oudsaksisch weddi, oudhoogduits wetti, oudfries wed(de), oudengels wedd, oudnoors veð, gotisch wadi; buiten het germ. latijn vas (2e nv. vadis) [borg], litouws vadas [idem] (vgl. wedden).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wedde znw. v., mnl. wedde o. (v.) ‘pand, bezoldiging’, os. weddi o. ‘pand, betaling’, ohd. wetti o. ‘pandovereenkomst, rechtsverbintenis, pand’ (nhd. wette), ofri. wed, wedde, oe. wedd o. ‘overeenkomst, belofte, pand’, on. veð, got. wadi o. ‘pand’ < germ. *waðja. — lat. vas, vadis ‘borg’, vadimonium ‘borgstelling’, lit. vadas ‘pand, borg’, vadúoti ‘een pand inlossen’ (IEW 1109). — Zie: wedden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wedde znw., mnl. wedde o. (v.) “pand, bezoldiging”. = ohd. wetti o. “pandovereenkomst, rechtsverbintenis, pand” (nhd. wette v.), os. weddi o. “pand, betaling”, ofri. wed, wedde, ags. wedd o. “overeenkomst, belofte, pandstelling, pand”, on. veð, got. wadi o. “pand”, germ. *waðja-. Verwant met lat. vas, vadis “borg”, (obg. sŭ-vada “aanklacht, strijd”??), lit. vadů́ti “een pand inlossen”. Het is niet gewenscht de basis wadh-, die aan deze woorden ten grondslag ligt, met wedh- “binden” (zie gewaad) in verband te brengen. Ook gr. á(w)ethlon “kampprijs” is ten onrechte gecombineerd. Uit het Germ. de rom. groep van fr. gage “pand, wedde”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wedde. Güntert Ar.Weltk. u. Heil. 70 vlg. meent een grondbet. ‘binden’ te herkennen in nhd. wettung, wettköpfe ‘uiteinden van balk, die bij een aanhechting vooruitsteken’, zwits. wetten ‘einen blockbau errichten’, gewette ‘juk trekdieren’ en combineert zowel gr. áϝethlon als obg. sŭ-vada ’aanklacht, strijd’ (dit laatste zeer wsch. ten onrechte). Als de hd. zwits. vormen inderdaad bij wedde behoren, is het verband met *wedh- ‘binden’ niet onmogelijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wedde v., hetz. woord als wed 2.; vergel. Fr. un gage, des gages.

wed 2 v. (weddenschap), Mnl. wedde, Os. weddi, met e = ä + Ohd. wetti (Mhd. wette, Nhd. id.), Ags. wedd (Eng. wed), Ofri. wedde, On. ved (Zw. vad, De. ved). Go. wadi = pand, inleg: Germ. wrt.wad + Lat. vas, genit. vadis = borg, Lit. vadůti = aflossen: Idg. wrt. u̯adh. Uit het Germ. komt Fr. gage.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wedde (salaris) is eig. het Germ. wadja, dat pand, inzet bet. en teruggaat op den Idg. wt. wedh = een pand stellen; een overeenkomst sluiten, waarbij men een pand stelt. Uit de bet. van pand volgt die van waarde, betaling, loon, salaris, en het werkw. wedden (oorspr. een overeenkomst aangaan, waarbij een pand gesteld wordt) heeft bij ons de beperkter bet. gekregen van: een weddingschap aangaan, als het ware òòk een verdrag, waarbij elk een pand inzet. Opmerkelijk is, dat het Germ. wadja in ’t Romaansch werd overgenomen, eveneens als loon, maar voor de krijgsknechten, bijv. het Fr. gage.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wedde ‘bezoldiging’ -> Frans gage ‘onderpand, loon’ Frankisch; Esperanto gaĝo ‘onderpand’ <via Frans>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wedde* bezoldiging 1130 [Rey]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

u̯adh- ‘Pfand, Pfand einlösen’

Lat. vas, vadis ‘Bürge’, vadimōnium ‘Bürgschaft’, praes. -dis, älter prae-vides ‘Bürge’; got. wadi n. ‘Pfand, Handgeld’ (wadjabōkōs ‘Pfandbrief’, gawadjōn ‘verloben’), aisl. veð n. ‘Pfand, anvertrautes Gut’, afries. wed ‘Vertrag, Versprechen, Bürgschaft, Sicherheit’, ags. wedd ‘Pfand, Vertrag’, as. weddi ‘Pfand’, ahd. wẹtti, wẹti ‘Pfandvertrag, Rechtsverbindlichkeit, Pfand’, mhd. auch ‘Einsatz bei einer Wette, Schadenersatz’, nhd. Wette; aisl. veðja ‘aufs Spiel setzen, wetten, unter Hinterlegung einer Bürgschaft Berufung einlegen’, ags. weddian ‘Vertrag machen, versprechen, verheiraten’ (weres weddian ‘sich einem Manne verloben’, engl. wed ‘heiraten’), mhd. wetten ‘Pfand geben, Strafgeld entrichten, wetten’, nhd. wetten;
lit. vãdas ‘Pfand, Bürge’, vadúoti (lett. vaduôt) ‘etwas Verpfändetes einlösen’, už-vadúoti ‘für jemanden eintreten’.

WP. I 216 f., WH. II 735 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal