Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

waaien - (blazen van de wind)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

waaien ww. ‘blazen van de wind’
Onl. wāion ‘waaien’ in also ther northwind waiet ‘zoals de noordenwind waait’ [ca. 1100; Will.]; mnl. waeyen ‘waaien, wapperen’: waien [1240; Bern.], in alse slegt als de see. alst nit en wehet ‘zo glad als de zee, als het niet waait’ [1270-90; VMNW], van nord westen wieu de wint ‘... waaide de wind’ [1285; VMNW], ‘verwaaien’ in Dat stof dat waiet vor den wint [1285; VMNW].
Mnd. wēien; ohd. wāian, wā(h)en (nhd. wehen); ofri. wēia, wāia (nfri. waaie); oe. wāwan; ozw. via; got. waian; alle ‘waaien’, < pgm. *wēan-.
Verwant met: Latijn ventus ‘wind’; Grieks aẽnai ‘waaien’, āḗr ‘lucht’ (zie ook → air 1), áurā ‘briesje’ (zie ook → aura); Sanskrit vā́ti ‘waaien’; Avestisch vāiti ‘id.’; Litouws vė́jas ‘wind’; Oudkerkslavisch vějati ‘waaien’ (Russisch véjat'); Oudiers feth ‘lucht’; bij de wortel pie. *h2ueh1- ‘waaien’ (LIV 287). Zie ook → weer 2 en → wind.
Oorspr. is waaien een sterk werkwoord uit de zogenaamde klasse der reduplicerende werkwoorden; hiervan getuigt nog de verleden tijd wieu uit 1285. In het Nederlands is het woord gedeeltelijk aangepast aan de werkwoorden van de zesde klasse (verleden tijd woei) en aan de zwakke werkwoorden (verleden tijd waaide, verl.deelw. gewaaid).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

waaien* [blazen (van wind)] {waeyen 1201-1250} oudhoogduits wāen, oudfries waia, oudengels wawan, gotisch waian; buiten het germ. latijn ventus [wind], grieks aèmi, (< ∗awèmi) [ik waai], litouws vėjas [wind], russisch veter [wind], oudindisch vāti [hij waait] (vgl. nirwana).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

waaien ww., mnl. waeyen, mnd. wēien, ohd. wāen (nhd. wehen), owfri. wāya, oe. wāwan, got. waian ‘waaien’. — oi. vāti, gr. áēsi (ἄησι) ‘waait’, daarnaast oi. vāyati, osl. věją, vějeti ‘waaien, wannen’, vgl. oi. vāyu- ‘wind, lucht’, lit. vė́jas ‘wind’ van idg. wt. *u̯ē van de stam *au̯ē̆ (IEW 82-3). — Zie verder waren, weder 1 en wind 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

waaien ww., mnl. waeyen. = ohd. wâen (nhd. wehen), mnd. weien, owfri. wâya, ags. wâwan, got. waian “waaienˮ. Vgl. bij draaien. Van de idg. basis awê-, waarvan ook o.a. ier. feth “luchtˮ, gr. áēmi “ik waaiˮ, obg. věją, vějati “waaienˮ, lit. vėjas “windˮ, oi. vā́ti, vā́yati “hij, het waaitˮ en de bij waren, weder I en wind I genoemde woorden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

waaien. Schrap: ier. feth.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

waaien ono.w., Mnl. waeien + Ohd. wâjan, wâen (Mhd. wæ̂jen, Nhd. wehen), Ags. wáwan, Ofri. wája, Go. waian + Skr. wrt. va, Gr. áēnai (d.i. *a-wē-nai), Oier. feth = lucht, Osl. vějati: Idg. wrt. u̯e.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wejje (ww.) waaien; Aajdnederlands waion <1100>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

weien, ww.: waaien. Door palatalisering van de a voor i, zoals al in Mnl. weyen < waeyen.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2waai ww.
1. (t.o.v. lug) Beweeg, blaas. 2. Beweeg deur die wind. 3. Wind veroorsaak. 4. Die hand heen en weer beweeg, gewoonlik uit erkenning of as groet. 5. (geselstaal) Vertrek.
In bet. 1 -4 uit Ndl. waaien (1500 in bet. 1, begin 16de eeu in bet. 2, 1546 in bet. 3, 1784 in bet. 4). Bet. 5 het in Afr. self ontwikkel, wsk. n.a.v. bet. 4 'die hand heen en weer beweeg as groet' omdat dit die aksie is wat uitgevoer word wanneer daar vertrek word. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).
D. wehen (8ste eeu). Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1970 in bet. 5).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

waaien (waaide, heeft gewaaid), (ook:) 1. wannen. De korrels [maïs] laten uitlekken en fijn stampen in een mata* (stamper) en malen. De gestampte massa waaien (wannen), dan met water vermengen en zeven (S&S 207). - 2. maaien van gras of onkruid met een houwer*. Het waaijen (afkappen) van dit hooge wied*, bij een’ meer droogen bodem, doet reeds van zelve uit de natuur de edele voedselplanten vermenigvuldigen (Teenstra 1835 II: 359; oudste vindpl.). - 3. (veroud.) roeren in suikerrietstroop bij de bereiding van suiker. Het waaijen dient, om de suiker spoedig te doen koelen en de siroop- of melassiedeelen gelijkelijk door de geheele massa te doen verspreiden; - te veel waaijen doet grein of korrel breken (Teenstra 1835 I: 231; oudste vindpl.). - Etym.: (1) Bij ’wannen’ wordt het kaf o.i.d. van de korrels gescheiden doordat de wind het wegblaast. (2, 3) Het betreft bezigheden waarbij de arm heen en weer gaat; vgl. BN w. = wuiven met de hand, zwaaien met de arm. - Zie ook i.v.m. 2: wieden*; i.v.m. 3: draaien*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

waai I: ww., beweeg/blaas (bv. lug/wind); wink (m. hand); trap, vertrek; Ndl. waaien (Mnl. waeyen), Hd. wehen, Got. waian, hou verb. m. Afr. (on)weer, Eng. weather, asook m. Ndl., Afr., Hd. en Eng. wind, verderop m. Lat. ventus, Gr. aêtês, “(storm)wind”.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

waaien. De verwensing waai in een knoop! betekent ‘stik (met je zootje), barst, val dood’. De verwensing wordt gebruikt in geval van verontwaardiging, boosheid, woede. Sanders en Tempelaars (1998) noemen ook waai dood! wip.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Waaien, van den Idg. wt. we = waaien. Zie ook Wind.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

waaien ‘blazen (van wind)’ -> Deens vaje ‘wapperen in de wind; de vlag hijsen en laten wapperen; flakkeren’; Noors vaie ‘wapperen’; Zweeds vaja ‘met grote langzame bewegingen heen en weer bewegen (hoge bomen)’; Zuid-Afrikaans-Engels vay, waai ‘gaan, weggaan’ <via Afrikaans>; Negerhollands wei, wāi ‘blazen (van wind)’; Berbice-Nederlands wai ‘blazen; wannen; wieden’; Papiaments waya ‘wind veroorzaken met iets, wapperen van een vlag’; Sranantongo wai ‘wapperen, blazen (van wind)’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

uitwaaien. In 2005 verscheen bij Penguin The Meaning of Tingo van Adam Jacot de Boinod. In dit boek heeft de auteur woorden uit andere talen beschreven waarvan hij vindt dat het Engels ze zou moeten overnemen, omdat ze een verrijking voor die taal zouden betekenen. Ook een aantal Nederlandse woorden hebben hun weg gevonden naar dit woordenboek. Volgens de auteur zeggen woordenboeken meer over een cultuur dan reisgidsen. Zo bevestigt volgens hem de Nederlandse woordenschat de reputatie van Nederlandse luchthartigheid. Als voorbeeld noemt hij het woord uitwaaien voor 'voor de lol gaan wandelen als het flink waait'. Voor zover ik kan nagaan is uitwaaien door geen enkele andere taal overgenomen, maar het Nederlandse waaien vinden we in het Sranantongo als wai (a winti e wai moi na dorosei 'de wind waait buiten lekker') en in het Papiaments als waya 'wind veroorzaken met iets, wapperen van een vlag' (voor het waaien van de wind gebruikt men supla, dat teruggaat op het Spaans). Genoemde talen hebben tevens het Nederlandse waaier overgenomen; in het Papiaments is dit wairu geworden en in het Sranantongo waya.

Een ander Nederlands woord dat in Boinods ogen navolging verdient, is de benaming plimpplamppletteren voor steentjes over het water keilen - een woord dat in het Nederlands echter onbekend is. Het laatste Nederlandse woord dat hij vermeldt is queesting 'een minnaar in bed toelaten om wat met elkaar te kletsen'. Het grappige is echter dat dit woord in het verleden in Amerika bekend is geweest dankzij de eerste Nederlandse kolonisten. Deze brachten namelijk naar Nieuw Amsterdam de gewoonte van het queesten of kweesten: een meisje het hof maken door 's nachts gekleed op haar bed te komen zitten of liggen, vooral bekend in Noord-Holland en op de Wadden (het woord is afgeleid van het Oudfranse quester 'onderzoeken'). Toen de Engelsen het in Nieuw Amsterdam voor het zeggen kregen, namen zij de gewoonte van het queesten over. Niet echter de naam, want die zou in het Engels questing luiden, wat tot verwarring zou leiden met to quest 'zoeken'. De New Yorkers benoemden het verschijnsel met een eigen term, namelijk bundling, omdat het meisje werd ingepakt in een zogenoemde bundling bag, van to bundle 'inpakken'. Vanuit New York verbreidden de gewoonte en de naam bundling zich over de rest van Amerika en gingen gelden als een typisch Amerikaanse eigenaardigheid. Het doel ervan, namelijk het voorkomen van zwangerschap vóór het huwelijk, lukte lang niet altijd. Zo merkt Washington Irving, onder het pseudoniem Diedrich Knickerbocker, in zijn History of New York uit 1809 spottend op dat bundling de oorzaak is van 'the unparalleled increase of the Yanokie or Yankee tribe', dus van de ongeëvenaarde toename van de Amerikaanse stam.

In 1871 wijdde Henry Reed Stiles een monografie aan het verschijnsel: Bundling: its origin, progress and decline in America. In de loop van de negentiende eeuw werd bundling geleidelijk een volksgebruik waarover slechts met nostalgie werd bericht. Dat ooit het Nederlandse gebruik en woord kweesten eraan ten grondslag hebben gelegen, is kennelijk geheel in vergetelheid geraakt, want anders zou Adam Jacot de Boinod niet pleiten voor het invoeren van het Nederlandse woord queesting, zonder te vermelden dat het gaat om een hérinvoer.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

waaien* blazen (van wind) 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2583. De wind waait uit een anderen (of een verkeerden) hoek,

eig. gezegd door den schipper, die een anderen of ongunstigen wind krijgt; vandaar bij uitbreiding gebezigd van omstandigheden, die zich wijzigen of voor een bepaald doel ongunstig zijn, het tegenwerken, niet bevorderenOok bezigt men: de wind is gedraaid of gekeerd, de omstandigbeden zijn veranderd (vgl. reeds Roode Roos, 173: t Is messelyck hoet windeken gedrayt is) of de wind is om (Hooft, Brieven, IV, 34); Harreb. II, 469: De wind is bij hem gansch omgedraaid; Nkr. I, 20 Juli p. 6: De wind begint te keeren, Bram weet er alles van; Teirl. II, 120: de wend es gekeerd.. Vgl. Tuinman I, 949: Het waait uit dien hoek, dat wil zeggen, van die zyde heeft men de gunst en drift, van daar komt het; II, 162: de storm kwam uit dien hoek niet, dat is, vandaar kreeg het quaad zynen oorsprong niet, het waaide uit eenen anderen hoek; Boerekrakeel, 236:

 Loop, loop, zei Kees, jy weet niet waer
 De wynt van daen komt; maar wy weeten
 De zaek al aers, des zwyg maer stil.

W. Leevend, VI, 13: Al waait het eens uit den verkeerden hoek, dat is fut; V. Janus, 143: Die wind begint uit een' geheel anderen hoek te waaien, die bortjens schijnen deerlijk voor u verhangen te zijn; Harreb. I, 310: De wind waait daar uit geen goeden hoek. Weten uit welken hoek de wind waait, weten hoe 't met iets gelegen is, hoe de zaken staan; weten, waar men zich aan te houden heeft; zie Harreb. I, 380: Hij weet wel van welken kant de wind waait; Ndl. Wdb. VI, 799; afrik. Waai die wind uit daar die hoek? staan de zaken zoo? fr. regarder de quel côté vient (ou souffle) le vent, observer le cours des événements pour y conformer sa conduite (Hatzf. 2227 a); eng. tho know in what quarter does the wind sit, which way (or how) the wind blows; according as the wind blows; hd. wissen woher der Wind kommt; Zuidnederl. weten, zien hoe of vanwaar de wind komt, zien welke wending de zaken nemen, of hoe iemand gezind is (Joos, 99; Rutten 279 a; Waasch Idiot. 746; Schuerm. 865 a); de wind komt uit het noorden of 't is vandaag noordenwind, gezegd van iemand die er kwaad uitziet (Schuerm. 414 b); fri.: min moat witte ut hwet hoeke de wyn waeit, men moet altijd de noodige omzichtigheid in acht nemen.

2585. Zooals de wind waait, waait zijn jasje (of zijn rokje),

d.w.z. hij schikt zich naar de omstandigheden, regelt zijn politiek inzicht naar zijn belang, waait met alle winden. Vgl. Harreb. I. 357: Zoo de wind is, waait het jasje; De Arbeid, 6 Juni 1914 p. 1 k. 2: Zooals de wind waait, waait ook mijn jasje, dat is het parool van de leiders der moderne arbeidersbeweging; Het Volk, 4 Maart 1914 p. 2 k. 2: Het blijkt dus, dat deze liberale propagandist zijn publiek eerst ter dege aankijkt, voordat hij spreken gaat. Zooals de wind in de vergadering waait, schijnt zijn rokje te waaien; Ppl. 70: Zoo as de wind waait, waait d'r hoedje; Nederland, Aug. 1914, bl. 414: ‘Da's gekheid! We meenen 't allemaal goed met mefrou, maar ze het geen stuur over d'r eigen. Zooals de wind waait, waait d'r muts, zeit m'n moeder altijd; Nkr. VI, 1 Juni p. 1: Ik zeg driemaal: Zoo-de-wind-waait-waait-mijn-rokje en ziedaar, geacht publiek, mijn stem is voor; Onze Volkstaal II, 114: Zooas te wijnd waoit, waoit zijne jaas, hij hangt de huik naar den wind; Nieuwe Tijd, 4 Aug. 1917 p. 3 k. 2: Dat is nou eens echt: ‘zooals de wind waait, zoo waait mijn jasje’. Den eenen dag krijt men ons uit voor beginsellooze opportunisten en den anderen dag zijn we weer Marxisten, pur sangDe zegswijze wordt ook verlengd: Zooals de wind waait, waait mijn jasje, til je mijn hemd op, dan zie je mijn kwas(t)je.; zie no. 981.

2590. Met alle winden (mee)waaien,

d.w.z. ieder naar den mond praten, met alle partijen medegaan, geen zelfstandige meening hebben; mnl. met alle(n) winde(n) seilen (vgl. ook Campen, 102) en met alle winden waeyen. Ook later zeer gewoon o.a. bij Anna Bijns, Refr. 35; 82; 61: met allen winden draeyen; Goedthals, 141: men sal niet waeyen met alle winden, il ne faut trop ployer a vent d'homme; Campen, 102: hy weeyt mit allen wynden; Van Lummel, 205; Brederoo I, 363, 1787: Wy gaan met alle winden; Hooft, Ned. Hist. 89; Idinau, 28:

 De sulcke met allen winden waeyen
 Die deur elcks segghen hen selven ont-stellen.
 Soo siet-men de vaenkens en weer-hanen draeyen.

Focquenb., Aen Clorimene, 9: Soo sult ghy licht in 't kort bevinden, dat, eeven als uw losse sin, mijn trouwheydt, en standvaste min, verdraeyen sal met alle winden; zie verder Sp. d. Sonden, 13305-7; Lat. Versch. 419; Sewel, 960; Halma, 789; Harrebomée II, 470 b; III, 362 en vgl. een windvaanDe Arbeid 6 Juni 1914 p. 1 k. 4: En zulke meeloopers, zulke windvanen, kramen in hun bladen uit, wat anderen, die even beginselloos zijn, hen voorpraten. of weerhaan (iemand, die met alle winden draait) en draaien als de weerhaan, dat voorkomt bij Van Lummel, 72, waarvoor Campen, 102: het is een recht wendehoycke (iemand die de huik naar den wind hangt). In Zuid-Nederland met alle winden draaien; naar alle weeren (of winden) draaien (zie Antw. Idiot. 373); in het Westvl. heet zoo iemand een draainagel; afrik. hy waai met alle winde saam; vgl. het fr. tourner à tout vent (comme une girouette); hd. mit allen Winden segeln; wetterwendisch; eng. to turn with every wind; fri. mei alle winen waeije.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal