Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wantrouwen - (gebrekkig, verkeerd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

wan(-) voorv. ‘gebrekkig, verkeerd’
Mnl. wan ‘gebrekkig, ondeugdelijk; aangebroken, niet geheel gevuld’ in dat ... wan bliuet ... mach hi doen tappen tesire orbare ‘wat (in de) aangebroken (vaten) overblijft, kan hij tot zijn voordeel laten tappen’ [1294; VMNW], dat wanne werck volmaken ‘dat onvolmaakte werk voltooien’ [1293; MNW], van waenre gewichte ‘van verkeerd gewicht’ [1328; MNW], twee wane vate hamburgher biers ‘twee aangebroken vaten Hamburger bier’ [1330-32; MNW], vooral in samenstellingen, bijv. in wantruwe ‘argwaan, wantrouwen’ [1240; Bern.], die Began wankonnen dis lutgarden ‘die daardoor een hekel begon te krijgen aan Lutgard’ [1265-70; VMNW], van wanghemete ‘betreffende een valse maat’ [1277; VMNW], dat si vallen in wanhope ‘dat ze vertwijfeld raken’ [1270-90; VMNW wanhoop], wansoden of wanbraden vleesch ‘slecht gegaard of slecht gebraden vlees’ [1379; MNW wanbraden]; vnnl. zij zoud' haer eighe zeden ... met wanstal zien bekladt ‘zij zou haar eigen zeden afzichtelijk beklad zien’ [1627; iWNT], dat hy van wanstallighe lengte was [1642; iWNT], deze wanstaltige vrou (met -t- o.i.v. gestalte) [1670; iWNT]; nnl. delicten en wandaaden [1790; iWNT].
Os. wan- (mnd. wan(-)); ohd. wan, wana- (nhd. vero. wahn ‘leeg’, maar zie → waanzinnig); ofri. won- (nfri. wan-); oe. won (ne. alleen in wanton ‘losbandig’); on. van- (nzw. van-); alle ‘gebrekkig, ontbrekend, onvolledig, leeg e.d.’, < pgm. *wana- ‘ontbrekend’.
Verwant met: Latijn vānus ‘leeg’; Sanskrit ūná- ‘onvolmaakt’; < pie. *u(e)h2-no-, afgeleid van de wortel *ueh2- ‘verlaten, ophouden’ (LIV 254), waarbij verder nog: Sanskrit vā́yati ‘verdwijnt’, Latijn vacare ‘ontruimen; leegmaken’ (zie ook → vacant), vāstus ‘leeg, verlaten’, alsook Nederlands → woest.
Het bijvoeglijk naamwoord wan komt in alle Oudgermaanse talen voor. In de West- en Noord-Germaanse talen komt het al vroeg voor als eerste lid in samenstellingen, met een algemene betekenis ‘gebrekkig, ondeugdelijk’, naast de voorvoegsels → mis- en → on- (en hun West-Germaanse equivalenten); in het West-Germaans werd wan- alleen in het Nederlands en het Fries als voorvoegsel productief. Het wordt vooral gecombineerd met zelfstandige naamwoorden, terwijl met mis- bij voorkeur werkwoorden worden afgeleid en on- alleen nog productief is bij bijvoeglijke naamwoorden. Daar waar deze indeling schijnbaar geschonden wordt, is meestal sprake van secundaire afleiding, bijv. bij wanstaltig ‘afzichtelijk’ (van vero. wanstal ‘afzichtelijkheid’), wanordelijk (van wanorde) naast onordelijk (van ordelijk), misdraging (van misdragen) naast wangedrag (van gedrag). Bij paren van zelfstandige naamwoorden is de afleiding met on- of mis- meestal al oud, en konden al dan niet subtiele betekenisverschillen ontstaan, bijv. bij wandaad naast ouder misdaad, wangeloof naast ongeloof, wantij ‘plaats waar twee vloedstromen elkaar ontmoeten en waar dus nauwelijks getijdewerking is’ naast → ontij.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wantrouwen* [mistrouwen, achterdocht] {wantrou(we) [verdenking, argwaan, wanhoop] 1201-1250; de huidige betekenis 1573} vgl. middelnederlands wantrouwen [geen vertrouwen hebben] {1236} en middelnederduits wantruwe, middelhoogduits wantriuwe [achterdocht]; van wan- [slecht] + vertrouwen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wantrouwen ww. o., mnl. wantrouwen naast het znw. wantrouwe, wantrūwe ‘wantrouwen, wanhoop’, mnd. wantrūwe, mhd. wantriuwe ‘wantrouwen’; zie: wan- 2 en vertrouwen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wantrouwen ww., reeds mnl. Mhd. mnd. alleen wantriuwe resp. wantrûwe v. “het wantrouwen” = mnl. wan-trouwe, wan-trûwe v. “id., wanhoop”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wantrouwen ‘het mistrouwen, de achterdocht’ -> Fries wantrouwen ‘het mistrouwen, de achterdocht’.

wantrouwen ‘geen vertrouwen hebben in’ -> Fries wantrouwen ‘geen vertrouwen hebben in’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wantrouwen* mistrouwen, achterdocht 1573 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal