Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

waal - (poel, kolk)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2014-), etymologische artikelen, gepubliceerd op Neerlandistiek.nl

Addenda EWN: waal en wiel

waal zn. v. en wiel zn. ‘kolk door dijkdoorbraak ontstaan’
Het Nederlands kent twee woorden met dezelfde betekenis.
(1) Onl. Vual, mv. Vuala ‘afgrond’ (10e e., Wachtendonckse Psalmen), Mnl. wael en wale (meestal m.) ’poel, plas, kolk’. Vanaf de 13e eeuw werd waal uit de standaardtaal verdrongen door wiel. Vroegnieuwned. waal wordt in Westnl. dialecten gevonden (Vlaanderen, Zeeland, Zuid-Holland), en leeft nog in Wvla. waleput ‘kolk’ voort.
(2) Wiel, weel mogelijk voor het eerst in de naam Gerardus de Wildreht (1187, bij Dordrecht). Mnl. wiel wordt gevonden in teksten uit Holland (vanaf 1284), Vlaanderen en Brabant. Voor Kiliaan (1599) is wiel het gebruikelijke woord, wael een “verouderde Hollands” woord. De ee-variant komt het eerst voor in de naam van Oosterweel bij Antwerpen: Otserwele (1210, kopie midden 14e eeuw), Oucerwela (1225), van outserweele (1248–1271). Weele is de vorm in moderne Zeeuwse en Westvlaamse dialecten, met betekenissen als ‘kolk na dijkdoorbraak’ en ‘zeegeul’. De moderne familienamen bevestigen grofweg de gevonden geografische verdeling: ie komt voor van Holland tot Vlaanderen en in Noord-Brabant (Aan de Wiel, Verwiel, van de(r) Wiel(e)), terwijl ee thuishoort in zuidelijk Zuid-Holland en Zeeland (Verweel, van der Weel(e), Overweel). Ook in het Noordhollands komt weel voor (vanaf de 16e eeuw), maar een Nhol. ee kan ook met een Ned. aa overeenkomen.
Verwante vormen zijn Oudfries wēl, Modern Fries wiel, Oudengels wœ̄l ‘draaikolk, poel’ uit Wgm. *wēla- (m.). Dat is een afleiding met de betekenis ‘kolk’ of ‘bron’ bij het werkwoord *wal(l)ōn- ‘rollen’ (waaruit Ned. ‘draaien’) of bij *wellan- ‘koken, opborrelen’ (Ned. wellen).
De vorm waal zet de te verwachten Nederlandse uitkomst aa voort van de Wgm. klinker . Westnederlands wiel en weel hebben een klinker die teruggaat op de Oudfriese ē. Wiel is daarmee een van de Kustnederlandse woorden die uit het vroegmiddeleeuwse (voorstadium van) Fries van de kustbewoners werd ontleend in het Frankisch van Vlaanderen, Zeeland en Holland.
[Michiel de Vaan, gepubliceerd op 21-08-2014]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

waal1* [poel, kolk] {oudnederlands wāl 901-1000, middelnederlands wale, wael} oudengels wael; vermoedelijk van wiel2 en verwant met wellen1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

waal znw. v. ‘diepe waterkolk door dijkdoorbraak ontstaan; met palen omgeven ruimte als veilige ligplaats voor schepen’, Kiliaen wael ‘gurges’ (Holl. vetus), mnl. wael, waele ‘poel, plas, kolk; doorbraak in een dijk, kuil in een weg’, onfrank. wal ‘abyssus’, os. wæl m. o. ‘draaikolk, poel; zee’. — Afl. van walen.

Daarnaast staan de vormen wiel (Hollands-Fries), die ook algemeen nl. geworden is en weel (vla. zeeuws, noordholl.), vgl. daarvoor M. Schönfeld, Waternamen 1955, 233. — Beide vormen hebben ‘inguaeoons’ vocalisme; vgl. ofri. wiel ‘waterpoel, draaikolk’ (ook mnl. ‘draaikolk; poel, snel stromend water; gat door dijkdoorbraak’. — De beide vormen waal en weel zijn door nl. kolonisten naar het gebied ten O. van de Elbe overgebracht, vgl. Teuchert Sprachreste 180-1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

waal (met palen omgeven ligplaats in een zeehaven), volgens Winschooten (1681) speciaal Amsterdamsch, niet bij Kil. Oorsprong onbekend. Identiteit met Kil. wael “gurgesˮ (“Holl. vet.ˮ), mnl. ook = “gat in een weg of dijk, kuilˮ, oud-nnl. (N.Holl.) weel “id.ˮ, wsch. = onfr. wâl “abissusˮ (bij wellen; of moet wegens west-N.Brab. wêêl “kolkˮ voor wael fri. â < ai aangenomen worden? Mnl. wiel m. “gat in een dijk, kolk, poelˮ, nog dial., vertoont nog weer ander vocalisme), is niet wsch. te maken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

waal. Wegens de nogal uiteenlopende dial. bett. van het aan Kil. wael ‘gurges’ beantwoordende woord (o.a. = ‘afgesloten water’) is identiteit hiermee zeer wel mogelijk. Soortgelijke bett. heeft mnl. nnl. dial. (veelal onz.) wiel, dat hetzelfde woord kan zijn met ingw. ê = fri. wiel ‘waterpoel, draaikolk’ (voor het ie-vocalisme vgl. vooral hiel Suppl. ) = onfr. wâl ‘abissus’, ags. wæ̂l m. o. ‘draaikolk, poel; zee’; hierbij ook mnl. wielen ‘koken, gloeien’. Wsch. dus de hele groep bij wellen en Kil. wael niet met ingw. â < ai.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

waal 1 v. (kolk, poel, rivierarm, binnenhaven), dial. weel, wiel, Mnl. wael, wal, Onfra. wâl + Ags. wæ'l (Eng. weel): oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

wele (DB), zn. v., scherpl. e: weel, geul in de zee. Ingw. var. van waal; zie waleput.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

waal 'diepe ronde plas, gat ontstaan bij dijkdoorbraak'
Onl. wal 'abyssus', mnl. wael, wale 'poel, kolk, doorbraak', bij het werkwoord walen 'draaien' met de betekenis 'diepe ronde plas, gat ontstaan bij dijkdoorbraak'. Hetzelfde woord als weel (in Zeeland, de westkant van Noord-Brabant, Zuid-Holland en Noord-Holland) en wiel, vergelijk ofri. wiel 'waterpoel, draaikolk'. Deze laatste, oorspronkelijk Hollands-Friese vorm, heeft in het algemeen Nederlands waal teruggedrongen1.
Lit. 1WNT sv Waal I, Schönfeld 1955 233-34.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

waal ‘poel, kolk’ -> Duits dialect Waal ‘dorpsvijver, dorpsplas’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

waal* poel, kolk 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

u̯el-7, u̯elǝ-, u̯lē- ‘drehen, winden, wälzen’, erweitert u̯el(e)u-, u̯l̥-ne-u-, u̯(e)lei- (diese auch ‘umwinden, einwickeln = einhüllen’), el-no-s ‘Nagel, Pfahl’, u̯eli-kā ‘Weide’, u̯elu-tro-m ‘Hülle’, u̯l(o)i-skā ‘Rute’, u̯olo-s ‘rund’, u̯olū̆-men-, u̯olu-tlo-/-tlā ‘Drehung’

A. Ai. válati, -te ‘wendet sich, dreht sich’ (?), Kaus. vā̆layati ‘macht sich wenden, rollen’, valanam ‘das sich Wenden, sich Biegen, Wallen, Wogen’, valá- m. ‘Bedeckung, Höhle’ (oder zu *u̯er-?), vala-, valaka- m. etwa ‘(runder) Balken, Stange’, dehnstufig cakra-vāla- n. ‘Reif, Ring, Kreis, Menge’, āla-vāla- n. ‘Vertiefung um die Wurzel eines Baumes’ (vgl. Mayrhofer 1, 79 f.), wohl auchvāra- m. ‘(*Wendung) Reihe, Folge, mal, Wochentag’ = npers. bār ‘mal’;
aus u̯ḹ-mi-: ai. ūrmí- m. f. ‘Woge, Welle’, av. varǝmiš ds.
von der u-Basis: ai. vr̥ṇóti, ūrṇóti ‘umhüllt, bedeckt, umschließt, umringt, hemmt, wehrt’, av. vǝrǝnavaiti ‘bedeckt hüllend’ (enthalten z. T. idg. *u̯er-5), das av. Wort auch ‘wendet (sich)’ wie ai. válati; vgl. S. 1160;
ai. varútra- (= gr. ἔλυτρον) n. ‘Überwurf, d. i. was man umlegt’ (unbelegt, úlva-, úlba- m. n. ‘Hülle des Embryo, Gebärmutter’ (vgl. lat. volva);
von der i-Basis: ai. valaya- m. n. ‘Kreis, runde Einfassung, Armband’, valitá- ‘gewendet, gebogen’, valli-, vallī ‘Rankengewächs, Schlingpflanze’, vallari-, vallarī f. ‘Ranke, Rankengewächs’;
arm. gelum (Aor. geli) ‘drehen, umdrehen, winden’, Med. ‘sich drehen, winden’ (das Präs. zur u-Basis, vgl. thematisch lat. volvo), gelumn ‘Drehung, Umwindung’ (= lat. volūmen, εἴλῡμα?), glem ‘rolle, werfe nieder’ (*gilem aus *u̯ēl- oder *gulem aus *u̯ōl-), gil (*u̯ēl-) ‘runder Wurfstein’ (vgl. gr. ὅλμος, russ. valún ‘runder Kieselstein’), vermutlich lamb (-i, -iv) ‘Ring, Kreis’ aus *u̯l̥-m-bhi- (auf Grund des n-St., vgl. lit. vilnìs, aksl. vlъna, ahd. wëlla);
gr. εἰλέω ‘drehe, winde’ (*ϝελ-ν-έω), ἴλλω ds. (wohl *ϝί-ϝλ-ω, dazu ἰλλάς ‘Strick, Seil’, ἰλλός ‘schielend’, böot. ϝίλλων, ἴλλαι· συστροφαί, δεσμοί Hes.), att. εἴλλω ds. (*ἐ-ϝέλι̯ω); von äol. ἐλλέω (*ϝελνέω): ἐλλεδανός ‘Seil, mit dem die Garben zusammengebunden werden’), εἶλιγξ undεἴλιγγος ‘Wirbel, Drehen, Schwindel’ (nach εἰλέω), ἕλμις, Pl. ἕλμεις, ἕλμιγγες, ἕλμινθες f. ‘Eingeweidewurm’, εὐλή ‘Wurm’ (*ἐ-ϝλ-ᾱ), ὑάλη· σκώληξ Hes. (d. i. ϝάλη), ἑλένη ‘geflochtener Korb’, ὅλμος ‘Walzstein, zylinderförmiger Mörser’, hom. οὖλος ‘kraus, wollig’ (*ϝόλνος), redupl.ἴουλος ‘Milchhaar, Korngarbe, ein Insekt’, οὖλος ‘Garbe’, οὖλον ‘Zahnfleisch’ (als ‘wulstig, gerundet’);
von der i-Basis: ἕλινος ‘Weinranke’, ἕλιξ ‘gewunden’, f. ‘Armband u. dgl.’, davon ἑλίσσω, att. ἑλίττω, und (nach εἰλέω) εἰλίσσω ‘wälze’, ablaut. ἀλίνδω, att. ἀλινδέω ‘drehe, wälze’; ἀλίζω ds.; über Ἦλις s. S. 1142;
von der u-Basis: ep. εἰλύω ‘umwinde; umhülle’, Med. ‘sich winden, sich fortschleppen’ (*ϝελνύω, vgl. καταείλυον), vgl. Partiz. εἰλυφόωντες; εἰλῡφάζειν ‘wirbeln, drehen, rollen’ (auf Grund von *ϝελ-νυ-ς); εἰλυός, εἰλυθμός ‘Schlupfwinkel’, εἰλεός (nach εἰλέω) ‘Darmverschlingung, Krampf der Eingeweide, Bauchgrimmen; bestimmte Art des Weinstocks (*Geranke)’; ablaut. *ϝολοϝό- ‘Wirbel, Drehung’ in ὀλ(ο)οί-τροχος ‘im Wirbel laufend’ = ‘Rollstein’; ελυ- in Aor. Pass. ἐλύσθη ‘wurde geschleift, gewälzt’, ἐλυσθείς ‘eingehüllt’, ion. att. ἔλυτρον (Hes. γέλουτρον) ‘Hülle, Behälter’, ἔλυμος ‘Hülle, Futteral’, ἐλύτης ‘Art Backwerk, etwa Brezel’ (daneben εἰλύτας, ἐλλύτας); hom. εἶλαρ n. ‘Schutzwehr’ (*ϝέλϝαρ, mit früher Dissimilation zu *ἔλϝαρ; vgl. ἔλαρ· βοήθεια Hes.; Grundbed. wohl ‘Verhau oder Geflecht aus verschlungenen Ästen’); *ϝλῡ- in πέλλῡτρον ‘um die Füße gewundener Riemen’, Perf. εἴλῡμαι, εἰλῡμένος ‘verhüllt’; sekundäres ῡ in εἴλῡμα ‘Hülle, Gewand’ (lat. volūmen, arm. gelumn);
dazu auch ἑλίκη ‘Weide’, Ἑλικών ‘*Weidenberg, Viminalis’ (ϝελικών des Korinna-Papyrus), wie ags. welig, usw. ‘Weide’, verschieden von idg. *salik- ‘Weide’;
nach Frisk 36, 42, 80 hierher αἰέλουρος m. f. ‘Kater, Katze’ oder ‘Wiesel’, auch αἴλουρος (aus αἰόλος + οὐρά ‘Schwanz’) und αἰόλος ‘schnell beweglich, schillernd, bunt’ aus *(ϝ)αι-ϝόλ-ος; ἅλυσις f. ‘Kette, Fessel’ (*ϝάλυ-τις);
alb. vjel ‘übergebe mich, erbreche’ (*u̯elu̯ō); valë f. ‘Wallen des kochenden Wassers; Welle, Woge’ (*u̯elǝnā);
lat. vola f. ‘Rundung, Höhlung der Hand oder der Fußsohle’ (vgl. aisl. valr ‘rund’, ai. vala- m. ‘Höhle’); von der u-Basis volvō, -ere, , volūtum ‘rollen, kollern, wälzen, drehen, wirbeln’ (*u̯elu̯ō), volūmen ‘Rolle’, involūcrum ‘Hülle, Futteral’, involūcre ‘Serviette’, wohl auch volva, vulva ‘Gebärmutter, Eihaut der Pilze’;
reduktionsstufig vallus ‘Pfahl, Palisade’, wozu als Kollektiv vallum ‘Pfahlwerk, Verschanzung’ [daraus entlehnt as. wal, ags. weall, mhd. wal(l) ‘Wall’]; vallēs, vallis ‘Tal’ (‘*Einbiegung’) = gr. *ϝᾶλις > Ἦλις (*u̯elnis), valvae ‘die Türflügel, Doppeltüre’, valvolae ‘Schoten’ (*u̯elu̯ā);
air. fillid ‘biegt’ (altes n-Präs.), bret. goalenn ‘virga’ (‘*biegsame Rute’); air. félmae (= fĕlmae) ‘saepes’ (vermutlich ‘*Flechtwerk’); ō-stufig mir. fāl m. ‘Zaun, Gehege’, cymr. gwawl ‘murus, vallum’;
unsicher mir. fail, foil (Gen. falach) ‘Ring’ (*u̯elik-, ablaut. mit ἕλιξ?);
aisl. vil Pl., Gen. vilja ‘Eingeweide’, ags. we(o)loc, weolc, uioloc ‘Trompeterschnecke’, ndl. welk, wulk ds. aus germ. *weluka-, wohl zur u-Basis, wie sicher got. walwjan ‘wälzen’, walwisōn ‘sich wälzen’, ags. wielwan ‘wälzen, rollen’ (*walwjan), walwian tr. intr. ‘wälzen, rollen’; aisl. valr ‘rund’, ags. walu f. ‘Strieme nach einem Schlag’ (*u̯olo-, , vgl. lat. vola), mnd. walen ‘drehen, wälzen, rollen’, ahd. wulsta f. ‘Wulst’; got. walus ‘Stab’, aisl. vǫlr ‘runder Stab’, afries. walu-berа ‘Stabträger’, ags. uyrt-wala (‘Wurzelstock’), ahd. wurzala Wurzel; n-Präsens ahd. wellan ‘runden, rollen’, as. bíwellan ‘beflecken’ (‘*im Schmutz herumwälzen’), afries. biwullen Partiz. ‘befleckt’, wozu ahd. wellaWelle’, vgl. mit Formans -mi- (wie ai. ūrmí-, av. varǝmi-) ahd. walm ‘Aufwallen, Sieden, Hitze’, ags. wielm, wylm ‘Woge, Wallung, Sieden’;
mit der Bed. ‘Wellen werfen’ (vgl. ahd. wella usw.), ‘aufwallen’ (von Quellen und bes. von siedendem Wasser, woraus z. T. auch Worte für ‘Dampf, Hitze’ entsprangen) außer ahd. walm, ags. wielm auch aisl. vella, vall ‘sprudeln, sieden, wallen’, ahd. (usw.) wallan, wiel ‘wogen, wallen, aufwallen, sieden, kochen’, Kaus. aisl. vella ‘zum Sieden oder Schmelzen bringen, zusammenschweißen’, mnd. mhd. wellen ds., aisl. vella f. ‘Sieden’, afries. walla, ags. wiell f. ‘Quelle, Sieden’, schwachstufig norw. olla f. ‘Quelle’, got. wulan ‘sieden’, aisl. ylr ‘Wärmedunst’, ylja ‘wärmen’, olmr ‘wütend’: ahd. walo Adv. ‘tepide’, walī ‘tepor’; hierher u̯el-6 S. 1140?
dehnstufig ags. wǣl m. n. ‘Strudel, Pfuhl’, wǣlan (*wōljan) ‘wälzen’, mnd. wӧ̄len ds., ahd. wuolen ‘wühlen, aufwühlen’ (vgl. zum Ablaut aksl. valiti ‘wälzen’, und zur Bed. ‘aufwühlen’ auch nhd. Wal, Wehle, Wuhle ‘vom Wasser ausgewaschene Vertiefung’);
lit. veliù, vélti (schwere Basis) ‘walken’, váltis ‘Garn, Fischernetz’ (= russ. vólotь ‘Faden, Faser’ bis auf die Intonation), lett. vel̂t ‘wälzen, walken’, lit. apvalùs, lett. apál̦š ‘rund’, apr. walis ‘Zugscheit am Wagen’, lit. volė̃ ‘hölzerner Schlägel’, pavõlai ‘Walzen’, lett. vā̀le f. ‘Waschbleuel’, vī-vala ‘der Laufstock beim Garnwinden’ (: vīvaluot ‘ausgelassen sein’); lit. vė̃lei, vė̃l ‘wiederum, noch einmal’, lett. vêl ‘noch, ferner’ (‘wiederum’ aus ‘Wendung’) und mit Bed.-Entw. ‘sich entwinden, sich winden = zögern’ vielleicht lit. vėlùs, lett. vę́ls ‘spät’, lit. valandà ‘Weile’ (daraus russ. valánda ‘Saumseliger’);
slav. *valъ m. in ksl. valъ ‘Welle’, russ. val ‘Welle, Woge, Walze’ (bsl. *u̯ō̆la-), obvál ‘Erdrutsch’, provál ‘Einsturz’; aksl. valiti sе̨ “κυλίεσθαι”, russ. valítь ‘wälzen’, Iter. serb. váljati, russ. valjátь ‘wälzen, walken’, ablaut. russ.-ksl. obьlъ ‘rund’, russ. óblyj ‘rundlich’ (*ob-vьlъ); über russ. vólotь s. oben;
bsl. *u̯ilnā- (*u̯l̥nā) f. ‘Welle’ in lit. vilnìs, vilnià, lett. vilna ‘Welle’; slav. *vьlna in aksl. vlъna, russ. volná ds.; dazu aksl. vъlati ‘in Wallung bringen’.
Toch. A walyi Pl. ‘Würmer’.
B. d-Präsens (bzw. d-Erweiterg.): aisl. velta, valt, ahd. walzan, mhd. walzen, wielz ‘sichwälzen’, ahd. auch ‘volvere animo’ (wgrm. a-Präs. zu einem Perf. mit idg. о neugebildet mit Unterstützung des Iterativs:) got. waltjan ‘sich wälzen’, uswaltjan ‘umwälzen’, aisl. velta, ags. wieltan, ahd. welzan trans. ‘wälzen, rollen, drehen’, anord. valtr, ags. wealt ‘rollend, wälzbar, unbeständig’; ags. wlatian unpers. ‘nauseare’, wlǣta, wlǣtta m. ‘Ekel’ (*wlātiþa), wlǣtan ‘foedare’, mnd. wlaten ‘ekeln’ (u̯lē-d- : u̯lǝ-d-); auch neben ahd. wal(a)gōn ‘sich wälzen, rollen’ steht mhd. die Bed. ‘Ekel empfinden’, walgunge ‘Seekrankheit’, auch norw. dial. valg ‘widerlich, übel’ (s. unten);
d-Erweit. auch in lett. velde, veldre ‘das vom Regen niedergelegte (wie gewälzte) Getreide’; vgl. von der i-Basis oben gr. ἀλίνδω, ἀλινδέω, ἀλίζω.
C. Weiterbildungen:
u̯lei-s-, u̯li-s- in: air. flesc ‘Rute’ (*u̯liskā), got. wlizjan ‘schlagen, züchtigen’ (wenn Ableitung von einem *wliza- ‘Rute’), slav. *lěska (*vloiskā), russ.-ksl. lěskovъ ‘aus dem Holz des Styraxbaumes gemacht’, serb. lijèska ‘Haselstaude’ usw.; über russ. lés ‘Wald, Holz’ (*lěsъ), lesá ‘Angelschnur, Zaun’, die vielleicht hergehören, s. Vasmer 2, 33 f. und oben S. 665.
u̯lē-ro-, u̯lō-ro-, u̯lǝ-ro-: gr. εὔληρα, dor. αὔληρα Pl. ‘Zügel’, ἄβληρα· ἡνία Hes. (*ἐ-, ἀ-ϝληρο-), lat. lōrum ‘Riemen’, lōrica ‘Kettenpanzer’ (‘Riemenpanzer’), arm. lar ‘Strick, Schnur, Bogensehne, Muskel’, vgl. oben S. 1139.
D. Gutturalerweiterungen:
u̯olg- in ai. válgati ‘(*dreht sich), hüpft, springt’, mit sam- ‘setzt sich in rollende Bewegung’, mit abhi- ‘wallt auf’, valgā ‘Zaum, Zügel’, lat. valgus ‘säbelbeinig’, ags. wealcan, wéolc ‘rollen (tr. und intr.), sich hin und her bewegen, volvere animo’, ahd. walkan, mhd. walken, wielcwalken, verfilzen, prügeln’, mhd. auch ‘sich wälzen’, aisl. valk n. ‘das Hinundhergeworfenwerden, bes. auf der See’, ags. gewealc n. ‘das Rollen’, wealca m. ‘Woge’;*walkōn in aisl. valka ‘von Ort zu Ort treiben oder ziehen, plagen, volvere animo’, ags. wealcian ‘rollen’ (intr.), engl. walk ‘wandern’, mnd. walken ‘walken, kneten’; lett. valgs ‘Strick, Schnur’;
nasaliert as. wlank ‘übermütig, kühn’, ags. wlanc ‘übermütig, stolz, stattlich’, wenn aus der Bed. ‘springend’ (: ai. válgati) entwickelt.
u̯olk-: in mnd. walgen ‘ringen, kämpfen, Übelkeitempfinden’, norw. olga ‘sich ekeln’, ahd. wal(a)gōn ‘sich wälzen, rollen’, trans. ‘wälzen, rollen’, mhd. unpers. m. Dat. ‘Ekel empfinden’, walgunge ‘Seekrankheit’.

WP. I 298 f., WH. I 822, II 728 ff., 825, 832 ff., Trautmann 349, Vasmer 1, 165 f., 234, Frisk 36, 42, 457 f., 461 f.; vgl. u̯el-3.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal