Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

waar - (koopwaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

waar 1 zn. ‘handelsartikelen, goederen’
Mnl. ware ‘handelsartikelen’ Ende saghen copmanne comen ghevaren. Met kemelen ende met diere waren ‘en zagen kooplieden aan komen rijden met kamelen en kostbare waar’ [1285; VMNW], ook algemener ‘(kostbaar) bezit’ in Hoechout woude wort al verbrant Ende beroeft ... Van menighen goede ende ware ‘Hooghoutwoude werd helemaal verbrand en beroofd van veel kostbare bezittingen’ [1328-50; Rijmkroniek].
Mnd. ware (vanwaar ontleend (in vorm of betekenis) mhd. ware), nhd. Ware; ofri. ware, were (nfri. waar); oe. waru (ne. ware); on. vara (nzw. vara); alle ‘handelsgoed’, < pgm. *warō-.
Herkomst onzeker. Men neemt meestal aan dat *warō- ‘handelsgoed’ hetzelfde woord is als pgm. *warō- ‘opmerkzaamheid, zorg, bescherming’ en dan is ontstaan via een overgangsbetekenis ‘voorwerpen waarvoor men zorg draagt’ (FvW, Verc., Toll., Kluge21, OED, Onions, BDE, Boutkan/Siebinga). Voor deze stam zie verder → waarnemen. Een andere mogelijkheid (Pfeifer, Kluge) is dat pgm. *warō- < *wazō- met een andere ablaut en grammatische wisseling teruggaat op de wortel pie. *ues- ‘verkopen’ (LIV 693), waaruit met achtervoegsel *-no- onder meer Latijn vēnus ‘verkoop’, zie verder → venten.
warenhuis zn. ‘grootwinkelbedrijf’. Nnl. de opening van het Warenhuis Cohn-Donnay te Rotterdam [1904; Leeuwarder Courant], in de Nederlandse glastuinbouw ook wel ‘kas’ (BN ‘serre’) in Het zoogenaamde warenhuis is deze week in gereedheid gebracht om de verschillende gewassen die er in zullen worden geteeld, te ontvangen [1911; Nieuwe Brielsche Courant]. Leenvertaling van Duits Warenhaus ‘grootwinkelbedrijf’ [eind 19 eeuw; Kluge21], eerder al ‘pakhuis’ [1787; Kluge21], samenstelling van Waren ‘goederen’ en Haus ‘gebouw’. Ook Engels warehouse [14e eeuw; OED] betekent ‘pakhuis, magazijn’. Vanaf 1904 verschenen er al snel in vele Nederlandse steden warenhuizen. Kenmerkend was de grootschaligheid van deze winkels. In diezelfde periode begonnen tuinders, allereerst in het gebied tussen Den Haag en Rotterdam, met het bouwen van manshoge groente- en fruitkassen met een groot grondoppervlak. Deze ging men eveneens warenhuis noemen, naar de vergelijkbare imposantheid van deze nieuwe gebouwen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

waar1* [koopwaar] {ware, waer, warre [bezit, datgene waaraan men waarde hecht, koopwaar, eetwaar] 1285} oudengels waru [oplettendheid], oudnoors vara [handelswaar] (vgl. waren2); de betekenis is dus ‘wat men verzorgt, bewaart’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

waar 1 znw. v. ‘koopmansgoederen’, mnl. wāre ‘bezit, goed’, mnd. wāre (> mhd. ware, nhd. ware), ofri. ware, were, weir, oe. waru (ne. ware), on. vara ‘koopwaar’. Een homoniem is ohd. wara, ohd. waru ‘achtzaamheid’, ofri. ware ‘het bezitten, bezitting’. Dat het on. ook de bet. ‘achtzaamheid’ had, blijkt uit het finse leenwoord varo, varu ‘voorzichtigheid, achtzaamheid’ (afl. in het on. zijn varningr ‘bezitting, koopwaar’ en varnaðr ‘waarschuwing, bescherming’).

Men heeft beide woorden als hetzelfde willen verklaren en dan de bet. ‘koopwaar’ willen afleiden uit ‘wat men onder zijn hoede heeft’, wat in het gebied der Hanse zou zijn gebeurd (Kluge-Mitzka 840). Daarentegen heeft Persson UUÅ 1891, 61 beide woorden gescheiden en vara ‘handelswaar’ met de groep van waard 4 verbonden, dus ‘zaak die waarde heeft’. Dat is niet waarschijnlijk. Men zal deze woorden eerder moeten verklaren uit de kring van de dinggemeenschap en dan moeten verbinden met mnl. ware, were, zie daarvoor: weer 4. Ook hier ligt ten grondslag het begrip van ‘omheining’ > ‘omheinde ruimte’ > ‘dinggemeenschap’ > ‘activiteiten binnen deze gemeenschap’. — Af te wijzen is de verklaring van Wadstein ZfdPh 28, 1896, 529 uit een idg. *u̯er ‘wol, schaap’, vgl. oi. urabhra- m. ‘ram’, urā v. ‘schaap’, lat. vervex ‘hamel’, gr. arḗn ‘schaap, ram’ van de wt. *u̯er ‘bedekken’, waarvoor zie oi. -vṛṇoti ‘bedekt, sluit’, lat. operio ‘bedek’, aperio ‘open’, lit. ùžveriu ‘sluiten’ (IEW 1160).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

waar II znw., mnl. wāre v. = mnd. wāre (laat-mhd. war, nhd. ware), ofri. ware (were, weir “waarˮ < *warjô-; zie bij waarborg), ags. waru (eng. ware), on. vara v. “koopwaarˮ. Met de oudere bet. “wat men onder zijn berusting heeftˮ = ofri. ware (were) v. “het bezitten, bezittingˮ = waar- in waarnemen en waarborg: voor de bet. vgl. on. varnaðr m. “het zorgen voor, verantwoordelijk zijn voorˮ en “wat men bij zich heeft, bezitˮ, varningr m. in de laatstgenoemde bet. en = “koopwaarˮ. Mogelijk, maar niet wsch., is ook de combinatie van waar met de grondbet. “pelswerk, vacht, wollen stofˮ (on. vara “waarˮ wordt speciaal in dgl. bet. gebruikt) met ier. ferb “koeˮ, lat. vervêx, -îx “hamelˮ, gr. eĩros“ wolˮ, arēn, gortynisch Ϝarḗn schaap“, arm. gaṙn “lamˮ, oi. úrâ- “schaapˮ.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

waar 1 v. (koopwaar), Mnl. ware + Ags. waru (Eng. ware), On. vara (Zw. id., De. vare): bij waarnemen met de bet. wat men in depot heeft. Hgd. waare komt uit het Ndd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3waar s.nw. (gewoonlik in die mv. ware)
Handelsartikel.
Uit Ndl. waar (al Mnl.).
D. Ware (13de eeu), Eng. ware (ongeveer 1000).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ware I: – waar – , gew. mv., goedere, koopwaar/koopware; Ndl. waar (Mnl. ware), Hd. ware, Eng. ware, verb. hoërop omstrede.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

Dichtung und Wahrheit (Duits Dichtung und Wahrheit)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Waar (koopwaar), misschien verwant met waard, waarde (z. d. w.) en bet. dan: zaak van waarde; zoo had het Mnl. een woord: pennewaert, penneware en pennewerde, eig. waarde van een penning, en daaruit: klein koopmansgoed, kleine waar; het w.w. pennewerden bet.: in het klein verkoopen b.v.: koren „dat in ’t gros vercoft wert 6 stuvers (belasting), en alst gepennewert wert van de tonne 1 st.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

waar ‘koopwaar, goed van bepaalde waarde’ -> Fries waar ‘koopwaar, handelswaar’; Engels ware ‘koopwaar, handelswaar’; Duits Ware ‘koopwaar, handelswaar’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens vare ‘koopwaar, goed van bepaalde waarde’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds vara ‘koopwaar, handelswaar’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins vara ‘koopwaar, goed van bepaalde waarde’ <via Zweeds>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

waar* koopwaar 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ko-, ke-, fem. kā; kei- die betonten Formen sind Interrogativa, die unbetonten Indefinita, (vermutlich einst nur im Nom. Akk. Sg.); ku- (nur im Adv.); einzelsprachlich z. T. Relativum geworden

1. Stamm ko-, ke-, fem. kā-; Gen. keso, Instr. kī, Zeitadverb kom.
A. Kasuelle Formen und nur einzelsprachlich belegbare Ableitungen:
Ai. ká-ḥ (= phryg. κος ‘irgendeiner’, got. ƕas ‘wer?’), fem. ‘wer?’ und indefinit; idg. kos wohl der alte Nom. Sg. m.;
av. (Gen. gthav. ka-hyā, ča-hyā), fem. ‘wer?, welcher?’, apers. kaš[-čiy], als Indef. mit -čī̆t̰, oder in Doppelsetzung, oder in neg. oder rel. Sätzen; av. ‘wie?’; apers. ada-kaiy ‘damals’ = gr. ποι bei Pindar ‘ποῦ’ gesetzt;
arm. о ‘wer?’ (*ko-, Meillet Esquisse2 189), indef. o-k’ ‘irgendwer’ (-k’ = lat. que), o-mn ‘wer’ (relativ o-r ‘welcher’); k’ani ‘wieviel’, k’an ‘als, nach dem Komparativ’ (= lat. quam), k’anak ‘quantita’ u. dgl.; lat. quantus ‘wie groß’, umbr. panta ‘quanta’ ist von quām mit Formans-to- abgeleitet;
gr. Gen. Sg. hom. τέο, att. τοῦ ‘wessen?’ (= abg. ceso, ahd. hwes; idg. *kes(j)o); Dat. Sg. f. dor. πᾳ̃, att. πῃ̃, ion. κῃ̃ (*kā-) ‘wohin?, wozu?, wie?’; Instr. f. ion. att. πῆ ‘wohin’; Instr. Sg. m. n. kret. ὀ-πῆ ‘wo, wohin’, dor. πή-ποκα, πώ-ποκα, att. πώ-ποτε ‘je einmal, noch je’, πω, ion. κω ‘(*über einen Zeitraum hin, irgendwann =) noch’ und modal ‘irgendwie’ in οὔ πω ‘noch nicht’ und ‘nicnt irgendwie, keinesfalls’ (vgl. got. ƕē sowie lat. quō ‘wohin’, wenn nicht Ablativ); πῶς, ion. κῶς ‘wie’; ποδαπός ‘von woher stammend’ (neutr. *kod + Formans -ŋ̣ko-, vgl.ἀλλοδ-απός oben S. 25 unter *alios ‘anderer’); att. usw. ποῖ ‘wohin’, dor. πεῖ ‘wo’ (Lok.); att. ποῦ, ion. κοῦ ‘wo’ (Gen.); πόθεν ‘von wo?’; hom. πόθι, ion. κόθι ‘wo’; πότε ‘wann?’ (dor. πόκα ‘wann’, vgl. Schwyzer Gr. Gr. 1, 629), ποτέ, lesb. πότα, ion. κοτέ ‘irgendeinmal, einst’, wozu auch ποτέ nach Interrogativen, z. B. τί ποτε ‘was dann’ und - mit erst gr. Red. - τίπτε ds. (s. dazu unter poti-s), πόσε ‘wohin’ (-σε aus -τε) = got. ƕaþ, ƕad ‘wohin’; kret. τεῖον· ποῖον Hes., att. ποῖος ‘qualis’ aus *ko- + oiu̯o- = ai. ḗva- ‘Art und Weise’, ahd. ēwa, vgl. got. laiwa ‘wie?’, s. unter ei- ‘gehen’; zum Wechsel von π- (: ion. κ-): τ- s. Schwyzer Gr. Gr. 1, 293 f.
alb. kë ‘wen?’ (*ko-m), se ‘was?’ (Abl. *kōd mit analogischer Palatalisierung?), si ‘wie?’ (*kei?);
lat. quī (alat. quoi aus *ko + Demonstr. ), quae, quod Rel. und Indefinitum, osk. pui, paí, púd ‘qui, quae, quod’, umbr. po-i, -e, -ei ‘quī’, puře, porse ‘quod’, lat. cuius, cui, quō, quā usw., umbr. pusme ‘cui’; Adv. lat. quō ‘wohin’ (Abl.) = umbr. pu-e ‘quō’ (u = ō, das vor Enklitika nicht verkürzt ist); lat. quam ‘wie, als’ (Akk. Sg. f.) = umbr. [pre-]pa ‘[prius-]quam’, osk. pruter pam ds. (av. kąm-čit̰ ‘in irgendeiner, jeder Weise’, alat. quam-de = umbr. pane, osk. pan ‘quam’; lat. quantus s. oben;
lat. quom, cum ‘wenn, als; so oft als’ (Akk. Sg. n. wie primum usw = av. kǝm ‘wie’, got. ƕan ‘wann’, apr. kan, lit. (dial.) ką ‘wenn’; aksl. ko-gda aus *ko-g(o)da, Meillet Slave commun2 470;
mit -de erweitert umbr. pon(n)e, osk. pún ‘quom’; lat. quandō ‘wann’ (*quām Akk. der Zeiterstreckung + ), umbr. panu-pei ‘quandōque’, mnd. wante ‘bis’; lat. quantus, umbr. panta ‘quanta’ (S. 644);
air. nech, adj. (proklit.) nach ‘aliquis; ullus, quisquam’, cymr. corn. bret. nep (*ne-ko-s, mit Verblassen der Negation in neg. Sätzen mit wiederholte Negation, ebenso lit. kaz-ne-kàs ‘etwas’, kadà-ne-kadà ‘zuweilen’, abg. někъto ‘jemand’); air. cāch, verbunden cach, mcymr. pawp, verbunden pop, corn. pup, pop, pep, bret. pep ‘jeder’ (*kā- oder kō-ko-s; zu abg. kakъ ‘welcher?’), ir. cech ‘jeder’ (das e nach nech); air. can, mcymr. pan (*kanā), mbret. ре-ban ‘woher?’; air. cuin ‘wann?’, mcymr. usw. pan, pann ‘als, wenn’ (*kani?), air. ca-ni, mcymr.po-ny ‘nonne’ (*kā-);
got. ƕas (*ko-s) ‘wer?’ und indefinit (Gen. ƕis, ahd. hwes = abg. ceso, gr. τέο), aschwed. hvar, har, adän. hvā, ags. hwā ‘wer’, mit dem e des Gen. as. hwē, ahd. hwer (*ke-s) ‘wer’; neutr. got. ƕa (*ko-d), ahd. hwaz, an. hvat, ags. hwæt, as. hwat ‘was’; fem. got. ƕō ‘wer? welche?’ : got. ƕan ‘wann, wie’, as. hwan, ahd. hwanne ‘wann’ (näherer Vergleich mit air. can ‘woher’ ist wegen der Bed. fraglich), as. hwanda ‘weil’, ahd. hwanta ‘warum’; got. ƕē ‘womit?’ (Instr.); afries. , as. hwō, ahd. hwuō ‘wie’ zu lat. quō ‘wohin’ (Ablat.), gr. πω, κω ‘irgendwie’;
lit. kàs ‘wer?, was?’ auch indefinit, fem. kà, apr. kas m., ka n. ‘wer?’, kas f. quai, quoi, n. ka (Akk. auch kan, kai) ‘welcher, -e, -es’; lit. kad ‘wenn, daß, damit’ (Konjunktion wie lat. quod, aus dem fragenden Gebrauch, vgl. ai. kad, av. kat̰ adv. Fragewort ‘nun, ob?’); lit. kaĩ, kaĩ-p, apr. kāi-gi ‘wie?’ (= abg. cě; aber über gr. καί s. unter *kai ‘und’);
abg. kъ-to ‘wer?’ (Gen. česo), kyjь, f. kaja, n. koje ‘qui, ποῖος?’, cě ‘καίτοι, καίπερ, εἴπερ’ (s. oben).
B. Ableitungen, die sich durch mehrere Sprachen verfolgen lassen: ko-tero- ‘wer von zweien?’; kā-li- ‘wie?’; ko-ti-, ke-ti- ‘wie viele?’.
Ai. katará-, av. katāra- ‘wer von zweien’, gr. πότερος, ion. κότερος ds., osk. Lok. pútereí-píd ‘in utroque’, umbr. podruh-pei adv. ‘utroque’, putres-pe ‘utriusque’, got. ƕaþar, aisl. hvārr, ags. hwæþer ‘wer von beiden’ (ahd. hwedar, nhd. noch in weder, mit e, wie hwer ‘wer’ : got. ƕas), lit. katràs ‘welcher von beiden, welcher?’, abg. koteryjь, kotoryjь ‘welcher’ Komparativbildung (Beschränkung auf die Wahl zwischen zwei Gegensätzen); superlativisch ai. katamá- ‘welcher von mehreren’; vgl. vom Stamm ku- : lat. uter.
Ai. kadā, av. kaδa ‘wann?’; aber lit. kadà ‘wann?’ aus *kadā̀n; zum Ausgang siehe oben S. 181 ff. (auch für abg. kǫdǫ, kǫdě ‘woher’, lat. quan-do).
Gr. πηλί-κος ‘wie groß? wie alt?’, lat. quālis ‘wie beschaffen’, lit. kõlei, kõl’ ‘wie lange’; vom St. ko- aus: abg. kolikъ ‘wie groß’, kolь ‘quantum’ (Trautmann 111).
Ai. káti ‘wie viele’ = hitt. kuwatta, lat. quot ds. (vom apokopierten quot aus: quotus ‘der wievielte’), ai. kati-thá- ‘der wievielte’ = lat. *quotitei (Lok. m.) diē > cottī-diē ‘amwievielten Tage auch immer, täglich’; gr. lesb. πόσσος (hom. ποσσῆμαρ), att. πόσος, ion. κόσος ‘wie groß’ (*koti-os; πόστος ‘der wievielte’ aus *ποσσοστός; daneben mit idg. e av. čaiti ‘wie viele’, bret. pet in pet dez ‘wieviel Tage’, petguez ‘quotiēns’.
Ai. kár-hi ‘wann?’ = got. ƕar, aisl. hvar (*kor) ‘wo?’ und relativ (davon got. ƕarjis, aisl. hverr ‘welcher’, eig. ‘wo er’, wie aus lit. kur̃ [*kū̆r] ‘wo’ + jìs ‘er’ das lit. Rel. kurìs, kur̃s ‘welcher’ erwuchs); ē-stufig ags. hwǣr, ahd. as. hwār ‘wo’; ō-stufig lat. cūr ‘warum, weshalb’, alt quōr.
Eine Parallelbildung zu lat. quis in alat. quir-quir ‘ubicunque’.
2. Stamm kei-, gleiche Form für Maskul., Neutr. und Femin.:
Ai. kím ‘was? was’, kíḥ ‘wer?’, ná-ki-ḥ ‘niemand’ (mit k statt c; letzteres lautgesetzlich in:) ai. cit (cid), av. cit̰, apers. čiy ‘sogar, jedenfalls’ (ursprüngl. Nom. Sg. n. *ki-d; s. auch unter ke ‘und’); av. čiš ‘wer’, čišca = lat. quisque, gr. τίς τε, apers. čiš-čiy ds.; av. čī ‘wie’ (Instr.);
arm. in in-č ‘etwas’ (= ai. kimcid), das auch im ersten Glied hierher, mit Abfall des k- wie i (z-i) ‘was?’ (*kid-), Instr. i-v ‘wodurch, womit’, (s. auch oben zu arm. о ‘wer’); zum Alb. s. oben unter 1;
gr. τίς (*kis) m. f. (thess. κίς, ark. kypr. σίς), n. τί (*kid) ‘wer? welcher, -e, -es?’ und τὶς, τὶ ‘(irgend) wer, was’, Akk. m. *τιν (*kim) erw. zu τίνα, wonach τίνος, τίνι, Pl. n. *ki̯ǝ in megar. σά μάν ‘wieso?’ τὶ μην; böot. τά ‘warum’ = lat. quia; auch in ion. ἄσσα, att. ἄττα, ‘τινὰ Nom. Pl.’ (durch falsche Trennung aus ὁποῖά σσα) und mit dem relativen ἅ verbunden ἅσσα, att. ἅττα;
lat. quis, quid ‘wer, was’ (fragend, indefinit, relativ), quī Adv. ‘wodurch, wovon (rel.); wie denn, warum (frag.); irgendwie (in Wunschformeln)’ (könnte Abl. *kīd sein, aber doch wohl auf Grund eines Instr. *ki = av. čī, sloven. či ‘wenn’, čech. či ‘ob’, ags. usw. hwī ‘wie, wozu, warum’); quī-n (aus -ne) ‘wie nicht; daß nicht, ohne’, quia-nam ‘warum’, quia ‘daß, weil’ (Akk. Pl. *k) s. oben;
osk. pis, píd ‘quis, quid’ (fragend, indefinit, unbestimmt-relativ), umbr. sve-pis ‘sī quis’, pis-i ‘quis, quisquis’; gedoppelt osk. pispis, lat. quisquis, argiv. τίστις in verallgemeinernd indef. Sinne;
air. cid ‘was?’ mit dem i von c-id ‘obwohl es sei’; ursprüngl. wie das adj. ced aus *ce ed;
air. cia ‘wer’, cymr. pwy, corn. pyw, bret. piou ‘wer’ (*kei); verbunden cymr. py, pa, p- usw. (air. cote, cate ‘was ist’, ‘wo ist’ ist unklar);
got. ƕi-leiks, ags. hwilc ‘wie beschaffen’; ags. hwī, as. hwī, hwiu, aisl. hvī ‘wie, wozu, warum’ (kī Instr.);
abg. čь-to ‘was’; Instr. kī (s. oben) in sloven. či ‘wenn; auch Fragepartikel’, čech. či ‘ob’, poln. czy ‘ob’, russ. alt či ‘wenn’, abg. či-mь Instr. daraus erweitert;
über toch. A kus, В kuse ‘welcher’ s. Pedersen Toch. 121;
hitt. Frage- und Relativpron. kuiš ‘wer, welcher’, verallgemeinernd kuiš kuiš usw. (= lat. quisquis) ‘wer immer’, Indefinitum kuiš-ki (= lat. quisque) ‘irgend jemand’, n. kuit-ki (= lat. quidque); lyk. ti-ke (= hit kuiš-ki); s. P. Tedesco Lang. 21, 128 ff., A. Hahn Lang. 22, 68 ff.
3. Stamm ku-:
Ai. kū́, av. ‘wo?’, ved. kuv-íd ‘ob, etwa’, av. čū ‘wie, in welchem Maße?’ (č- nach čī ‘wie?’); ai. kúva, kvá ‘wo, wohin’; ai. kútra, av. kuθra ‘wo? wohin?’; ai. kútaḥ ‘woher’; ai. kúha = gathav. kudā ‘wo’ (= abg. kъde; idg. *ku-dhe; s. unten lat. ubi); av. kuθa ‘wie’; hierher auch ar. ku als 1. Zsglied zum Ausdruck des Schlechten, Mangelhaften (eig. ‘was für ein...!’), z. B. ai. ku-putra- ‘schlechter Sohn’, av. ku-nāiri ‘Hure’, vgl. böot. πούλιμος ‘Heißhunger’ (*πυ-), aböot. Πυλιμιάδᾱς, auch von den Stämmen ko- und ki-: ai. ka-, kā-, kad-, kim-, z. B. kā-puruṣa- ‘Wicht’, ka-pūya- ‘übelriechend’, kiṃ-puruṣa- ‘Kobold, Zwerg’ (W. Schulze Kl. Schr. 399 f.);
kret. ὄ-πυι ‘wohin’, syrak. πῦς (*πυι-ς), rhod. ὅπῡς ‘wohin’ (*πυι neugebildet zu ποῖ);
alb. kur ‘als, wann’ (s. unter 1. В bei den r-Bildungen = lit. kur̃, arm. ur), kurrë ‘je’ (*kur-nei), ku ‘wo’, ku-sh ‘wer’, kü-sh ‘wie’ (ü aus idg. ū);
lat. ubī̆ ‘wo’ (dazu unde gebildet nach ibi : inde), woneben inlaut. -cubī in nē-cubi, sī-cubi, ali-cubi, nesciō-cubi, nun-cubi (nē-cunde usw.); es ist das durch die Stämme lat. quo-, quā, quī vor der Entlabialisierung durch u bewahrte q- vor u zu qw- geworden und qwu- hat anl. wu-, u- ergeben, während in *nē-qwubi usw. infolge der Silbentrennung nēq-wubī der Gutt. erhalten blieb; ist ubī̆ nach Lok. auf (*ei, *oi) aus *ubĕ = ai. kúha, av. kudā, abg. kъde umgebildet = osk. puf ‘ubi’ (umbr. erweitert zu pufe ‘ubi’)?; nach Pedersen Hitt. 50 f. enthalten ubi, ibivielmehr die idg. Adverbialendung -bhi (gr. -φι), vgl. hitt. ku-wa-pi (kwabi) ‘wo, wann?’; entsprechend lat. ut ‘wie, damit, daß’ (uti-nam, -que) und utī, alat. utei (Umbildung wie in ubī) aus *ku-ti (us-piam, -quam ‘irgendwo’ aus ut + adv. s = osk. puz, umbr. puz-e aus *kut-s-), uter, utra, -um ‘welcher von beiden’ aus *ku-teros (parallel mit πότερος usw.), unquam, umquam ‘irgendeinmal’ (kum- temporaler Akk.); ob umbr. pu-e (-o Part.) ‘wo’ = ai. ist oder *kō, ist fraglich;
mcymr. cw, cwd (= ð), cwt (= d) ‘wo, wohin’ (*ku-) = air. со ‘wie?’;
got. -hun zur Bildung unbestimmter Pronomina: ni ains-hun ‘nicht irgendeiner’, usw.; ags. ‘wie’, engl. how, afries. , mnd. ;
lit. kur̃ ‘wo’ (s. oben 1. B); auch lit. dial. kũ ‘was?’ aus *kun? apr. quei ‘wo’ aus *ku-ei und wohl der Ausgangspunkt des qu- statt k- im fem. Nom. quai, quoi usw.;

WP. I 514 ff., WH. I 313, II 397 f., 404 ff., 408 f., 410 ff., Trautmann 110 f., 120 f., 133, 134, Meillet Slave commun2 442 ff., 469, Schwyzer Gr. Gr. 1, 293 f., 615 ff., Wackernagel-Debrunner 3, 558 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal