Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wapperen - (fladderen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wapperen* [fladderen] {1479 in de betekenis ‘zwaaien, slingeren’} fries wabberje, middelhoogduits wabern, oudnoors vafra [heen en weer gaan]; klanknabootsend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wapperen ww. mnl. wapperen ‘zwaaien, slingeren’ (15de eeuw), vgl. (loot)-wapper ‘leren riem met een loden bal, met lood beslagen knots’, vgl. zaans wapperen ‘druk heen en weer lopen’ een iteratief bij oostfri. wappen ‘zwaaien’. Naast deze -pp- formatie staat er ook een met -bb- in nwfri. wabbelje ‘waggelen’, oostfri. wabbeln, ne. wabble, wobble ‘heen en weer bewegen’. — Deze formaties gaan terug op een stam *wab, vgl. mhd. nhd. wabern, fri. wavelje, ne. waver, on. vafra, vafla ‘heen en weer bewegen, in een zwaaiende beweging zijn, vgl. ook oe. wafian ‘zwaaien’ (ne. wave) en on. vafa ‘wankelen’. — Zie ook: wabber.

Etymologie onzeker. Men kan uitgaan van idg. *u̯ēbh, vgl. oi. urṇa-vābhi ‘spin’ en dan dus verbinden met de groep van weven. Men kan ook teruggaan op *u̯ēp, en dan òf bij oi. vapati ‘verstrooien, werpen’ (Wood MLN 15, 1900, 98) of bij lit. vėpiúos, vėptis ‘de mond vertrekken’, vėpsaũ, vėpsóti ‘gapen’ (Persson SVS Uppsala 10, 1912, 235). Beide onbevredigend. — Wel kan men naast de wt. *uēp: *uǝp nog plaatsen *u̯eip: u̯ip, waarvoor zie: wippen en wiebelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wapperen ww., mnl. *wapperen (waarbij wapper, lootwapper m. “leeren riem waaraan een looden bal, met lood gevulde of beslagen knots”). Hiernaast ’t misschien jongere synoniem oostfri. wappen. Zaansch wapperen = “druk heen en weer loopen, stoeien”. Wsch. een jong, onomatop. woord, eventueel ontstaan onder invloed van *wabberen = fri. wabberje (waarnaast wapperje) “wapperen, heen en weer klepperen”; dit en fri. wabbelje “waggelen” bij fri. wavelje “wiegelen”, mhd. (nhd.) wabern, eng. to waver, on. vafra (ook vafla, mhd. wabelen) “in heen-en-weer-gaande, onzekere beweging zijn” (in verschillende speciale toepassingen), zich aansluitend bij on. vefjast, vâfa in dgl. bet., ags. wafian (eng. to wave) “wuiven”, wæ̂fre “heen-en-weer-gaand, flikkerend”. Deze woordgroep is van onbekenden oorsprong. Bij lat. vâpulo “ik krijg slaag”, vappo “een soort van gevleugeld dier”, gr. ēpílios “lichtmot”? Onwsch. is de combinatie met lit. vebżdė́ti “krioelen”. Dan nog eer van een uit idg. (a)wê- “waaien” verlengde basis wē̆bh- of wē̆p-; vgl. bij waren.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wapperen. Reeds Iaat-mnl. (15e eeuw) wapperen ‘zwaaien, slingeren’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wapperen ono.w., Mnl. id.; hierbij dial. wabberen + Fri. wabberje, Hgd. wabern, Eng. to waver, On. vafra; verder Ags. wafian (Eng. to wave) + misschien Lat. vapulare = slaag krijgen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

wapper ww.
Heen en weer waai, fladder.
Uit Ndl. wapperen (1642), klanknabootsend gevorm. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wapperen* fladderen 1479 [MNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

u̯ebh-2 ‘sich hin und her bewegen, wabern, wimmeln’

Mhd. weben ‘bewegen, schwingen’, weberen ‘sich tummeln’, webelen ‘schwanken’, nhd. ostpreuß. wibbeln; mhd. waben, waberen, wabelen ‘in unsteter Bewegung sein’, wappen ‘hin und her schwanken’, nhd. (nd.) wabbelig ‘wackelnd, z. B. von Gallertigem’, ags. wafian (besonders mit handum) ‘sich bewegen’, mengl. waveren, engl. waver ‘wanken, schwanken’, aisl. vafla ‘wackeln’, vafra ‘sich unstet hin und zurück bewegen, wabern’ (vafrlog ‘Waberlohe’), vefjast ds.;
aisl. vāfa ‘schweben, baumeln’, ags. wǣfre ‘unstet, flackernd’;
lit. vebžd-ù, -ė́ti ‘wimmeln, sich verwirren, durcheinander bewegen’;
dazu ahd. wibil m. ‘Käfer, Kornwurm’; as. wivil, mnd. wevel ds., ags. wifel ‘Kornwurm’, aisl.*vifill in torðyfill ‘Mistkäfer’, ags. wibba ‘Roßkäfer’; lit. vãbalas ‘Käfer’, vabuolas ds., žem. vabolė̃ ‘Mistkäfer’, lett. vabuolis ‘Käfer’ (daneben ostlit. dial. vóbuolas ‘Käfer’, žem. vam̃bolė, lett. vambale, vambuole ‘Mistkäfer’).

WP. I 257 f., WH. II 733, Trautmann 336, Vasmer 1, 176;hierzu: u̯ed-

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal