Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

waar - (op welke plaats)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

waar 3 vragend en betrekkelijk bw. ‘op welke plaats’
Onl. wār ‘waar’ in Sage mir, ... war thu rowes umbe middendach ‘zeg me waar je 's middags rust’, nu saga uns, wara her gefaran si ‘zeg ons nu waar hij heengegaan mag zijn’ [beide ca. 1100; Will.]; mnl. waer in war so het si in destat ‘waar het ook maar in de stad mag zijn’ [1237; VMNW], ‘waarheen’ [1240; Bern.], wars mi mine cracht Van wilen eer ‘waar is mijn kracht van weleer?’ [1265-70; VMNW].
Os. hwār (mnd. wār); ohd. hwār, wār, (nhd. wo); ofri. hwēr (nfri. wêr); oe. hwǣr (ne. where); < pgm. *hwēr ‘waar’.
Daarnaast met korte klinker: os. hvar; ohd. (h)war; on. hvar (nzw. var); got. hwar; < pgm. *hwar ‘waar’. Zie ook → hier, → daar en → ergens.
Ontwikkeld uit resp. pie. *kwēr en *kwor, met locatiefuitgang afgeleid van de vragende voornaamwoordstam *kwe-, *kwi-, *kwo-, zie → hoe. Andere afleidingen met -r zijn: Latijn cūr ‘waarom’ (Vroeglatijn quōr) < pie. *kwōr; Sanskrit kár-hi ‘wanneer’ < pie. *kwor; Albanees kur ‘id.’, Litouws kur̃ ‘waar’ < pie. *kwur.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

waar3* [op welke plaats] {ware, waar [waar] 1237} oudsaksisch hwar, oudfries hwēr, oudengels hwær, oudhoogduits (h)wara [waarheen], oudsaksisch, gotisch hwar, oudnoors hvar [waar]; buiten het germ. latijn cur, albaans kur [waarom], litouws kur [waar], oudindisch kutra [waar]; van dezelfde i.-e. stam als wie.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

waar 3 bijw., mnl. waer, wāre ‘waar, waarheen?’ vgl. os. hwār, ohd. hwār, wār (ook , nhd. wo), ofri. hwēr, oe. hwær (ne. where) en ook ohd. wara ‘waarheen’ zowel als os. hwǎr, on. hvǎr, got. hwăr ‘waar’. — lat. cūr (< *quōr) ‘waarom?’, oi. kar-hi ‘wanneer’, lit. kur̃ ‘waar’, alb. kur ‘waarom’. — Afl. van idg. *ku̯ě: ku̯ŏ, waarvoor zie: wie. — Zie ook: daar en ergens.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

waar III bijw., mnl. waer, wāre “waar, waarheen?ˮ. Deels = ohd. (h)wâr (en , nhd. wo), os. hwâr, ofri. hwêr, ags. hwæ̂r (eng. where) “id.ˮ, deels = ohd. wara “waarheen?ˮ (ook in laat-ohd. wara zuo, warumbe, nhd. warum “waaromˮ?). Os. hwar, on. hvar, got. hwar “waar?ˮ = oi. kár in kárhi “wanneer?ˮ. Ohd. wâr enz. veronderstelt een idg. *qêr. Hiernaast qôr in lat. quôr, cûr “waarom?ˮ en wsch. *qu-r in lit. kur͂ “waar?ˮ.Van den germ. vnw.-stam *χwa-, idg. *qo-: zie wie. Vgl. daar en ergens.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

waar 3 bijw. (op welke plaats), Mnl. waer, Os. hwâr + Ohd. wâr en (Mhd. , Nhd. wo), Ags. hwæ'r (Eng. where), Ofri, hwér, On. hvár (Zw. id., De. hvor), Go. hwar: staat tot wie als daar tot die + Skr. kar-hi = wanneer, Lat. cur = waarom.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

woe (bijw.) waar, op welke plaats; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) woe < Duits wo. Ook: boe (bijw.) waar; < Toongers boo.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2waar bw., voegw.
Op watter plek, of in of op watter plek, waarin, waarop.
Uit Ndl. waar (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. as bw. by Pannevis (1880).
D. wo (8ste eeu), Eng. where (ongeveer 825 as bw.).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

waar: waar van, op welke plaats van, op welk punt van (in vragende zin). Waar van de Hogestraat woon je? = Waar woon je in de Hogestraat?

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

waar II: bw. en voegw., op watter plek; waarheen; Ndl. waar (Mnl. waer/wāre), Hd. wo, Eng. where (vgl. Got. en Os. hwar, On. hvar), hou verb. m. Lat. cūr (ouer quor), “waarom”, mntl. ’n ou lokv.

Thematische woordenboeken

Ch.F. Haje (1932), Taalschut, schrijf weer Nederlandsch, Leiden

Waar > daar
In redengevende zinnen heeft het aangewezen voegwoord daar veel te verduren van het verslapping brengende waar. Waar sommige losse ambtenaren reeds geruimen tijd in dienst zijn, hoopt men, dat B. en W. nog een gunstige oplossing voor hen zullen vinden. “Waar tengevolge van de malaise het aantal studeerenden inkrimpt en daarnaast kan worden geconstateerd, dat intellectueelen een meer beperkt nakomelingschap hebben dan handarbeiders, beteekent de bovengeschetste tendenz een vermindering van het kiemplasma, dat juist uit cultureel en rassenhygiënisch oogpunt tot de meest waardevolle elementen behoort”. (Dit staalkaartje van taalgruwelen is van Dr. I. H. J. Vos). Waar ik het groote zelfvertrouwen van Dr. De Vletter mis, kan het niet anders of ik zal over vele dingen anders oordeelen dan de Rector uit Bloemendaal (Dr. D. E. Bosselaar). Waar onze taal duizenden uitdrukkingen en gezegden kent, is het wel niet doenlijk ze alle op te nemen (Dr. F. A. Stoett).
Nog holler dan dat waar als het alleen staat, is zijn verbinding met het aanwijzende bijwoord dáár: Waar Napoleon zelf erkende, dat hem veel gelukt is door het geld, dáár mogen wij alle geloof hechten aan de verzekering van Fouché enz. (H. P. Geerke). “Waar de koeien nog geen stemrecht hebben, dáár kunnen zij niet den doorslag geven”, zeide Mr. Th. Heemskerk eens oolijk op een Deputatenvergadering. Waar men smalend over de confessioneele scholen als sectescholen gesproken heeft, dáár is ter bestrijding van een leer, die naar hun inzicht het volk ongezond maakt, de oprichting van vrijzinnige sectescholen een noodzakelijkheid geworden. (Prof. Krabbe).
Het eenvoudige daar zegt hetzelfde als die gezwollen correlatie waar - daar en zegt het veel bondiger.
Men verwarre het onrechtmatige redengevende waar niet met het rechtmatige voegwoord van omstandigheid en soms ook van tegenstelling waar: “Er zijn er, die op hun twintigste jaar alles hebben verteld, waar anderen de goddelijke gave van het woord eerst op rijperen leeftijd geschonken werd” (Kloos). “Waar De Koo iets op het hart had, kon zijn pen uiterst scherp zijn” (van denzelfde). Waar God met ons is, wie zal dan tegen ons zijn?

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

waar ‘bijwoord van plaats’ -> Petjoh waar ‘bijwoord van plaats’; Javindo waar ‘bijwoord van plaats’; Negerhollands waar, wā, wa ‘bijwoord van plaats’; Skepi-Nederlands war ‘bijwoord van plaats’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

waar* bijwoord van plaats 1237 [CG I1, 30]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal