Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

warren - (in de war zijn of maken)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

warren* [in de war zijn of maken] {werren, warren [in de war maken, schaden, verontrusten, in wanorde zijn] 1265-1270} oudsaksisch, oudhoogduits werran, wellicht verwant met oudnoors vǫrr [vore, riemslag, golf] en dan met latijn verrere [sleuren, vegen, omwoelen], grieks errein, (< ∗werrein) [zich voortslepen, omkomen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

warren ww., mnl. werren, warren (e > a voor r) st. en zw. ‘in verwarring brengen, raken, twisten, in twist brengen’, os. werran st. ww. ‘in verwarring brengen, aanklagen’, ohd. werran ‘in verwarring, onrust, oproer brengen’ (st. vgl. nhd. deelw. verworren).

Voor dit alleen continentaal wgerm. woord is aanknoping aan het idg. bezwaarlijk. — 1. Evenals on. vǫrr ‘riemslag’ bij lat verrō ‘slepen’, gr. ērro ‘zich voortslepen’, osl. vǐrchu, vrěšti ‘dorsen’, hett. u̯arsii̭a ‘afvegen, plukken, oogsten’ (volgens IEW 1169 niet waarschijnlijk). — Nog veel onzekerder is de verbinding met mnl. wers, os. ohd. wirs ‘slechter’, die men dan pleegt te verbinden met oiers ferr ‘beter’ van een idg. wt. *u̯er ‘verheven plaats’, *u̯orsos ‘hoog’ (dus ‘slechter’ eig. ‘boven de juiste maat uitgaand’?!).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

warren ww., mnl. werren, warren (sterk en zwak) “in verwarring, opschudding brengen of raken, twisten, in twist brengen” = ohd. werran “in verwarring, onrust, oproer, slechteren toestand brengen” (sterk, nhd. nog ’t deelw. verworren, overigens een zwak wirren), os. wërran (sterk) “id., aanklagen”. Men combineert on. vǫrr m. “riemslag”, lat. verro “ik veeg, sleur”, gr. érrō “ik sleep mij voort, ga te gronde”, obg. vrŭchą, vrěšti “dorschen”: zeer onzeker. Overweging verdient eer de combinatie met mnl. wers (wars, wors) bijw. “slechter”, ohd. os. wirs, ags. wiers (eng. worse), on. verr, got. waírs “id.”, ohd. wirsiro, os. wirsa, ofri. wirra, werra, ags. wiersa (eng. worse), on. verri, got. waírsiza bnw. “id.”; van onzekeren oorsprong. Een combinatie der 2 vermelde etymologieën is te gewaagd. In ieder geval zal wërran wel op *werzanan teruggaan. Zie nog war, wars.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

warrelen, warren. De eerstgenoemde combinatie met on. vǫrr ‘riemslag’, lat. verro ‘ik veeg, sleur’ enz. is niet onwaarschijnlijker dan die met mnl. wers, ohd. os. wirs ‘slechter’ enz. Deze laatste woordgroep is wel met ier. ferr ‘beter’ verbonden: onzeker. Zie nog bij wars en wars Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

warren o.w., Mnl. werren, Os. werran + Ohd. id. (Mhd. werren, Nhd.: wirren) + Gr. érrein = zich voortsleepen, Lat. verrere = sleuren, vegen, Osl. vrĕšti = dorschen: Idg. wrt. u̯ers, Germ. wrt. werz.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

u̯ers- ‘am Boden schleifen’

Lat. verrō (älter vorrō), verrī, versum ‘schleifen, am Boden schleppen, fegen’;
über gr. ἔρρω ‘gehe weg, schwinde’ s. Frisk 566;
aisl. vǫrr ‘Ruderschlag’; kaum hierher as. ahd. wërran ‘verwirren, durcheinanderbringen’ usw.;
lett. vârsms ‘Haufen Getreide’; russ.-ksl. vьrchu, vrěšti ‘dreschen’, ablaut. vrachъ ‘das Dreschen’ (geschah ursprüngl. durch Schleifen), russ. vóroch ‘Haufen (von Getreide)’;
hitt. u̯aršii̯a-, u̯arš- ‘abwischen, pflücken, ernten’.

WP. I 267, 292 f., WH. II 761 f., Trautmann 361, Vasmer 1, 230.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal