Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wagen - (voertuig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

wagen 1 zn. ‘voertuig’
Onl. wagan ‘wagen, kar’ in de toponiemen Uuaganuuega ‘Wagenweg’ (onbekende plaats op de Veluwe) [838, kopie 1091-1100; Künzel] en Waganlose ‘Wagenspoor’ (onbekende plaats in Gelderland) [801-10, kopie 1170-75; Künzel]; mnl. wagen ‘wagen, kar, rijtuig, renwagen’ [1240; Bern.], waghene ende part ‘paard-en-wagen’ [1271-72; VMNW].
Os. wagan (mnd. wagen); ohd. wagan (nhd. Wagen); ofri. wein (nfri. wein); oe. wægn, wǣn (ne. wain); on. vagn (nzw. vagn); Krim-Gotisch waghen; alle ‘wagen, kar e.d.’, < pgm. *wagna-.
Afleiding van de wortel van → wegen in de oorspr. betekenis ‘bewegen’.
Verwant met: Oudiers fēn ‘wagen’; < pie. *ueǵh-no-, *uoǵh-no-, afgeleid van de wortel *ueǵh-. Van dezelfde wortel en met vergelijkbare betekenis, maar met andere achtervoegsels, zijn afgeleid: Latijn vehiculum ‘voertuig’ (zie → vehikel); Grieks ókhos ‘rijtuig’; Sanskrit vāhana- ‘rijtuig, schip, lastdier’; Oudkerkslavisch vozŭ ‘kar’ (Russisch voz).
Het Nederlandse woord is in de 15e eeuw door het Engels ontleend en in de huidige Engelse vorm wagon weer teruggeleend, zie → wagon.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wagen3* [voertuig] {in de vroegere Gelderse plaatsnaam Uuaganuuega <838>, wagen 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits wagan, oudfries wein, oudengels wægn (engels wain), oudnoors vagn, krimgotisch waghen; buiten het germ. latijn vehiculum, grieks ochos, (< ∗wochos), oudiers fén, welsh gwain, oudindisch vāhana- [voertuig, rijdier]; van het tweede lid van bewegen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wagen 1 znw. m., mnl. wāghen m., os. ohd. wagan (nhd. wagen), ofri. wein, oe. wægn (ne. wain), on. vagn m., krimgot. waghen. — Volkomen gelijk gevormd is oiers fēn ‘wagen’ (< *u̯eĝhno-), met tussenklinker oi. vahana- ‘het rijden, schip’ en vāhana- ‘trekdier, schip, wagen’. — Afl. van de idg. wt. *u̯eĝh, waarvoor zie: wegen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wagen I znw., mnl. wāghen m. = ohd. wagan (nhd. wagen), os. wagan, ofri. wein, ags. wægn (eng. wain), on. vagn m., krimgot. waghen “wagen”, germ. *waʒna-, idg. *woĝh-no-. Met ablaut ier. fên (*weĝh-no-) “een soort wagen”. Met formans -eno- of -ono- oi. vahana- “het voeren, voertuig, schip”, vā́hana- “trekdier, voertuig, schip”. Van de basis weĝh-: zie wegen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wagen 4 m. (voertuig), Mnl. waghen, Os. wagan + Ohd. id. (Mhd. wagen, Nhd. id.), Ags. wægn (Eng. wain), Ofri. wein, On. vagn (Zw. id., De. vogn), Krimgo. waghen + Gr. ókhos, Lat. vehiculum, Oier. fen: Germ. en Gr. vertoont den stam van ʼt enk. imp. van be-wegen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wagel (zn.) wagen; Aajdnederlands wagan <838>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

wagel 1, zn.: wagen. Afl. van wagen. Vgl. D. dim. Wägelchen.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

wagel wagen (Limburg, Brabant, Groningen). Afl. van wagen of van (be-)wegen ~ ono. vagn ‘id.’ ~ oind. vahana- ‘voertuig, schip’.
WNT XXIV 549, Endepols 491.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wa: mv. waens, dim. waentjie, kompo. soos waenhuis, wapad, kruiwa, bep. soort voertuig (veral dié deur diere getrek, maar ook kruiwa, deur mense gestoot); (nou ook) spoorwegwa; sleepwa, ens.; Ndl. wagen (Mnl. wāghen), Hd. wagen, Eng. wag(g)on/(dial.) wain (vgl. wainscot, wsk. uit Ndl.), hou verb. m. weg en weeg, Eng. way en s.nw. weigh, asook m. Lat. vehere en Gr. oχein, “dra”; hierby o.a. ook waag II, waggel, wieg.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wagen (voertuig), van den Germ. wt. weg = bewegen (zie Weg).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wagen ‘voertuig; beweegbare rol van schrijfmachine’ -> Engels wagon, waggon ‘voertuig’; Duits Waggon ‘spoorwagen’ <via Engels>; Deens wagon ‘voertuig’ <via Frans>; Zweeds wagon ‘deel van een trein waarin personen vervoerd worden’ <via Frans>; Frans wagon ‘rijtuig op een rails, getrokken door een locomotief; treinwagon bedoeld voor goederen- of veevervoer; de inhoud van een wagon’ <via Engels>; Italiaans vagone ‘wagon; (fig.) hoop, massa, berg’ <via Frans>; Spaans vagón ‘wagon’ <via Engels>; Portugees vagão ‘spoorwegvehikel’ <via Frans>; Baskisch bagoi ‘treinwagon’ <via Spaans>; Pools wagon ‘spoorwegwagon’ <via Engels>; Kroatisch vagon ‘rijtuig op rails’ <via Engels>; Macedonisch vagon ‘rijtuig op rails’ <via Engels>; Servisch vagon ‘rijtuig op rails; hoeveelheid goederen die past in een goederenwagon’ <via Engels>; Sloveens vagon ‘rijtuig op rails’ <via Engels>; Sloveens vagonet ‘kleine wagon’ <via Frans>; Bulgaars vagon ‘rijtuig op rails’ <via Engels>; Litouws vagonas ‘rijtuig op een rails, getrokken door een locomotief; treinwagon bedoeld voor goederen- of veevervoer; de inhoud van een wagon’ <via Frans>; Grieks bagoni /wagoni/ ‘transportvoertuig’ <via Engels>; Maltees vagun ‘rijtuig op rails’ <via Italiaans>; Esperanto vagono ‘rijtuig op rails, wagon’ <via Frans>; Turks vagon ‘spoorwagen’ <via Engels>; Koerdisch wagon ‘rijtuig op rails’ <via Engels>; Perzisch vâgon, (spreektaal) gun ‘spoorwagen’ <via Frans>; Arabisch (MSA) fākūn ‘spoorwagen’ <via Frans>; Arabisch (Irakees) fārgōn ‘spoorwagen’ <via Frans>; Arabisch (Palestijns) fagōn, vagōn ‘spoorwagen’ <via Frans>; Arabisch (Marokkaans) fagu ‘spoorwagen’ <via Frans>; Indonesisch wagen ‘beweegbare rol van schrijfmachine’; Chinees-Maleis wakhen ‘voertuig’; Papiaments † waha (ouder: wagen) ‘voertuig voortgetrokken door lastdier(en)’; Sranantongo wagi ‘voertuig, kar, auto’; Aucaans wagi ‘voertuig’; Saramakkaans wági ‘voertuig, kar’ <via Sranantongo>; Arowaks wagen ‘voertuig’; Surinaams-Javaans wagé ‘wagon, lorrie, kar, kruiwagen’ <via Sranantongo>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wagen* voertuig 0838 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1246. Dat is koren op zijn molen,

d.w.z. dat komt hem te pas, dat dient hem, dat bevalt hem, evenals den molenaar het koren dat hij krijgt te malen. Eerst bij Sewel, 496 trof ik deze zegswijze aan: Dat is koorn op zyn molen, that is profit for him; Harreb. I, 439. Ook kende men: dat is water op zijn molen (zie Winschooten, 157; Halma, 357 en vgl. hd. das ist Wasser auf seine Mühle, waarbij men te denken heeft aan den molen, die door stroomend water in beweging wordt gebrachtVgl. met deze spreekwijze Huygens, Oogentroost, 753: Want of 't quam af te soeten dat afgesprongen is, sijn' keucken most het boeten, sijn' Molen-beeck liep droogh (het sou met zijne verdiensten uit zijn).. In Limburg zegt men ook nog in denzelfden zin dat is boter op zijn wagen (Welters, 110); in Groningen: da's wind op zien meulen (Molema, 474 a). Voor Zuid-Nederland zie Schuermans, 279 a en 419 a: dat is olie in mijne lamp; Waasch Idiot. 364: dat is kooren op mijnen meulen; Teirl. II, 172: dat is koren op mijne meulen, dat is profijt voor mij; dat is voor mijne meening eene goedkeuring; Antw. Idiot. 1897. In het eng. that brings grist to his mill, dat is voordeelig voor hem; in het fr. faire venir de l'eau au moulin. Hiernaast ook geen koren van den molen sturen, geen werk van den winkel sturen; vgl. Halma, 357: Men moet het koren van zijnen molen niet afwijzen; Harreb. I, 439: Koren dragen op iemands molen, hem helpen; o.a. Het Volk, 15 April 1913, p. 6: Men moet hier geen koren dragen op den molen van den tegenstander; Nkr. VII, 17 Mei p. 6: 't Is een stommiteit, zoo iets te zeggen. Je draagt maar koren op den linkschen molen.

1269. Krakende wagens loopen (of duren) het langst,

d.w.z. zwakke, ziekelijke menschen leven somtijds zeer lang; in Gron. kraokwoagens loopen 't langst; in 't oostfri. krâkwagens gân lank; in Zuid-Nederland krakende kerren (wagens) rijden 't langst of ver, het verste (Schuermans, 285 en 287; Joos, 142; Waasch Idiot. 370 a; Antw. Idiot. 621; Teirl. II, 180: krakende kerre rije' verre). Het is een oude zegswijze, die we in de 16de eeuw eenigszins anders al vinden bij Plantijn: een crakende kerre gaet wel verre; Campen, 113: kraeckende waeghens die gaen oeck al voert; syn. van leede palen staen alder langest (ald. bl. 68); bij Gruterus I, 112: krakende wagens gaan alderlangst voort; Spieghel, 298; De Brune, Bank. 143: de krakende wagen zal het gaende houden; zie Halma, 286; Sewel, 416; Tuinman I, 160; Harreb. III, 357; Twee W.B. 117: Krakende wagentjes duren 't langst; Wander IV, 1726; in Limburg: krakende raders vallen niet ('t Daghet XII, 128). Ook spreekt men van krakende wagens voor: ziekelijke menschen; in het Zaansch en in N. Limburg van een kraakhaspel; in het Groningsch van kraoken, klagen of steunen van oude of zwakke menschen; in het Oostfri. van een krâkwagen en in het Vlaamsch van een krakende kar, een krakalaam, krikalaam, krakende kar, of een mensch die altijd ziekelijk is (Schuerm. Bijv. 175; 177). Vgl. fr. pot félé dure longtemps (lat. malum vas non frangitur); hd. klapprige Karren oder die knarrigen Wagen halten am längsten; eng. a creaking door hangs long on the hinges.

1756. De paarden achter den wagen spannen,

d.w.z. de zaak verkeerd aanpakken; de kerk op den toren zetten (zie Antw. Idiot. 639); hy hangt het roer aan de scheg (de steven), hy doet zyne dingen verkeert, en achterste voor (Tuinman I, 158). In de 16de eeuw bij Servilius, 5: het peert achter den waghen spannen; bl. 8: de peerden achter den wagen spannen; vgl. ook bl. 4: den wagen voer die peerden spannen. In de 17de eeuw heb ik toevallig nergens deze spreekwijze aangetroffen, doch in de 18de eeuw wel bij Van Effen, Spect. XII, 178; C. Wildsch. II, 275; V. Janus I, 66. In vele talen wordt deze gedachte op soortgelijke wijze uitgedrukt; mlat. ante boves (versum non vidi currere) plaustrum (vgl. Con. Somme, bl. 633: die ploech voor die ossen setten); in het fr.: brider l'âne par la queue (vgl. het Haspengouwsch: een peerd aan 't gat toomen; Rutten, 234 b en Tuinman I, 158); mettre la charrue devant les boeufs; in het hd.: die Pferde hinter den Wagen spannen; die Ochsen hinter den Pflug spannen; das Pferd beim Schwanz aufzäumen (Wander III, 1317; Eckart, 404); in het eng.: to put the cart before the horses; in het fri: hy slacht de hynsders earsling (forkeard) foar de wein. In Zuid-Nederland: den wagen voor de peerden jagen, spannen, te rap handelen (Rutten, 171 a; Antw. Idiot. 1414; Joos, 105); Afrik. die kar voor die perde span.

1910. Het vijfde rad (of wiel) aan den wagen,

d.w.z. iets overtolligs, hinderlijks; in de elfde eeuw in het lat. quem fastidimus, quinta est nobis rota plaustri (zie Germania XVIII, 315); Despars, IV, 240: Dat hij der al zo wel toe diende als tvijfde wiel an een waghene; Campen, 59: hy is daer wel soe nutte toe, als tvyfste radt anden waeghen; Sart. III, 3, 39: het soude u dienen als het vijfde wiel aen een wagen; vgl. ook Marnix, Byenc. 71 v: Daer na ghebruycken sy oock de gelijckenisse van het Water dat in Cana van Galileen wesentlijck verandert worde in Wijn; welcke ghelijckenisse hier alsoo wonderlijck wel dient, als het vijfste radt in de waghen; Coster, 37, vs. 806; Idinau, 228; Paffenr. 100; De Brune, 281:

 Vier wielen aen een koets, is goed:
 Het vijfde maer belet en doet.

Zie verder Joos, 18; 95; Waasch Idiot. 549: 713; Antw. Idiot. 2159: Er zooveul noodig zijn als 't vijfde wiel aan den wagen; Harreb. II, 208 b; Afrik. hy is 'n vyfde wiel aan die wa; Grimm IV, 575; Borchardt no. 398; Wander III, 1456; Dirksen I, 76; Bebel no. 565; en vgl. het hd. das fünfte Rad am Wagen; eng. the fifth wheel to (or on) the coach; het fr. servir comme une cinquième roue; fri. it fiifte wiel of tsjel oan e wein.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

u̯eg̑h- ‘bewegen, ziehen, fahren u. dgl’, eine Schwundstufe ug̑h- nur im Ar. und wohl auch im Alb., Partiz. Pass. u̯eg̑h-to-s; u̯eg̑he-tro-m, u̯eg̑hi̯o-m ‘Fahrzeug’, u̯eg̑h-i̯o-s, u̯ēg̑h-os, u̯eg̑h-slo-s, u̯ē̆g̑h-o-s, u̯og̑ho-s ‘fahrend’, u̯eg̑h-no- : u̯og̑h-no-s ‘Wagen’, u̯eg̑h-ti-s ‘das Fahren’, u̯eg̑h-tor- ‘Fahrer’, u̯og̑h-lo- ‘Hebel’

Ai. váhati ‘führt, fährt, zieht, führt heim, heiratet’, auch ‘fließt’ und ‘läßt fließen’, Aor. a-vākṣ-am (Partiz. ūḍhá-, dazu neugebildet ūhati ‘schiebt, drängt’, Leumann IF. 57, 221); av. vazaiti ‘führt, zieht, fliegt’ (Partiz. vašta-, worin št statt -zd- nach Partizipien von nicht auf Aspirata auslautenden Wzln.); ai. vāháyati ‘er läßt führen’, vahana- ‘führend, fahrend’, n. ‘das Führen, Fahren, Schiff’ (dehnst. vāhana- ‘führend, tragend’, n. ‘Zugtier, Wagen, Schiff’), av. ātrǝ-vazana- ‘Feuerwedel’ (vgl. die germ. kelt. no-Bildungen); ai. vahítra- n. ‘Fahrzeug, Schiff’ (: lat. vehiculum), ai. vaha- ‘fahrend, führend’ (= slav. vozъ ‘Wagen’), váha- m. ‘Schulter des Jochtieres’, vahát- f. ‘Fluß, Fahrzeug’, vahyá- ‘zum Fahren tauglich’, n. ‘Vehikel, Tragsessel, Ruhebett’, av. vazya- n. ‘Last, Tracht’ (= as. wigg n. ‘Pferd’), ai. vṓḍhar- ‘fahrend, führend’, m. ‘Zugpferd, Zugochs; Heimführer eines Mädchens; Lastträger’, av. vaštar- ‘Zugtier’ (= lat. vector), woneben mit žd: važdra- ‘der vorwärts bringt’, sāy-uždri- EN eig. ‘dessen weibliche Zugtiere scheckig sind’ (*uždrī f. zu *uždar-); ai. vāhá- ‘führend, tragend’, m. ‘Zugtier, Vehikel’, av. vāza- ‘fahrend, fliegend’, m. ‘Ziehen, Zug, Zugtier’ (: got. wēgs), ai. vā́hiṣṭha-, av. vāzišta- ‘der am besten vorwärtsbringt’; ai. vahas- ‘fahrend’ (: ἔχος n.), vāhas- n. ‘Vehikel, das die Götter herbeiführende Lob’, av. vazah- ‘fahrend, führend’;
gr. ἔχεσφιν· ἅρμασιν Hes., pamphyl. ϝεχέτω ‘er soll bringen’, kypr. ἔϝεξε ‘brachte dar’, ὄχος n. ‘Wagen’, (ὀ- statt ἐ- nach) ὄχος m. ‘Wagen’, ὀχέω ‘führe’, ὀχέομαι ‘lasse mich tragen oder fahren, reite’, αἰγί-οχος ‘die Aegis schwingend’, γαιή-οχος (hom.), γαιά̄-οχος (dor.), γαιά̄ϝοχος (lak.) ‘der die Erde heiratet’ (Beiw. des Poseidon, Borgeaud KZ 68, 222), ὀχετός m. ‘Rinne, Kanal, Wasserleitung’, ὀχετεύω ‘leite Wasser in einer Rinne, einem Kanal’; ὀχλεύς ‘Hebel’ (: aisl. vagl ‘Hühnerstange’), ὀχλέω, ὀχλίζω ‘bewege fort, rolle oder wälze fort’;
alb. vjedh ‘stehle’; schwundstufig wohl alb. udhë ‘Weg, Reise; Gesetz-Vorschrift’, wovon mit Formans -rā vielleicht auch urë ‘Brücke’ (*udh-rā);
lat. vehō, -ere, vēxi (: ai. ávākṣat, aksl. věsъ Aorist), vectum ‘fahren, führen, tragen, bringen’ (dazu wohl auch con-, dē-, sub-vexsus), umbr. ařveitu, arsueitu, arueitu ‘advehitō’, kuveitu ‘convehitō’, lat. vehis f. ‘Wagen, Fuhre, Fuder’, vehemēns eig. ‘*einherfahrend’, daher ‘heftig, hitzig, stürmisch’, vectis ‘Hebel, Hebebaum, Brechstange’, ursprüngl. Abstraktum *‘das Heben, Fortbewegen’, vectīgālis ‘zu den Abgaben an den Staat gehörig’ (setzt ein *vectis in der Bed. ‘das Herbeibringen, Ablieferung’ voraus), vectīgal ‘Abgabe an den Staat, Gefälle, Steuer’, vēlōx ‘schnell’ (*u̯eg̑h-slo-), vēles ‘Leichtbewaffneter’; veia ‘plaustrum’;
air. fēn ‘Art Wagen’ (*u̯eg̑h-no-; vgl. ai. vahana- und ahd. wagan) = cymr. gwain ds., abrit. covinnus ‘Sichelwagen’, cymr. amwain ‘herumführen’, arwain ‘führen’, cywain ‘fahren’; air. fecht ‘Reise, Zeit, mal’, mcymr. gweith, ncymr. gwaith ‘Werk, Arbeit, mal’, corn. gweth, gwyth ‘mal’, acorn. gueid-uur ‘opifex’, bret. gwez, gweach ‘mal’, gall. PN Vectirix, Vecturius;
got. gawigan ‘bewegen, schütteln’, aisl. vega ‘bewegen, schwingen, heben, wiegen’, ahd. wegan ‘sich bewegen, wiegen (nhd. bewegen, erwägen, wägen, wiegen), as. wegan ‘wägen, erwägen’, ags. wegan ‘bringen, führen, wägen’, got. gawagjan ‘bewegen, schütteln’ (= ὀχέω, slav. voziti; dehnstufig ai. vāháyati) = ahd. weggen ‘bewegen’; Iterativ aisl. vaga ‘hin - und herbewegen’, ags. wagian ‘sich bewegen’, ahd. wagon ‘sich bewegen, vibrieren’ (wozu als Postverbale ahd.waga ‘Bewegung’ Wissmann, Nom. postv. 1, 14); got. wigs, aisl. vegr, ahd. as. ags. weg ‘Weg’; aisl. vigg, as. wigg, ags. wicg n. ‘Pferd’ (= ai. vahya-); aisl. vētt, vǣtt f. ‘Gewicht’ (= lat. vectis), ags. wiht n. ds., mhd. gewihte n. ds.;
aisl. vǫg f. ‘Hebel’, Pl. vagar ‘Schlitten’, vǫgur (und vāgir) f. Pl. ‘Bahre’; ahd. as. waga ‘Wiege’, aisl. vagga ds., ahd. wiga ‘Wiege’; ahd. wagan, ags. wægn, aisl. vagn ‘Wagen’ (ablaut. mit ir. fēn); aisl. vagl m. ‘Hahnenbalken’, norw. ‘Hühnerstange’ (‘*Tragstange’, vgl. formell ὀχλ-εύς, -έω);
got. wēgs ‘Wogenschlag’, Pl. ‘Wogen’, aisl. vāgr ‘Meer, Meeresbucht’, ahd. wāg ‘Woge’, as. wāg ‘hochflutendes Wasser’, ags. wǣg ‘Woge’; aisl. vāg ‘Hebel, Wage, Gewicht’, ahd. wāga ‘Wage, Gewicht, Wagnis’ (mnd. mhd. wāgen ‘in die Wage legen, aufs Geratewohl dransetzen, wagen’), as. wāga ‘lanx’, ags. wǣg, wǣge ‘Wage, ein bestimmtes Gewicht’;
lit. vežù, vèžti ‘fahren’, vežìmas ‘Wagen’, vėžė̃ ‘Wagengeleise’, pravėžà ‘Wagengeleise’; abg. vezǫ, vesti ‘vehere’, veslo ‘Ruder’ (*u̯eg̑h-slo-), vozъ ‘Wagen’, vožǫ, voziti ‘fahren, führen’; auch aruss. věža ‘Wohnwagen, Turm’.

WP. I 249 f., WH. II 742 f., 744, Trautmann 356 f., Vasmer 1, 178 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal